|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:4730 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 15-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | AMS 26/1801 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Verzoekster exploiteert een eendenslachterij. Verweerder heeft besloten de aanvraag van verzoekster om een omgevingsvergunning te weigeren en de bestaande omgevingsvergunningen van verzoekster in te trekken. Aan dit besluit heeft verweerder een advies van het Landelijk Bureau Bibob ten grondslag gelegd. Op grond van een belangenafweging wijst de voorzieningenrechter het primaire verzoek van verzoekster af en het subsidiaire verzoek toe. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoekster dat zij in ieder geval tot aan de uitspraak op het beroep de bedrijfsactiviteiten die in het verleden waren vergund kan voortzetten, groter dan de door verweerder genoemde belangen bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | eenden | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1801
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigden: mr. W.R. Jonk en mr. R. Scholten),
en
het college van burgemeester en wethouders van Ermelo, het college
(gemachtigden: mr. T.E.P.A. Lam en mr. D.J. Heemskerk).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
Stichting DOEH te Putten (gemachtigde: mr. I.E. Nauta), Stichting Mobilisation for the Environment te Nijmegen (gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen) en Stichting Animal Rights te ’s-Gravenhage (gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening te treffen tegen het bestreden besluit dat het college heeft genomen. In dit besluit is de door verzoekster gevraagde omgevingsvergunning door het college geweigerd en heeft het college de vigerende omgevingsvergunningen van verzoekster ingetrokken, na een advies van het Landelijk Bureau Bibob.
1.1.
Op grond van een belangenafweging wijst de voorzieningenrechter het primaire verzoek van verzoekster af en het subsidiaire verzoek toe. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster exploiteert een eendenslachterij. Verzoekster heeft voor de inrichting op 30 januari 2018, gewijzigd op 29 februari 2024, een omgevingsvergunning milieu (revisie-omgevingsvergunning) aangevraagd. Verder heeft verzoekster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor bouwen en ter legalisering van het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Kort gezegd gaat het om de volgende activiteiten:
het veranderen van de inrichting (milieu);
het bouwen van een bloed- en slibtank;
het plaatsen van een geluidscherm;
het bouwen van een schoorsteen;
het bouwen van gebouwen voor een verenlaadplaats;
het bouwen van een luchtwasser;
het bouwen van een bedrijfshal ten behoeve van transport en opslag;
het bouwen van een gasdruk regel-meetstation met gasleiding;
het gebruiken van het buitenterrein voor transport en opslag.
2.1.
Aan verzoekster zijn eerder de onderstaande vergunningen verleend.
beschikking
datum beschikking
dossiernummer
omgevingsvergunning revisie milieu
8 oktober 2002
2002-18702
omgevingsvergunning verandering inrichting
31 juli 2006
2006-16246
omgevingsvergunning voor het verhogen van een silo
27 januari 2016
2015-09816
omgevingsvergunning voor het bouwen van een opslaghal
18 maart 2019
19e0000684
omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw
26 maart 2019
19e0001628
omgevingsvergunning voor het plaatsen elektrisch beveiliging op bestaand hekwerk
10 december 2020
20e0004965
2.2.
Op 19 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Ermelo (de raad) de voor vergunningverlening benodigde verklaring van geen bedenkingen in ontwerp afgegeven. Het college heeft vervolgens op 30 oktober 2019 een ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd.
2.3.
Op 1 oktober 2024 heeft het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie het college een zogenoemde ‘tip’ op grond van artikel 26 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) gegeven. Naar aanleiding van deze tip heeft het college een Bibob-onderzoek verricht. Vervolgens heeft het college het Landelijk Bureau Bibob (LBB) verzocht om advies uit te brengen. Op 20 juni 2025 heeft het LBB advies uitgebracht en daarin geconcludeerd dat er een ernstig gevaar is dat de vergunningen zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
2.4.
Op 22 januari 2025 heeft de raad de verklaring van geen bedenkingen alsnog in ontwerp geweigerd. Het college heeft vervolgens op 6 februari 2025 het ontwerpbesluit tot weigering van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd.
2.5.
Op 3 september 2025 heeft het college een (nieuw) ontwerpbesluit ter inzage gelegd, waarin het voornemen bekend is gemaakt de door verzoekster gevraagde omgevingsvergunningen te weigeren op grond van voornoemd Bibob-advies. Daarnaast is ook het voornemen bekend gemaakt de vigerende omgevingsvergunningen (voor zover deze niet zijn geëxpireerd) in te trekken op grond van het Bibob-advies. Tegen het ontwerpbesluit zijn 18 zienswijzen ingediend, waaronder door verzoekster.
2.6.
Op 15 oktober 2025 heeft de raad definitief besloten de verklaring van geen bedenkingen te weigeren.
2.7.
Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 heeft het college de aanvraag van verzoekster definitief afgewezen en de vigerende omgevingsvergunningen definitief ingetrokken. Volgens het college bestaat er (een actueel) ernstig gevaar dat de verleende en aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het besluit heeft tot gevolg dat de bedrijfsvoering op het perceel, voor zover dat valt onder de ingetrokken vergunningen, definitief beëindigd moet worden. Verzoekster krijgt 11 weken de tijd om de bedrijfsactiviteiten af te bouwen en definitief te beëindigen.
2.8.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.9.
Voordat het verzoek om voorlopige voorziening naar de rechtbank Amsterdam is doorgestuurd, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland op 10 maart 2026 een ordemaatregel getroffen door het bestreden besluit te schorsen tot de (inhoudelijke) uitspraak op het verzoek.
2.10.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 deels achter gesloten deuren behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens verzoekster, de gemachtigden van verzoekster, de gemachtigden van het college en [naam 3] . Derde-partijen hebben – voor zover de zitting openbaar was – deelgenomen via een video-verbinding. Aanwezig waren: [naam 4] namens Stichting DOEH, de gemachtigde van Stichting DOEH, [naam 5] namens Stichting Animal Rights en de gemachtigde van Stichting Animal Rights en Stichting Mobilisation for the Environment.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onderhavige zaak zich niet leent om onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Het gaat om een omvangrijk dossier met veel en uitvoerige gronden. Deze procedure over een verzoek om voorlopige voorziening leent zich niet voor dat nadere onderzoek. Ook lopen nog diverse onderzoekswensen, waarover de rechtbank zich later dit jaar zal buigen. De voorzieningenrechter zal geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven, maar op grond van een belangenafweging beoordelen of er een reden is om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter weegt daarbij de belangen die worden gediend met de onmiddellijke uitvoering van het besluit af tegen de belangen van verzoekster tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De af te wegen belangen
4. Verzoekster heeft gewezen op haar belang dat de bedrijfsvoering kan worden voortgezet. Zij exploiteert de eendenslachterij al ruim 60 jaar en sinds 2016 ook al op deze schaal. Stopzetting zal niet alleen leiden tot een financiële noodsituatie, maar heeft ook consequenties voor de tientallen medewerkers, waarvan een groot aantal al jarenlang in dienst is. Omdat verzoekster de enige eendenslachterij in West-Europa is, heeft sluiting van de slachterij ook grote gevolgen voor bedrijven die eenden leveren aan verzoekster. Verzoekster heeft er verder op gewezen dat met het college een zogenaamde Letter of Intent is gesloten (verder de overeenkomst). Volgens verzoekster heeft het college de gevraagde legalisering sinds de uitbreiding in 2016 steeds gesteund en heeft het, enkele maanden na het sluiten van de overeenkomst, onrechtmatig zijn standpunt gewijzigd.
4.1.
Het college heeft gewezen op het algemene belang dat is gediend door toepassing van de Wet Bibob en het voorkomen van het ernstige gevaar dat de omgevingsvergunningen (mede) worden gebruikt voor strafbare feiten. Ook wijst het college op het belang van bescherming van de integriteit van de overheid en het belang van omwonenden en de daarmee samenhangende langdurige stroom van klachten over de bedrijfsvoering van verzoekster.
Het primaire verzoek
5. Verzoekster verzoekt primair een voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij de onderneming kan exploiteren op de wijze zoals die in de overeenkomst, in de gewijzigde vergunningaanvraag en tijdens de toezeggingen door de gemeente was voorzien, voor een periode die duurt tot zes weken na de uitspraak op het beroep. Deze voorziening kan er volgens verzoekster uit bestaan dat het college wordt verboden handhavend op te treden ten aanzien van hetgeen onder de aangevraagde vergunning valt, dan wel dat het college wordt geboden verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van de aangevraagde vergunning.
5.1.
De voorzieningenrechter wijst dit primaire verzoek af. Het verzoek van verzoekster strekt ver, want komt er feitelijk op neer dat zij haar bedrijfsvoering voortzet zonder te beschikken over de daarvoor vereiste uitbreidingsvergunning, en zonder daar in het verleden ooit over te hebben beschikt. Bij evidentie over de uitkomst van de zaak in het voordeel van verzoekster zou aanleiding kunnen bestaan zo’n verstrekkende voorziening te treffen. Die evidentie is er niet, zoals onder 3 is aangegeven. Partijen hebben over en weer elkaars standpunten uitvoerig betwist en deze zaak zal – naar verwachting in het vierde kwartaal van dit jaar – door een meervoudige kamer worden behandeld. Ook de belangen van verzoekster en van degenen die daarmee zijn verbonden rechtvaardigen niet een zo ver strekkende voorziening. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster er in 2016 zelf voor heeft gekozen haar bedrijfsvoering zonder de benodigde vergunning uit te breiden. Maar ook betrekt de voorzieningenrechter bij haar oordeel de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2026. Behoudens het gas-druk-station, gaat het in de door verzoekster gevraagde vergunning om legalisering van activiteiten waarvan de Afdeling juist heeft bevestigd dat handhavend moet worden opgetreden. De voorzieningenrechter ziet aanleiding noch ruimte, om die uitspraak te doorkruizen. Het feit dat het bedrijf een lange geschiedenis heeft en al tien jaar op deze schaal exploiteert, maakt dat niet anders. Dit zijn, net als de handelwijze van het college, bovendien aspecten die ook onderwerp van gesprek zijn geweest bij de Afdeling.
Het subsidiaire verzoek
6. Subsidiair verzoekt verzoekster het intrekkingsbesluit te schorsen tot zes weken na de uitspraak op het beroep, althans de voorziening te treffen die de voorzieningenrechter redelijk acht.
6.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster geen baat heeft bij toewijzing van het subsidiaire verzoek, omdat dit betekent dat verzoekster moet afschalen en eerder heeft aangegeven dat dit niet mogelijk is. Ook beschikt verzoekster niet over de vereiste natuurvergunning.
6.2.
De voorzieningenrechter wijst het subsidiaire verzoek toe, in die zin dat het bestreden besluit zal worden geschorst tot de uitspraak in beroep. Dat het subsidiaire verzoek zinledig zou zijn, is in deze procedure betwist door verzoekster en ligt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet voor de hand. Het bedrijf heeft tot 2016 ook op kleinere schaal gefunctioneerd. Het valt niet in te zien dat verzoekster, zoals zij op de zitting heeft betoogd, op korte termijn geen aanpassingen zou kunnen doen om haar bedrijfsvoering terug te schalen. Dat eiseres momenteel niet beschikt over de benodigde natuurvergunning staat ook niet aan het treffen van een voorziening in de weg. Het betreft een los van de onderhavige zaak te beschouwen procedure, waarvan de uitkomst ten tijde van de onderhavige zitting bovendien nog niet vaststond. Op de zitting is immers besproken dat het handhavingsbesluit dat ziet op de ontbrekende natuurvergunning momenteel geschorst is en dat op 18 mei 2026 een zitting bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland staat gepland. Voor zover het gebrek aan een natuurvergunning in de toekomst leidt tot handhaving zij dat zo. Daaraan staat de toewijzing van deze voorziening niet in de weg. De belangen van verzoekster en de betrokken medewerkers en bedrijven die betrokken zijn bij de onderhavige vergunningen zijn groot. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoekster dat zij in ieder geval tot aan de uitspraak op het beroep de bedrijfsactiviteiten die in het verleden waren vergund kan voortzetten, groter dan de door het college genoemde belangen bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. Met betrekking tot de weging van het Bibob-advies en de belangen van omwonenden, is de voorzieningenrechter niet gebleken van zulke ernstige gevolgen bij voortzetting van de oude vergunningen, dat daarom de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
Conclusie en gevolgen
7. Het primaire verzoek wordt afgewezen. De voorzieningenrechter wijst het subsidiaire verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep.
7.1.
Omdat de voorzieningenrechter het subsidiaire verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden en wordt het college ook veroordeeld in de proceskosten van verzoekster. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-, bij een wegingsfactor 1. De voorzieningenrechter vindt een zwaardere wegingsfactor dan de standaard (1) niet gerechtvaardigd. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het subsidiaire verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;
- wijst het verzoek voor het overige af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
In de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.
Op grond van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.
Op grond van artikel 5.40, tweede lid, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 5.31, eerste lid, van de Omgevingswet en artikel 3 van de Wet Bibob.
ECLI:NL:RBGEL:2026:1854.
Op grond van artikel 8:62, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:RVS:2026:2081. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|