|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:5529 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/721751 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | bank- en effectenrecht, erfrecht - vorderingen van erfgenaam met betrekking tot volmacht voor bankrekening van moeder verleend aan onterfde dochter - eindvonnis | | Trefwoorden | : | anbi | | | erfrecht | | | legitieme portie | | | schenking | | | testament | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/721751 / HA ZA 22-645
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
de vereniging
[eiser]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat mr. J.H. van Woudenberg te Amsterdam,
tegen
1. de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
hierna te noemen: ING,
advocaat mr. I.A. Hoedemaeker te Amsterdam, (voorheen mr. I.M.C.A. Reinders Folmer),
2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat mr. N.C. van Steijn te Leiden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit
- tussenvonnis van 14 januari 2026, en de daarin genoemde stukken,
- akte van [eiser] van 11 februari 2026,
- antwoordakte van [gedaagde 2] van 11 maart 2026,
- akte uitlating van ING van 11 maart 2026,
- akte van [eiser] van 22 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
in conventie
de vorderingen tegen [gedaagde 2]
2.1.
In het tussenvonnis van 14 januari 2026 heeft de rechtbank - voor zover hier relevant - geoordeeld dat voor de verdere beoordeling tot uitgangspunt strekt dat [gedaagde 2] het volledige bedrag van € 349.975,14 op onrechtmatige wijze aan de rekening van [erflaatster] heeft onttrokken.
2.2.
Vervolgens is bepaald dat [eiser] en [gedaagde 2] zich nog mogen uitlaten over hetgeen de rechtbank onder 5.22. van het tussenvonnis van 15 november 2023 heeft overwogen, te weten dat het de rechtbank voorkomt dat te zijner tijd bij berekening van de schade rekening zal moeten worden gehouden met de legitieme portie van [gedaagde 2] en met het effect van de erfbelasting op de aanspraken van [eiser] .
2.3.
[eiser] en [gedaagde 2] hebben zich vervolgens bij akte uitgelaten over deze twee onderwerpen. ING heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarna heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de antwoordakte van [gedaagde 2] , dit in verband met het daarin opgenomen nieuwe standpunt van [gedaagde 2] . [eiser] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
legitieme portie
2.4.
Niet in geschil is (de geldigheid van) het beroep dat [gedaagde 2] tijdens deze procedure bij monde van haar advocaat op haar legitieme portie heeft gedaan. Partijen zijn het er ook over eens dat dit gegeven van invloed is op het aan [eiser] toe te kennen schadebedrag. [eiser] meent dat dit schadebedrag nu kan worden vastgesteld; [gedaagde 2] stelt zich op het standpunt dat (mogelijk) nog andere posten bij de berekening moeten worden betrokken en dat [eiser] gehouden is hierover nadere informatie te verstrekken.
2.5.
Volgens [eiser] zou de ‘zuivere boedel’ - als [gedaagde 2] niet tot de onrechtmatige onttrekkingen was overgegaan - op de sterfdatum van [erflaatster] € 349.975,14 hebben bedragen. De bankrekening was het enige bezit van [erflaatster] en zij bezat geen schulden. Voor zover [eiser] kan nagaan heeft [erflaatster] bij leven geen schenkingen gedaan. De legitieme portie van [gedaagde 2] bedraagt daarmee € 349.975,14 : 2 = € 174.987,57 en voor [eiser] zou dan een bedrag van eveneens € 174.987,57 zijn overgebleven, aldus [eiser] .
2.6.
[gedaagde 2] heeft daartegen aangevoerd dat het testament van [erflaatster] een legaat bevat van € 10.000 aan de Stichting Haags Dierencentrum (hierna: SHD), dat [eiser] moet voldoen. Ook heeft [eiser] als executeur de taak om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Als de boedel op de sterfdatum van [erflaatster] € 349.975,14 heeft bedragen, moeten (zie artikel 4:7 BW) het legaat en de verdere schulden (zoals de kosten van de uitvaart en van de notaris in verband met de verklaring van erfrecht) daarop eerst in mindering worden gebracht. [gedaagde 2] heeft geen wetenschap van de verder gemaakte kosten, maar het is de taak van [eiser] als executeur om deze informatie te verschaffen (zie artikel 4:148 BW).
2.7.
De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij. De legitieme portie wordt berekend aan de hand van de waarde van de goederen van de nalatenschap, te vermeerderen met in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden (zie artikel 4:65 BW). Een legaat is - zoals [eiser] terecht opmerkt - niet als een schuld in voormelde zin te beschouwen. Het legaat aan SHD is dan ook niet van belang voor de berekening van de legitieme portie van [gedaagde 2] . Dat sprake is van giften of schulden die bij de berekening van haar legitieme portie moeten worden betrokken is verder onvoldoende gesteld of gebleken. Van uitvaart- of notariskosten is volgens [eiser] hoe dan ook geen sprake geweest.
2.8.
De rechtbank ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding om gevolg te geven aan de suggestie van [gedaagde 2] om alsnog informatie over gemaakte kosten op te vragen bij de executeur op grond van artikel 22 Rv of om [eiser] daarover op grond van artikel 4:151 BW eerst rekening en verantwoording te laten afleggen. De artikelen waarnaar [gedaagde 2] in dit verband verwijst brengen een dergelijke verplichting niet met zich jegens [gedaagde 2] als legitimaris.
erfbelasting
2.9.
[eiser] heeft - onweersproken - aangevoerd dat zij de ANBI-status heeft (de rechtbank begrijpt: ook ten tijde van het overlijden van [erflaatster] ) en dat zij daarom geen erfbelasting is verschuldigd. Dit betekent dat de erfbelasting geen factor is die van invloed is op de toe te kennen schadevergoeding.
conclusie
2.10.
Het voorgaande brengt met zich dat de geleden schade als gevolg van de onrechtmatige onttrekkingen door [gedaagde 2] kan worden begroot op € 174.987,57. Deze schade zal worden toegewezen aan [eiser] , met dien verstande dat dit bedrag ten goede komt aan de nalatenschap van [erflaatster] , die [eiser] als executeur beheert.
2.11.
De gevorderde wettelijke rente over de schade is toewijsbaar vanaf de datum van dagvaarding.
2.12.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet gespecificeerd en worden daarom afgewezen.
proceskosten
2.13.
[eiser] heeft gevorderd om [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de door haar gemaakte beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 446,32 voor deurwaardersexploten, € 676 voor griffierecht en € 2.051 voor salaris advocaat ((1 punt) x tarief V à € 2.051), totaal € 3.173,32.
2.14.
[gedaagde 2] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen.
Deze worden als volgt begroot:- kosten dagvaarding € 103,33
- griffierecht € 5.061- kosten deskundige € 3.539,25- salaris advocaat (4 punt x tarief V à € 2.051) € 8.204
- nakosten (plus de verhoging als vermeld in de beslissing) € 296
TOTAAL € 17.203,58
de vorderingen tegen ING
2.15.
Zoals in het tussenvonnis van 13 augustus 2025 al is beslist zullen de vorderingen tegen ING worden afgewezen. Omdat [eiser] jegens ING in het ongelijk is gesteld moet zij de proceskosten van ING betalen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd. Deze worden (inclusief nakosten) begroot op: - griffierecht € 5.737
- salaris advocaat (3 punt x tarief V à € 2.051) € 6.153
- nakosten (plus de verhoging als vermeld in de beslissing) € 189
TOTAAL € 12.079
in reconventie
2.16.
[eiser] heeft - onweersproken - aangevoerd dat het beslag dat zij onder de Volksbank ten laste van [gedaagde 2] heeft doen leggen geen doel heeft getroffen. Al om die reden is de vordering tot opheffing van het beslag niet toewijsbaar.
2.17.
[eiser] heeft gevorderd om [gedaagde 2] te veroordelen in de werkelijke proceskosten in reconventie, door haar begroot op € 775, exclusief btw (€ 937,75 inclusief btw). Daartoe voert zij aan dat in dit geval aanleiding bestaat om van de forfaitaire proceskostenvergoeding af te wijken. [gedaagde 2] heeft misbruik van procesrecht gemaakt door de vordering in reconventie in te stellen, terwijl zij wist of had moeten weten dat er geen beslag op haar banktegoeden lag. De stelling dat het beslag grote invloed heeft op haar leven is voor [eiser] onnavolgbaar. De vordering was dan ook evident ongegrond en onrechtmatig. [eiser] heeft daardoor nodeloos kosten moeten maken, aldus steeds [eiser] .
2.18.
[gedaagde 2] heeft dit alles niet weersproken, zodat ook de rechtbank ervan uitgaat dat zij tegen beter weten een kansloze vordering heeft ingesteld. Daarmee heeft zij misbruik van procesrecht gemaakt en zal de rechtbank haar veroordelen tot betaling van de daadwerkelijk door [eiser] gemaakte kosten.
3De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld door misbruik van omstandigheden te maken bij de totstandkoming en het gebruik van de volmacht van [erflaatster] ;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van een bedrag van € 174.987,57 aan [eiser] ten behoeve van de nalatenschap van [erflaatster] , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 5 augustus 2022;
3.3.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan [eiser] van € 3.173,32 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.4.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van [eiser] van € 17.203,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98, plus de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.5.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [eiser] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.6.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van ING van € 12.079, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98, plus de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.7.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van ING als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.8.
verklaart de veroordelingen onder 3.2. tot en met 3.7. uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
3.10.
wijst het gevorderde af;
3.11.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van ING van € 937,75;
3.12.
verklaart de veroordeling onder 3.11. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe rechter, en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 3 juni 2026.
Vgl. HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|