Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:6028 
 
Datum uitspraak:05-06-2026
Datum gepubliceerd:31-07-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:AMS 26/2335
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Voorlopige voorziening over opschorting subsidie. Geen spoedeisend belang, verzoekster heeft onvoldoende onderbouwd dat zij in een financiële noodsituatie komt te verkeren of dat er anderszins onomkeerbare gevolgen zullen intreden. Ook een voorlopig rechtmatigheidsoordeel: besluit zal naar verwachting in stand blijven.
Trefwoorden:subsidies
vrijwilligers
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/2335

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. B. Coskun),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigden: mr. R. Nomden en mr. F. Onasser).



Procesverloop


1.1.
Met het bestreden besluit van 27 maart 2026 heeft het college de eerder aan verzoekster verleende subsidie voor activiteiten binnen de sociale basis met onmiddellijke ingang voor 13 weken opgeschort, omdat volgens het college een ernstig vermoeden bestaat dat het college toepassing zal geven aan de bevoegdheden om subsidies in te trekken of te wijzigen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoekster betrokken is bij een strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie (OM). Daarvan heeft verzoekster het college niet op de hoogte gesteld en daarmee niet aan haar inlichtingenplicht voldaan. Ook heeft het college geconstateerd dat verzoekster en gelieerde bv’s gebruik maakten van dezelfde IBAN-nummers en e-mailadressen, waardoor onduidelijk is wie welke activiteiten heeft uitgevoerd en aan wie facturen zijn betaald. Tot slot blijkt uit gesprekken met oud-medewerkers dat er mogelijk activiteiten zijn uitgevoerd door medewerkers of vrijwilligers van verzoekster, die vervolgens zijn gefactureerd door een van de (voorheen) aan verzoekster gelieerde bv’s.

1.





1.2.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat wordt bepaald dat de subsidiebetalingen worden hervat tot 6 weken na de beslissing op het bezwaar.



1.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] en [persoon 2] ([functie 1] van verzoekster), de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigden van het college en [persoon 3] (werkzaam bij de gemeente, [functie 2]).




Beoordeling door de voorzieningenrechter


Spoedeisend belang



2.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Onverwijlde spoed wil zeggen dat er onomkeerbare gevolgen kunnen intreden waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.



2.2.
Verzoekster betoogt dat zij een spoedeisend belang heeft. De opschorting leidt tot acute liquiditeitsproblemen. Daardoor kunnen salarissen niet betaald worden, zullen stageplaatsen verloren gaan en zullen de activiteiten voor ongeveer 600 kinderen stilvallen. Daarnaast bestaat er een reëel risico op faillissement. De gevolgen zijn dus onomkeerbaar. De financiële reserve ter hoogte van € 273.401,- van eind 2024 is grotendeels verbruikt omdat verzoekster heeft moeten investeren, advieskosten ter hoogte van € 157.263,- moest betalen in verband met onderzoeken van het OM en de gemeente Amsterdam, juridische verplichtingen had en omdat er subsidies wegvielen. Daardoor blijft er maar € 50.000,- aan vrije liquiditeit over.

2.





2.3.
Het college trekt in twijfel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft. Eind 2024 beschikte verzoekster nog over een algemene reserve van € 273.401,-. Zonder nadere uitleg is niet te volgen dat de algemene reserve is afgenomen met € 220.000,-. Verzoekster heeft gesteld dat zij € 157.263,- heeft uitgegeven aan advieskosten, maar de noodzaak van het inschakelen van een advocaat is het college niet duidelijk en bovendien is het een exorbitant bedrag. Het college wijst er ook op dat op de balans staat dat de [verzoekster] beschikt over liquide middelen ter waarde van € 501.627,-. In de toelichting op de balans staat dat de liquide middelen ter vrije beschikking van verzoekster staan.



2.4.
De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat de opschorting van de subsidie op de datum van deze uitspraak ongeveer 10 weken duurt. Wanneer de opschortingstermijn van 13 weken afloopt, zal het college een definitief besluit moeten nemen met betrekking tot de subsidie. Het college heeft tijdens de zitting kenbaar gemaakt dat dan nog geen definitief besluit wordt verwacht. In beginsel zal het college de subsidie dan weer moeten betalen.



2.5.
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat het door verzoekster gestelde belang bij een voorlopige voorziening een financieel belang betreft. Een financieel belang is op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dat is alleen anders als verzoekster in een financiële noodsituatie komt te verkeren of wanneer haar continuïteit wordt bedreigd.



2.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat er onomkeerbare gevolgen zullen intreden, zoals een faillissement, als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen. De door verzoekster overgelegde balans is niet onderbouwd met bewijsstukken, zoals facturen en bankafsschriften. Zij heeft daarmee onvoldoende inzicht gegeven in haar vermogenspositie. Verzoekster heeft ook geen duidelijkheid gegeven over de liquide middelen van € 501.627,- die volgens de toelichting op de balans ter vrije beschikking van verzoekster staan. Zonder onderbouwing van het tegendeel gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat die middelen beschikbaar zijn.



2.7.
Nu verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat zij in een financiële noodsituatie komt te verkeren of dat er anderszins onomkeerbare gevolgen zullen intreden als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, betekent dit dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Reeds hierom wordt het verzoek afgewezen.


De rechtmatigheid van het bestreden besluit


3. Hoewel het verzoek al zal worden afgewezen omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding ook een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven. Dit oordeel bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.

4. Verzoekster betoogt – samengevat – dat de opschorting prematuur is en dat het college eerst een diepgravender onderzoek had moeten doen. De omstandigheden waar het college nu op wijst, zijn te vaag om een ernstig vermoeden aan te kunnen nemen dat intrekking of wijziging van een subsidieverlening rechtvaardigt. Bovendien is er geen verplichting om spontaan te melden dat sprake is van een onderzoek. Verzoekster heeft zich wel altijd bereid getoond om mee te werken aan een onderzoek. Verzoekster wijst er ook op dat in 2025 een uitgebreide controle heeft plaatsgevonden, waaraan zij volledige medewerking heeft verleend. Wat betreft de verwijzingen van het college naar uitlatingen van oud-medewerkers, is volgens verzoekster de juistheid hiervan zonder nadere stukken niet te verifiëren.



4.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de Memorie van Toelichting op de bevoegdheid tot opschorting blijkt dat deze bevoegdheid juist is gecreëerd om, vooruitlopend op een beslissing over het eventuele intrekken of wijzigen van een subsidie, betalingen stop te kunnen zetten. De termijn van opschorting stelt het college in staat om zorgvuldig onderzoek te doen. De omstandigheden die aanleiding zijn voor dit onderzoek zijn genoemd in overweging 1.1.



4.2.
Verzoekster is weliswaar niet het onderwerp van het strafrechtelijk onderzoek, maar zij maakt wel deel uit van het onderzoek en de resultaten van het onderzoek kunnen ook consequenties hebben voor verzoekster. Het ernstige vermoeden wordt nog nader versterkt, omdat verzoekster het college niet uit eigen beweging over het onderzoek informeerde, er onduidelijkheden rondom de gelieerde bv’s zijn en door de informatie uit de gesprekken met oud-medewerkers. Deze signalen hoefden in dit stadium nog niet verder onderzocht of concreter gemaakt te zijn richting verzoekster, omdat de opschorting juist bedoeld is om hiernaar onderzoek te doen. Naar verwachting van de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom in de beslissing op het bezwaar stand houden.




Conclusie

5. Omdat er geen spoedeisend belang is, wordt het verzoek afgewezen.

6. Er is geen reden voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.



Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.








griffier


voorzieningenrechter






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:


Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Op grond van artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Op grond van artikel 4:48 en artikel 4:49 van de Awb.


Kamerstukken 23700, nr. 3, p. 84.
Link naar deze uitspraak