Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:6111 
 
Datum uitspraak:27-01-2026
Datum gepubliceerd:24-06-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:11844646 EA VERZ 25-954
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, maar voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst wordt werknemer op staande voet ontslagen. Geoordeeld wordt dat werknemer terecht op staande voet is ontslagen. Werknemer vordert nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Vordering afgewezen. Werknemer kan aan die overeenkomst geen aanspraken (meer) ontlenen. De vaststellingsovereenkomst voorziet immers in de specifieke situatie van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
forfaitair
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
AMSTERDAM


Civiel recht
Kantonrechter

Zaaknummer / rekestnummer: 11844646 \ EA VERZ 25-954


Beschikking van 27 januari 2026


in de zaak van



[eiser] ,
wonende te [woonplaats],
verzoeker, verweerder in het tegenverzoek
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. F.A.M. ten Broeke,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CBRE GWS I.F.M. B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster, verzoekster in het tegenverzoek,
hierna te noemen: CBRE,
gemachtigden: mr. M.C.T. Burgers en mr. L.D.N. Mordaunt.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties van 19 augustus 2025,
- het verweerschrift met producties en een (voorwaardelijk) tegenverzoek van 7 november 2025,
- de nadere producties 16 tot en met 19 van [eiser],
- de nagezonden productie 12 van CBRE,
- de mondelinge behandeling van 17 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Op 17 november 2025 is de mondelinge behandeling gehouden. [eiser] is verschenen en werd bijgestaan door mr. Ten Broeke. Namens CBRE zijn verschenen [naam 1], People Director NL, [naam 2], operationeel directeur, en [naam 3], managing director, bijgestaan door mr. Burgers en mr. Mordaunt. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten nader toegelicht, [eiser] mede aan de hand van spreekaantekeningen. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.








2De feiten


2.1.
CBRE is een beursgenoteerd bedrijf dat facilitaire managementdiensten en daarmee verband houdende diensten verleent. CBRE heeft beleid over hoe werknemers moeten omgaan met (het opslaan van) vertrouwelijke bedrijfsinformatie en -documenten. Jaarlijks wordt dit beleid toegelicht en interactief getoetst met verplichte training en toetsing.



2.2.

[eiser] is op 1 oktober 2011 in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger) van CBRE. Hij was laatstelijk werkzaam als [functie] en zijn laatstverdiende salaris bedroeg € 8.556,41 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.



2.3.
In een online bijeenkomst op 7 mei 2025 heeft CBRE aan [eiser] en het team waarvan hij onderdeel uitmaakte meegedeeld dat zij boventallig zijn verklaard. Direct na deze bijeenkomst zijn [eiser] en zijn collega’s op non-actief gesteld. Ook werd [eiser] afgesloten van alle systemen van CBRE. Die dag is aan [eiser] een vaststellingsovereenkomst voorgelegd.



2.4.

[eiser] had op 15 mei 2025 een afspraak met [naam 4] (hierna: [naam 4]), Senior People Business Manager, in de bedrijfskantine van CBRE om privé bestanden van zijn werklaptop te halen. De laptop van [eiser] is door de IT-afdeling op afstand ontgrendeld en die dag zijn bestanden van de laptop van [eiser] overgezet op zijn persoonlijke Google Drive.



2.5.

[eiser] en CBRE hebben op 30 mei 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin zij zijn overeengekomen dat het dienstverband met wederzijds goedvinden eindigt per 1 oktober 2025. In de vaststellingsovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

In aanmerking nemende dat:


(…)


Werkgever wenst vanwege bedrijfseconomische redenen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. De functie van Werknemer is komen te vervallen en er is geen passende functie voorhanden, noch in de nabije toekomst, die recht doet aan de vaardigheden en ervaring van Werknemer. Werknemer treft ter zake van die ontstane situatie geen verwijt. Er is geen sprake van omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW opleveren. (…)



Partijen beogen met deze overeenkomst een vaststellingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:900 BW te sluiten;


(…)


Werkgever en Werknemer hebben overeenstemming bereikt over een minnelijke beëindigingsregeling, en daarom bereid zijn, voor zover nodig in afwijking van de tussen hen bestaande rechtsverhouding, hun rechtsverhouding, als volgt vast te stellen en hun afspraken te willen vastleggen;



verklaren overeengekomen te zijn als volgt:



(…)


2. Tot
1 oktober 2025
blijft Werknemer in dienst van CBRE (…) en ontvangt hij zijn salaris inclusief emolumenten.



3. Met ingang van
8 mei 2025
is Werknemer vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. De werknemer ontvangt tot de beëindigingsdatum zijn normale salaris inclusief emolumenten (…). Uw openstaande vakantiedagen worden als opgenomen beschouwd en derhalve niet uitbetaald.



4. Werknemer ontvang in de maand
oktober 2025
een eindafrekening (vakantiegeld, transitievergoeding en tekenbonus)



5. Werkgever zal Werknemer in het kader van de beëindiging van het dienstverband €
76.742,64 bruto
aan beëindigingsvergoeding betalen. Deze vergoeding zal in de maand
oktober 2025
worden uitgekeerd. (…).



6. Indien de onderhavige overeenkomst tot stand komt
vóór 31 mei 2025
ontvangt de werknemer een
Tekenbonus
ter grootte van een half bruto maandsalaris, te weten een bedrag van
€ 4.278,21
bruto. Afgezien daarvan heeft de Werknemer geen recht op uitbetaling van enige bonus.


(…)


16. De Werkgever vergoedt de kosten van juridische bijstand van de Werknemer tot een maximumbedrag van EUR 3.000,- (exclusief BTW en inclusief alle andere kosten), (…).


17. De Werkgever vergoedt de kosten van een opleiding en coaching, gericht op het van werk-naar-werk helpen van de Werknemer, tot een maximumbedrag van EUR 7.500,- (exclusief BTW en inclusief alle andere kosten). (…)



18. Per de Beëindigingsdatum ontslaat de Werkgever de Werknemer van de verplichtingen uit hoofde van het concurrentiebeding en het relatiebeding.


(…).”



2.6.
Op 17 juli 2025 ontving [naam 1] (hierna: [naam 1]), People Director NL bij CBRE, een melding uit Amerika van het Global Cybersecurity Office over een potentieel groot dataverlies bij een collega van [eiser]. CBRE is vervolgens een onderzoek gestart waaruit is gebleken dat ook data van de werklaptop van [eiser] is overgezet naar een privé account van [eiser].



2.7.
Op 25 juli 2025 heeft [eiser] met [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 2]), Senior Operations Manager NL bij CBRE, via een online videoverbinding een gesprek gehad. Tijdens dat gesprek is aan [eiser] meegedeeld dat het CBRE is gebleken dat [eiser] gegevens van zijn werklaptop zou hebben overgedragen naar een externe opslaglocatie. [eiser] heeft dat gesprek met toestemming van CBRE opgenomen. In een transcript van dat gesprek staat, voor zover van belang, het volgende (in het transcript staan de voornamen vermeld, hieronder zullen echter de achternamen worden vermeld):

“(…)


[naam 1]:
(…) Wij hebben een bestand ontvangen vanuit ICT waarin een behoorlijk aantal files van ons netwerk verplaatst zijn naar een locatie buiten het netwerk om van CBRE. (…)




[naam 1]:
Wij zien 6 mei. Wij zien data transfer na 6 mei, significant aantal, duizendzeshonderd bestanden die zijn business gerelateerd, zijn procedures, klantbestanden, klanteninformatie die op 15 mei en 19 mei getransporteerd zijn naar een Google Drive. Dus buiten de bescherming van CBRE om. Kun je daar wat toelichting op geven?




[eiser]:
Ik ben, ik weet niet uit mijn hoofd natuurlijk wanneer dat was. Ik heb toen met [[naam 4], ktr] gevraagd om op mijn laptop te kunnen om privé bestanden veilig te stellen waarvan ik wist dat er een aantal daar waren. (…) Dus ik ben op enig moment, maar ik weet even niet wanneer. Ben ik op de Core geweest en toen heeft [[naam 4], ktr] mijn laptop, zeg maar, noem het maar opengemaakt en onder toezicht van hem heb ik mijn privé bestanden gekopieerd. Naar een Google Drive. (…)



[naam 2]:
Oké, maar waarom zien wij dan bestanden als een CERN? Manuals, projecten klanten, NEN 2767 klantendata? Dat is echt serieuze business data die op 15 mei en 19 mei op twee data getransfereerd zijn van ons netwerk naar een Google Drive naar jouw privé.




[eiser]:
Ja, dat is heel gek (…), Want ten eerste ik ben maar één keer op kantoor geweest. En nogmaals, ik weet de datum niet uit mijn hoofd. En [[naam 4], ktr] heeft dit voor mij gedaan. Dus ik stond onder toezicht ook van hem en hij heeft een mapje waar volgens mij privé ook opstaat. Ik ben helemaal niet op het netwerk geweest, die laptop was alleen maar toegankelijk. Zeg maar de harde schijf en niet het CBRE netwerk of e-mail. Ik ben nergens meer in geweest.



[naam 2]:
Maar even los van het feit dat dat wel of niet [[naam 4], ktr] nou zeg maar dat gedaan heeft. Er staan van jouw harde schijf nu niet onder beheer data die eigendom is van CBRE op jouw schijf, op jouw Google Drive. Wat doe je met die data dan?



[eiser]:
Ja, dat weet ik dus niet of dat zo is. Ik zeg ik heb het aan [[naam 4], ktr] gevraagd, die heeft het voor mij gedaan en ik heb er ook in de tussentijd ook helemaal niks meer mee gedaan. Want dat staat er gewoon te staan. Maar ja, het zijn privé bestanden.”



2.8.
Bij e-mail/brief van 25 juli 2025 heeft CBRE [eiser] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

Uit het verrichte onderzoek op basis van de activiteiten vanaf uw zakelijk account en e-mailadres (…), is komen vast te staan dat u zich schuldig heeft gemaakt/maakt aan het zonder medeweten of voorafgaande toestemming van CBRE verplaatsen dan wel kopiëren van vertrouwelijke, zakelijke en zeer gevoelige commerciële bedrijfsinformatie van CBRE naar externe opslaglocaties.



(…) Hieruit bleek dat er vanaf uw persoonlijke zakelijke CBRE GWS account op verschillende datums grootschalige bestandsoverdrachten hebben plaatsgevonden. Het Data Protection Center van de Global Cybersecurity Office heeft een detail rapport gedeeld, waarin informatie is vrijgegeven over de betrokken e-mails, bijlagen, bestanden, bronlocaties en tenaamstellingen, die u heeft verplaatst/verstuurd dan wel gekopieerd naar uw persoonlijke externe opslaglocaties. In de laatste 90 dagen betreft dit ruim 1.689 bestanden welke zijn ge-upload naar uw persoonlijke externe opslaglocaties. Daarbij zijn er aanvullend door u 5 e-mails met bijlagen verstuurd naar het e-mailadres dat u zelf hebt opgegeven als uw persoonlijke mailadres.



Aan de hand van de bronlocaties en tenaamstellingen van de documenten kan worden vastgesteld dat het in overgrote meerderheid – ruim 70% – gaat om vertrouwelijke, zakelijke documenten. De bedrijfsinformatie gaat terug naar 2012 en is eigendom van CBRE. Het gaat om gevoelige klantgegevens, commerciële gegevens met betrekking tot verschillende opdrachtgevers zoals [de namen van 10 opdrachtgevers, ktr] en andere. De informatie/bestanden betreft volgens de tenaamstellingen onder andere prijsberekeningen, inventarisatie van assets en prijsafspraken. Deze informatie werd onder strikte vertrouwelijkheid aan u ter beschikking gesteld in het kade van uw werkzaamheden of hiertoe had u slechts toegang in het kader van uw werkzaamheden. Daarnaast betreft het verplaatste/gekopieerde materiaal ook CBRE’s interne standaardmodellen, handboeken werkprocessen en richtlijnen, hetgeen intellectueel eigendom is van CBRE.


(…) De voorgaande feiten en omstandigheden leveren voor CBRE elk afzonderlijk, maar zeker ook in onderlinge samenhang bezien, de dringende reden op in de zin van artikel 7:678 BW om u per direct op staande voet te ontslaan. Van CBRE kan niet langer gevergd worden het dienstverband met u nog langer voort te laten bestaan. Bij deze beslissing hebben wij uw persoonlijke omstandigheden meegewogen. Om deze reden wordt u per direct op staande voet ontslagen.


(…)”



2.9.
Bij brief van 30 juli 2025 van zijn gemachtigde heeft [eiser] geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet. Bij brief van 4 augustus 2025 van haar gemachtigde heeft CBRE aan [eiser] bericht dat zij vasthoudt aan het gegeven ontslag op staande voet. Als bijlage bij die brief zat een Excel-bestand met daarin een overzicht van de bestanden die vanaf de werklaptop van [eiser] zijn verplaatst naar een externe opslaglocatie.



2.10.
In een e-mail van 16 september 2025 heeft [naam 4] geschreven, samengevat, dat hij op 15 mei 2025 geen bijdrage heeft geleverd aan het overzetten van bestanden en de laptop van [eiser] na de afspraak op die dag niet opnieuw is vergrendeld, althans pas op 17 juli 2025.



2.11.
Bij brief van 6 november 2025 heeft CBRE aan [eiser] geschreven dat hij vanwege het ontslag op staande voet geen recht meer heeft op de overeengekomen vergoedingen op grond de vaststellingsovereenkomst en dat, voor zover dat standpunt niet juist is, CBRE de vaststellingsovereenkomst partieel vernietigd ten aanzien van artikelen 3 tot en met 6 en 16 tot en met 18 op grond van dwaling.






3Het verzoek en het tegenverzoek


Het verzoek van [eiser]



3.1.
verzoekt:
1. het ontslag op staande voet te vernietigen;
2. ongeacht of het ontslag op staande voet wordt vernietigd, te verklaren voor recht dat de vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en CBRE in stand is gebleven en CBRE te veroordelen tot nakoming daarvan;
3. CBRE te verplichten tot betaling van het salaris inclusief emolumenten vanaf 25 juli 2025 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal eindigen;
4. CBRE te veroordelen in de werkelijke advocaatkosten van € 13.068,- inclusief btw;
5. CBRE te veroordelen in de proceskosten.



3.2.

[eiser] stelt daartoe, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende. Hij had op 15 mei 2025 een afspraak met [naam 4] in de bedrijfskantine van CBRE om privébestanden van zijn werklaptop te halen. De laptop is toen door IT op afstand ontgrendeld en [eiser] kon alleen bij de bestanden op de harde schijf, waarop hoofdzakelijk (99%) oude documenten staan. Het e-mailaccount en de server waar alle CBRE Sharepoints en recente documenten van de laatste vijf jaar staan waren niet toegankelijk. [eiser] heeft de mappen op de harde schijf aan [naam 4] laten zien en deze geopend. De eerste twee mappen hebben zij samen doorgelopen en na uitdrukkelijke toestemming en onder toezicht van [naam 4] heeft [eiser] die mappen naar zijn Google Drive gesleept. Toen [eiser] tegen [naam 4] zei dat er nog meer mappen bekeken moesten worden, heeft [naam 4] de laptop gepakt en zelf mappen versleept naar de Google Drive van [eiser]. [eiser] heeft niet bewust of opzettelijk zakelijke bestanden op zijn Google Drive gezet. Van overdracht van zakelijke bestanden op 19 mei 2025 kan geen sprake zijn. Na de afspraak op 15 mei 2025 heeft [eiser] niet meer ingelogd op de laptop. Hij ging ervan uit dat de laptop weer zou worden vergrendeld, zoals ook op 7 mei 2025 was gebeurd.



3.3.
CBRE is niet op 17 juli 2025 gestart met haar onderzoek. Het Excel-bestand dat CBRE in het geding heeft gebracht is namelijk al op 20 mei 2025 aangemaakt. CBRE heeft [eiser] niet onverwijld ontslagen en de ontslagbrief is onduidelijk. Voor [eiser] is nog steeds niet duidelijk welke vermeende gedragingen door CBRE aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Ontslaggronden mogen niet worden aangevuld. De brief van 4 augustus 2025 van de advocaat van CBRE mag dan ook niet worden gebruikt bij de beoordeling van het ontslag.



3.4.
Het ontslag is disproportioneel. [eiser] was op non-actief gesteld en de einddatum van de arbeidsovereenkomst was in zicht. [eiser] verliest daardoor – volgens CBRE – de overeengekomen financiële afwikkeling van het dienstverband. [eiser] is kostwinner en zijn vrouw is al jaren ernstig ziek. Door het ontslag komt [eiser] niet in aanmerking voor de startersregeling van het UWV, wat neerkomt op een bedrag van minstens drie maandsalarissen.



3.5.
Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst van 30 mei 2025 uitdrukkelijk overeengekomen dat geen sprake was van omstandigheden die een dringende reden opleveren. Door dit expliciet in die overeenkomst vast te leggen en overeen te komen, zonder enig voorbehoud, dient als vaststaand te worden aangenomen dat er dus geen dringende reden was. CBRE kan daar niet later op terug komen, zeker niet nu het Excelbestand al dateert van 20 mei 2025. De betaling van de vergoeding is niet gekoppeld aan de reden van de beëindiging van het dienstverband of de wijze waarop dat gebeurt. Hoe en waarom de arbeidsovereenkomst eindigt, is dus niet van belang voor de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Ook als het ontslag op staande voet standhoudt, dient CBRE de vaststellingsovereenkomst na te komen, aldus steeds [eiser].



3.6.
CBRE heeft, voor zover voor de beoordeling van belang, als volgt verweer gevoerd. [eiser] heeft zeer gevoelige, commerciële bedrijfsinformatie buiten de organisatie van CBRE gebracht. Het gaat onder meer om offertes, audit rapportages, klantenlijsten, inspectielijsten, prijslijsten, due diligence-documenten, servicelevel agreements. In totaal gaat het om 2.321 bestanden. Op 15 mei 2025 zijn 413 bestanden met klantdata, 639 bestanden over interne procedures van CBRE, 146 bestanden over NEN-normen voor zakelijk CBRE gebruik en 233 bestanden waarvan CBRE niet aan de hand van bestandsnamen kan verifiëren wat de inhoud of aard ervan is, verplaatst naar de Google Drive van [eiser]. [eiser] heeft op 15 mei 2025 de bestanden van zijn laptop zelf verplaatst naar zijn Google Drive. [naam 4] heeft hierin geen aandeel gehad.
Op 19 mei 2025 heeft [eiser] 23 bestanden met zakelijke en vertrouwelijke data verplaatst naar zijn Google Drive.



3.7.
Door bedrijfsinformatie buiten de beveiligde omgeving van CBRE te brengen is het kwaad reeds geschied. CBRE heeft geen enkel zicht en controle meer op die gegevens.



3.8.
CBRE heeft [eiser] onverwijld ontslagen en de reden onverwijld aan hem meegedeeld. Dat CBRE op 20 mei 2025 al bekend was met de dringende reden is onjuist. Het basisdocument werd eerder opgesteld door [naam 5] . Hij is geen onderdeel van de Global Cybersecurity Office. Hij heeft ook niets te maken met het onderzoek dat is verricht door CBRE in Nederland. Een Excelbestand dat ooit eerder door [naam 5] is opgesteld, is slechts als basisdocument gebruikt om het detailrapport op te stellen. Wat daarin staat weet CBRE ook niet. De Global Cybersecurity Office in Amerika kan alleen vaststellen dat er een potentieel dataverlies is. Slecht CBRE in Nederland kan beoordelen om wat voor activiteiten of bestanden het gaat. CBRE moest het rapport met in totaal 2.321 regels (per bestand een regel) regel voor regel doornemen om te kunnen vaststellen of het om zakelijke data ging. [eiser] is vervolgens op 24 juli 2025 uitgenodigd om de volgende dag een toelichting te geven. Na dat gesprek heeft CBRE hem ontslagen. Bij die beslissing heeft CBRE de persoonlijke omstandigheden van [eiser] meegewogen.



3.9.

[eiser] kan aan de vaststellingsovereenkomst geen aanspraken meer ontlenen, omdat die niet geldt voor het geval waarin na de totstandkoming van de overeenkomst de arbeidsovereenkomst vervolgens is geëindigd op grond van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De vaststellingsovereenkomst heeft geen betekenis meer, omdat het dienstverband niet met wederzijds goedvinden is geëindigd, aldus steeds CBRE.


Het (voorwaardelijk) tegenverzoek van CBRE




3.10.
CBRE verzoekt (voorwaardelijk), samengevat:
1. Primair een verklaring voor recht dat CBRE door de buitengerechtelijke partiële vernietiging op grond van dwaling geen (betalings)verplichtingen heeft op grond van de vaststellingsovereenkomst jegens [eiser];
2. subsidiair een verklaring voor recht dat CBRE door gerechtelijke partiële vernietiging op grond van dwaling geen (betalings)verplichtingen heeft op grond van de vaststellingsovereenkomst jegens [eiser];
3. meer subsidiair de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 6:230 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) te wijzigen in die zin dat de (betalings)verplichtingen van CBRE jegens [eiser] nihil zijn;
4. een verklaring voor recht te geven dat [eiser] wegens wanprestatie schadeplichtig is jegens CBRE en hij haar schade van € 223.425,52 vermeerderd met wettelijke rente dient te vergoeden;
5. [eiser] te veroordelen en/of te gebieden om CBRE’s laptop binnen vijf dagen na dagtekening van deze beschikking schoon en onbeschadigd te retourneren aan CBRE, op straffe van een dwangsom;
6. [eiser] te veroordelen en/of te gebieden om de zakelijke/vertrouwelijke data van CBRE binnen vijf dagen na dagtekening van deze beschikking te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom;
7. [eiser] te veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.



3.11.
Op de stellingen van partijen in het kader van het tegenverzoek wordt, indien nodig, ingegaan in de beoordeling.






4De beoordeling van het verzoek en het (voorwaardelijk) tegenverzoek


Is het ontslag op staande voet rechtsgeldig?



4.1.
Eerst zal worden beoordeeld of CBRE [eiser] terecht op staande voet heeft ontslagen.



4.2.
Op grond van artikel 7:677 Burgerlijk Wetboek (BW) is de werkgever bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de werknemer.



4.3.
Voor het antwoord op de vraag of onverwijld is opgezegd, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden, die aan het ontslag op staande voet ten grondslag wordt gelegd, ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Een na dit tijdstip ‘dralen’ met het geven van ontslag op staande voet is in het algemeen onverenigbaar met de voor het ontslag op staande voet vereiste dringendheid van de aangevoerde reden voor het ontslag. Als bij een werkgever een vermoeden is gerezen dat zich een dringende reden voor een ontslag op staande voet voordoet en hij zich, alvorens tot dat ontslag over te gaan, van de juistheid van dat vermoeden wil vergewissen, dan is de daarbij van de werkgever te vergen mate van voortvarendheid bij dat onderzoek afhankelijk van de omstandigheden van het geval (Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1668).



4.4.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet kan dragen, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daaronder vallen in de eerste plaats de aard en de ernst van wat de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.



4.5.
De door de werkgever medegedeelde dringende reden ‘fixeert’ de ontslagreden en bepaalt daarmee ook de bewijslast van de werkgever ten aanzien van het ontslag op staande voet. Dit betekent dat de werkgever niet nadien nog andere redenen aan het ontslag op staande voet ten grondslag kan leggen. Wel kan de werkgever ná het gegeven ontslag op staande voet (nader) bewijs aanvoeren van de aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden.



4.6.
Wat er ook zij van de discussie over de aanmaakdatum van het Excelbestand, vast staat dat [naam 1] (degene die bevoegd was het ontslag te verlenen) op 17 juli 2025 bericht uit Amerika heeft gekregen van een potentieel groot dataverlies bij een collega van [eiser]. CBRE is vervolgens een onderzoek gestart, waaruit is gebleken dat ook vanaf de werklaptop van [eiser] data was overgezet naar een externe opslaglocatie. CBRE heeft toegelicht dat het in totaal om meer dan 2000 bestanden zou gaan die zij in het Excelbestand regel voor regel moest doornemen. Het vergt enige tijd om een dergelijk bestand te doorgronden. CBRE heeft [eiser] een week later - op 24 juli 2025 - uitgenodigd voor een gesprek op 25 juli 2025. Na dat gesprek heeft CBRE [eiser] ontslagen. Geoordeeld wordt dat CBRE voortvarend heeft gehandeld en het ontslag onverwijld is gegeven.



4.7.
Op basis van de ontslagbrief moet het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk zijn welke eigenschappen of gedragingen de werkgever aanleiding hebben gegeven tot het ontslag op staande voet. Het gaat erom dat bij de werknemer daarover in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan. Geoordeeld wordt dat de ontslagbrief aan deze voorwaarde voldoet. In de ontslagbrief van 25 juli 2025 staat duidelijk beschreven dat, kort gezegd, [eiser] zakelijke bestanden had verplaatst naar een externe opslaglocatie (zijn Google Drive). Weliswaar wordt in de ontslagbrief niet vermeld op welke data de bestandsoverdrachten hebben plaatsgevonden, maar omdat in het het gesprek van eerder die dag de overdrachten op 15 mei en 19 mei 2025 uitdrukkelijk zijn genoemd en besproken, kon er bij [eiser] in redelijkheid geen enkele twijfel over bestaan dat in ieder geval de bestandsoverdrachten op die dagen aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd.



4.8.
Een van de gronden die CBRE afzonderlijk aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd is dus de dataoverdracht op 15 mei 2025. [eiser] had die dag een afspraak gemaakt met [naam 4] in de bedrijfskantine van CBRE om privébestanden van zijn werklaptop te halen. Omdat het om privébestanden zou gaan, is het niet geloofwaardig dat ook [naam 4] bestanden heeft verplaatst naar de Google Drive van [eiser]. Zeker niet op de wijze zoals [eiser] hierover heeft verklaard; namelijk dat [naam 4] de laptop naar zich toe heeft gehaald en mappen heeft versleept naar de Google Drive. [naam 4] heeft ook schriftelijk verklaard dat hij geen bijdrage heeft geleverd aan het overzetten van bestanden. Maar ook in het onwaarschijnlijke geval dat [naam 4] dat wel heeft gedaan, gaat het hier om een laptop die in gebruik was bij [eiser], zodat hij wist waar welke bestanden stonden opgeslagen. Het was de verantwoordelijkheid van [eiser] om ervoor zorg te dragen dat alleen privébestanden naar zijn Google Drive werden verplaatst.



4.9.

[eiser] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat op 15 mei 2025 meer dan 1000 bestanden zijn verplaatst naar zijn Google Drive. Ook heeft [eiser] niet, althans onvoldoend gemotiveerd, betwist dat het hoofdzakelijk om zakelijke bestanden en bedrijfsgevoelige informatie gaat.



4.10.

[eiser] had moeten begrijpen dat hij de bestanden zonder instemming van CBRE niet mocht onttrekken aan de beveiligde bedrijfsomgeving van CBRE. Aan hem kan op dit punt een ernstig verwijt worden gemaakt, te meer omdat [eiser] bekend was met het beleid van CBRE over hoe moest worden omgegaan met het opslaan van vertrouwelijke bedrijfsinformatie en -documenten en hij jaarlijks daarover werd getoetst.


4.11.
Door op 15 mei 2025 een grote hoeveelheid zakelijke bestanden over te zetten op zijn Google Drive heeft [eiser] het vertrouwen van CBRE zodanig ernstig geschaad dat van CBRE redelijkerwijze niet kon werden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Zoals CBRE terecht heeft aangevoerd, heeft zij geen zicht en controle meer op de gegevens en valt voor haar niet te controleren wat daarmee is gebeurd en of deze met derden zijn gedeeld. Dat [eiser] reeds was vrijgesteld van werkzaamheden en de arbeidsovereenkomst op korte termijn zou eindigen, doet aan de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet niet af. Gelet op de ernst van de gedragingen brengen de door [eiser] aangevoerde persoonlijke omstandigheden van [eiser] niet met zich dat CBRE hem niet op staande voet mocht ontslaan.



4.12.
Nu de dataoverdracht op 15 mei 2025 bewezen worden geacht en deze gedraging reeds voldoende is om het ontslag op staande voet te dragen, behoeven de overige aan het ontslag ten grondslag gelegde verwijten verder geen bespreking.



4.13.
Bovenstaande betekent dat het verzoek van [eiser] om het ontslag op staande voet te vernietigen zal worden afgewezen en daarmee ook zijn verzoek tot betaling van salaris vanaf 25 juli 2025.


Welke gevolgen heeft het ontslag op staande voet voor de vaststellingsovereenkomst?




4.14.
Los van de vraag of de vaststellingsovereenkomst nog geldig is of buitengerechtelijk is vernietigd, kan [eiser] aan die overeenkomst geen aanspraken (meer) ontlenen. De vaststellingsovereenkomst voorziet immers in de specifieke situatie van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. De overeengekomen vergoedingen zijn op dezelfde wijze ingekaderd, namelijk in de situatie van de beëindiging met wederzijds goedvinden. [eiser] kan dan ook geen aanspraak maken op deze vergoedingen, omdat de bepalingen waarin de vergoedingen zijn opgenomen niet gelden voor het geval waarin de arbeidsovereenkomst (vervolgens) is geëindigd door een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Ook aan de overige bepalingen, zoals het ontslag van [eiser] van de verplichtingen uit hoofde van het concurrentie- en relatiebeding komt door het rechtsgeldige ontslag geen betekenis meer toe. Het voorgaande betekent dat het verzoek van [eiser] om CBRE te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst zal worden afgewezen.


Advocaat- en proceskosten




4.15.
Gelet op hetgeen hierboven is geoordeeld, zal het verzoek van [eiser] tot vergoeding van de werkelijke advocaatkosten worden afgewezen.



4.16.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van CBRE worden begroot op € 882,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 68,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.


Partiële vernietiging dan wel wijzigen vaststellingsovereenkomst




4.17.
Omdat is geoordeeld dat [eiser] geen aanspraken meer kan ontlenen aan de vaststellingsovereenkomst worden het primaire en (meer) subsidiaire verzoek van CBRE bij gebrek aan belang afgewezen.


Schadevergoeding




4.18.
Het verzoek van CBRE een verklaring voor recht te geven dat [eiser] schadeplichtig heeft gehandeld jegens CBRE en wegens wanprestatie gehouden is tot vergoeding van schade voor een bedrag groot € 223.425,52 zal worden afgewezen. CBRE heeft dat verzoek onvoldoende onderbouwd en toegelicht. Daarvoor is het volgende redengevend.



4.19.
Zo heeft CBRE onder meer een bedrag van € 89.413,89 aan interne onderzoekskosten opgevoerd. De kosten zijn berekend op basis van het aantal uren dat de betrokken werknemers van CBRE aan onderzoek en werkzaamheden hebben besteed. Terecht heeft [eiser] aangevoerd dat de urenaantallen niet reëel en onderbouwd zijn. Zo zou een medewerker 300 uren hebben besteed aan het onderzoek. Uitgaande van 8-urige werkdagen komt dit neer op 37,5 werkdagen, dit terwijl het onderzoek acht dagen in beslag heeft genomen.



4.20.
Verder heeft CBRE een post van € 29.001,59 aan advocaatkosten opgevoerd. Kennelijk verzoekt CBRE vergoeding van de daadwerkelijke advocaatkosten. Deze kosten vallen onder de proceskosten, waarvoor een forfaitair liquidatietarief geldt. Alleen in bijzondere omstandigheden, in het geval van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure door een der partijen, is afwijking van deze regel mogelijk. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is geweest. Het enkele gegeven dat [eiser] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, is daarvoor onvoldoende. Ook heeft CBRE niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat de gestelde kosten andere kosten betreffen dan die zijn gemaakt met het oog op deze procedure.



4.21.
Ook heeft CBRE de overeengekomen vergoedingen zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst als schadepost opgevoerd. Zoals hiervoor is geoordeeld hoeft CBRE deze vergoedingen niet aan [eiser] te betalen, zodat zij in dat kader geen schade heeft geleden.



4.22.
Tot slot heeft CBRE een bedrag van € 11.284,19 bruto aan gefixeerde schadevergoeding opgevoerd. De vervaltermijn voor de gefixeerde schadevergoeding bedraagt twee maanden na de dag waarop het de arbeidsovereenkomst is geëindigd, in dit geval met het ontslag op staande voet op 25 juli 2025. Pas bij haar verweerschrift van 7 november 2025 en daarmee niet binnen de vervaltermijn heeft CBRE verzocht om betaling van de gefixeerde schadevergoeding.


Inleveren laptop




4.23.
Omdat de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet is geëindigd op 25 juli 2025 en [eiser] dus niet meer werkzaam is voor CBRE, is hij gehouden de werklaptop aan CBRE terug te geven. Dit verzoek zal daarom worden toegewezen. Aan [eiser] zal daarvoor een termijn van tien dagen worden gegeven. De verzochte dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

Verwijderen zakelijke bestanden




4.24.
Omdat het [eiser] niet is toegestaan zakelijke bestanden van CBRE onder zich te hebben, zal het verzoek van CBRE om [eiser] te veroordelen de zakelijke en vertrouwelijke data van CBRE waaronder de bestanden genoemd op de Excellijst te verwijderen en verwijderd te houden van zijn Google Drive, persoonlijke e-mailadres en andere persoonlijke externe opslaglocaties, worden toegewezen. Aan [eiser] zal daarvoor een termijn van tien dagen worden gegeven. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.


Proceskosten tegenverzoek




4.25.
Omdat partijen in het tegenverzoek over en weer in het ongelijk gesteld zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






5De beslissing

De kantonrechter

op het verzoek en het tegenverzoek


5.1.
veroordeelt [eiser] om de laptop van CBRE binnen tien dagen na het wijzen van deze beschikking schoon en onbeschadigd te retourneren aan CBRE, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum is bereikt van € 2.500,00,



5.2.
veroordeelt [eiser] om de zakelijke/vertrouwelijke data van CBER binnen 10 dagen na het wijzen van deze beschikking te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum is bereikt van € 10.000,00,



5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 882,00, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,



5.4.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
compenseert de proceskosten in het tegenverzoek, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Kraak, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.57170
Link naar deze uitspraak