Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:7452 
 
Datum uitspraak:20-07-2026
Datum gepubliceerd:27-07-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:12125374 EA VERZ 26-263
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Arbeidszaak, geen billijke vergoeding. Geen uitbetaling vakantiedagen na het tweede ziektejaar. Wel betaling aanvullende transitievergoeding, POB-budget en arbeidsvoorwaardenbedrag toegewezen.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 12125374 EA VERZ 26-263
beschikking van: 20 juli 2026
481




beschikking van de kantonrechter

I n z a k e




[verzoekster]

wonende te [woonplaats]
verzoekster
nader te noemen: [verzoekster]
gemachtigden: mr. W.M. Hes en mr. N.A. van den Bosch

t e g e n



de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V.
gevestigd te Amsterdam
verweerster
nader te noemen: ABN AMRO
gemachtigde: mr. L. 't Mannetje en mr. drs P.S. Zweekhorst



VERLOOP VAN DE PROCEDURE


[verzoekster] heeft bij verzoekschrift gedateerd 27 februari 2026 een verzoek gedaan om wegens de opzegging van de arbeidsovereenkomst door ABN AMRO ten laste van ABN AMRO een billijke vergoeding toe te kennen, nu er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van ABN AMRO. Daarnaast heeft [verzoekster] een verzoek gedaan om ABN AMRO te veroordelen een aanvullende transitievergoeding te betalen. Tot slot heeft [verzoekster] nevenverzoeken ingediend, die strekken tot betaling van een aantal looncomponenten.

ABN AMRO heeft een verweerschrift ingediend.

Op 29 juni 2026 is de zaak mondeling behandeld. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Hes namens de gemachtigden. ABN AMRO is verschenen bij mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2], bijgestaan door mr. L.’t Mannetje namens de gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoekster] nog stukken ingediend.
Beschikking is bepaald op vandaag.




Feiten
1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.

1.1.

[verzoekster], geboren op [geboortedag] 1977, is op 19 september 2016 in dienst getreden bij ABN AMRO. De laatste functie die [verzoekster] vervulde, was die van [functie], met een salaris van € 9.566,40 bruto per maand inclusief vakantietoeslag.


1.2.
Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de arbeidsvoorwaarden CAO ABN AMRO.


1.3.
Per 21 november 2016 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld; er was daarna sprake van een kort herstel, waarna [verzoekster] weer uitviel per december 2016. Zij heeft toen tot mei 2017 niet gewerkt.


1.4.
Met ingang van mei 2017 is [verzoekster] gere-integreerd tot 50 %, Dit gold tot september 2017. Per oktober 2017 is zij weer volledig uitgevallen.


1.5.
Bij beslissing van 10 april 2018 heeft het UWV de re-integratie inspanningen van ABN AMRO als voldoende beoordeeld. Zij oordeelde dat er terecht nog geen 2e spoor was ingezet.


1.6.

[verzoekster] heeft op 26 september 2018 een WIA-aanvraag gedaan.


1.7.
Bij beslissing van 11 december 2018 heeft het UWV die aanvraag uitgesteld en aan ABN AMRO een loonsanctie opgelegd tot 13 december 2019 wegens het door ABN AMRO niet voldoen aan haar re-integratieverplichtingen.


1.8.
Bij beslissing van 5 december 2019 heeft het UWV de WIA-aanvraag van [verzoekster] afgewezen, omdat zij [verzoekster] volledig arbeidsgeschikt achtte voor haar eigen werk.


1.9.
Bij beslissing op bezwaar van 20 oktober 2020 heeft het UWV de WIA-aanvraag van [verzoekster] alsnog toegewezen. [verzoekster] werd geschikt geacht voor haar eigen werk, met een urenbeperking tot 4 uur per dag, 20 uur per week. Voor de overige 17,93 uur per week werd zij arbeidsongeschikt geacht. Overwogen werd dat de verzekeringsarts had geoordeeld dat wegens de chronische ziekte waaraan [verzoekster] lijdt, er sprake was van een energetische beperking waardoor [verzoekster] slechts voor 20 uur per week belastbaar was. In de beslissing van het UWV staat over hetgeen [verzoekster] in haar bezwaar heeft aangevoerd: “Er is wat u betreft tijdens de re-integratie geen sprake geweest van arbeidsgerelateerde stressoren.”


1.10.

[verzoekster] ontving met ingang van 15 december 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering ter hoogt van € 1.337,44 per maand, exclusief vakantiegeld.


1.11.
Na toekenning van deze uitkering is [verzoekster] bij ABN AMRO werkzaam gebleven in haar eigen werk voor de duur van 20 uur per week. Voor dat aantal uren was [verzoekster] derhalve arbeidsgeschikt en eindigde met het oog daarop per 15 december 2019 de eerste ziekteperiode. De arbeidsduur van 20 uur per week werd de nieuw bedongen arbeid.


1.12.
Op 28 juni 2023 is [verzoekster] opnieuw uitgevallen, waarmee haar tweede ziekteperiode startte.


1.13.
In de periode van 26 februari 2024 tot 7 november 2024 zijn er in overleg re-integratiepogingen gedaan. De eerstejaarsevaluatie van 7 november 2024 vermeldt: ”We zoeken samen naar geschikte activiteiten en randvoorwaarden om inzetbaarheid te maximaliseren, in afwachting van start revalidatietraject en rekening houdend met wisselende omstandigheden” en met de opmerking van [verzoekster]: ”Ik kan mij daarin vinden”.


1.14.
Met ingang van 7 november 2024 heeft [verzoekster] zich opnieuw volledig ziek moeten melden. Vanaf deze datum had [verzoekster] geen benutbare arbeidsmogelijkheden meer tot einde wachttijd (25 juni 2025).


1.15.

[verzoekster] heeft op 25 februari 2025 een herbeoordeling gevraagd bij het UWV.


1.16.
Bij beslissing van 29 april 2025 heeft het UWV geoordeeld dat [verzoekster] met terugwerkende kracht tot 28 juni 2023 aanspraak had op een WGA-uitkering op basis van 80 – 100 % arbeidsongeschiktheid. Omdat [verzoekster] nog in dienst was bij ABN AMRO en loon ontving, had dit nog geen gevolgen voor de hoogte van de haar uitkering.


1.17.
Partijen hebben met elkaar overleg gevoerd over beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden. Zij hebben echter geen overeenstemming kunnen bereiken.


1.18.
Op 29 augustus 2025 heeft ABN AMRO het UWV om toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, de b-grond.


1.19.
Op 3 november 2025 heeft het UWV de verzochte toestemming verleend.


1.20.
Bij brief van 7 november 2025 heeft ABN AMRO de arbeidsovereenkomst opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid


1.21.
Door deze opzegging is de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 januari 2026 geëindigd.




Verzoeken en verweer
2. [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


Ten laste van ABN AMRO een billijke vergoeding toe te kennen aan [verzoekster] ter hoogte van € 50.000,- bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen billijke vergoeding;


ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van het resterende bedrag aan transitievergoeding ter hoogte van € 2.462,23 bruto;


ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van het resterende bedrag aan vakantie-uren ter hoogte van € 8.991,45 bruto;


ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van het Persoonlijk Ontwikkelbudget (POB-budget) ter hoogte van € 2.477,13 tot de in de regeling aangegeven vervaldata ter beschikking te stellen;


ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van het arbeidsvoorwaardenbedrag over de maand februari 2025 ter hoogte van € 200,-;


ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van het arbeidsvoorwaardenbedrag over de maand juni 2025 ter hoogte van € 304,-;


ABN AMRO te veroordelen in de kosten van de procedure alsmede de nakosten, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen;


ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de onder A tot en met G verzochte bedragen tot de dag van de gehele betaling van (elk van) die bedragen.


3. [verzoekster] heeft als eerste een verzoek gedaan om ten laste van ABN AMRO een billijke vergoeding toe te kennen van € 50.000,- bruto, op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [verzoekster] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat ABN AMRO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat daardoor het dienstverband is geëindigd.
4. In dat kader heeft [verzoekster] aangevoerd dat ABN AMRO een groot aantal ernstige verwijten kan worden gemaakt, zowel in de eerste ziekteperiode (van 21 november 2016 tot en met 15 september 2019) als in de tweede (van 28 juni 2023 tot en met 25 juni 2025).
5. Voor de verwijten aangaande de eerste ziekteperiode verwijst de kantonrechter naar de randnummers 3.5 tot en met 3.41.van het verzoekschrift.
6. Voor de verwijten betreffende de tweede ziekteperiode verwijst de kantonrechter naar de randnummers 3.42 tot en met 3.47 van het verzoekschrift.
7. Ter toelichting op de verwijten die [verzoekster] ABN AMRO ter zake de tweede ziekteperiode (28 juni 2023 tot en met 25 juni 2025) maakt, heeft [verzoekster], kort gezegd, het volgende aangevoerd:
a. [verzoekster] verwijt ABN AMRO dat haar verzoek om ondersteuning door de Uwvverzuimregisseur te vergoeden is afgewezen.

Voorts heeft ABN AMRO de externe training “ Pak regie over je leven met chronische klachten” niet willen vergoeden. Ook dit nalaten is ernstig verwijtbaar, gelet op de aard van de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster].


[verzoekster] verwijt ABN AMRO dat zij onvoldoende zorg heeft gedragen voor een prikkelarme werkplek, een sta-zit-bureau en een parkeerplek. Ook daarmee heeft ABN AMRO ernstig verwijtbaar gehandeld.

Ernstig verwijtbaar is ook dat ABN AMRO vergissingen heeft gemaakt in de (loon) administratie. ABN AMRO heeft die fouten grotendeels erkend. Ook als de vergissingen door ABN AMRO per ongeluk zijn gemaakt, doet dit er niet aan af dat deze fouten ernstig verwijtbaar zijn.

8. De ernstige fouten van ABN AMRO hebben wel degelijk tot gevolg gehad dat het dienstverband daardoor is geëindigd. Met andere woorden: er is wel degelijk causaal verband tussen de handelwijze/het nalaten van ABN AMRO en de beëindiging van het dienstverband. De eerste ziekteperiode heeft drie jaar geduurd en heeft een bepalende invloed gehad op het herstel van [verzoekster] en haar veerkracht en fysieke gesteldheid nadien. Zij is bovendien feitelijk nooit volledig hersteld en heeft in de tussenliggende periode tussen de perioden van arbeidsongeschiktheid (15 juni 2019 en 28 juni 23, een periode van 4 jaar ) slechts gedeeltelijk (20 uur per week) kunnen werken. De wijze waarop de re-integratie in de eerste periode is vormgegeven, heeft rechtstreeks gevolg gehad op haar latere belastbaarheid en de uiteindelijk terugval (28 juni 2023). De keten van gebeurtenissen is duidelijk: een ondeugdelijke een ondeugdelijk re-integratietraject leidt tot onvoldoende herstel, wat leidt tot verhoogde kwetsbaarheid , vervolgens tot terugval en uiteindelijk tot het onvoldoende scheppen van arbeidsomstandigheden die het een werknemer mogelijk maken om ondanks haar beperkingen werkzaam bij de werkgever te blijven. [verzoekster] is van oordeel dat niet de gedragingen van ABN AMRO maar de chronische ziekte van [verzoekster] ertoe heeft geleid dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
9. [verzoekster] heeft ten tweede verzocht om ABN AMRO te veroordelen een aanvullend bedrag aan transitievergoeding te betalen. Volgens [verzoekster] is ABN AMRO nog verschuldigd een bedrag van € 2.462,23 bruto. Anders dan ABN AMRO meent, moet het vervoersbudget (mobility budget) aangemerkt worden als (verkapt) loon en moet dit bedrag dus meegenomen worden bij de berekening van de transitievergoeding. Bij het meenemen van de waarderingspremie heeft voorts ABN AMRO een rekenfout gemaakt. Ook dit leidt tot de verplichting van ABN AMRO om de aanvullende transitievergoeding uit te betalen.
10. Voorts meent [verzoekster] dat zij te weinig vakantie-uren uitbetaald heeft gekregen. Ten onrechte heeft ABN AMRO geen rekening gehouden met de vakantie-uren die in het derde ziektejaar zijn opgebouwd. Dat deze meegenomen moeten worden is recent nog uitgemaakt in een uitspraak van de kantonrechter te Arnhem (12 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7054). Die uitspraak moet worden gevolgd.
11. Ter zake het POB-budget stelt [verzoekster] vast dat de door haar aangevraagde geen betrekking had op medische ondersteuning. Verder heeft ABN AMRO in productie 6 bij haar verweerschrift vermeld dat het budget kan worden ingezet voor coaching en voor activiteiten voor persoonlijke groei (Dit laatste alleen in geval deze gericht kan bijdragen aan beter kunnen functioneren, wat in casu aan de orde is.)
12. Ten aanzien van het Arbeidsvoorwaarden Budget (AWVB) heeft [verzoekster] nog recht op € 200,- over de maand februari 2025 en een bedrag van € 304,- over de maand juni 2025. Tezamen is dit € 504,-.Het bedrag van €. 200,- heeft [verzoekster] gebruikt voor de aanschaf van een smartwatch. ABN AMRO heeft dat bedrag twee keer meegenomen, waardoor de WIA-uitkering lager is uitgevallen. Ook het bedrag van € 304,- is mogelijk door ABN AMRO niet correct verwerkt, aldus steeds [verzoekster].
13. ABN AMRO verweert zich tegen de verzoeken. Dit verweer zal, voor zover van belang, hierna worden besproken en beoordeeld.


Beoordeling van de verzoeken van [verzoekster]
Billijke vergoeding?
14. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of aan [verzoekster] een billijke vergoeding moet worden toegekend.
Ernstig verwijtbaar handelen/nalaten ABN AMRO?
15. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarbij van doorslaggevend belang of er sprake is van ernstig handelen of nalaten bij ABN AMRO en zo ja, of er causaal verband bestaat tussen dit handelen of nalaten en de opzegging (beëindiging) van het dienstverband. [verzoekster] heeft aangevoerd dat aan beide vereisten is voldaan, zowel ten aanzien van de eerste als de tweede ziekteperiode.
Eerste ziekteperiode
16. Ten aanzien van de eerste ziekteperiode, die eindigde op 15 december 20219, heeft [verzoekster] aangevoerd dat deze periode meegenomen moet worden bij de beoordeling of ABN AMRO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Immers is er volgens [verzoekster] sprake van een patroon van ernstig verwijtbaar gedrag/nalaten aan de zijde van ABN AMRO.
16. De kantonrechter is van oordeel dat er van een patroon in de jaren vanaf 21 november 2016 tot 15 december 2019 geen sprake is geweest van (een patroon van) ernstig verwijtbaar handelen of nalaten bij ABN AMRO, waarmee zij [verzoekster] zou hebben benadeeld. Dat ABN AMRO in 2018 een loonsanctie van het UWV opgelegd heeft gekregen, omdat zij niet zou hebben voldaan aan haar re-integratieverplichtingen maakt dit niet anders. Dit is weliswaar een omstandigheid waarmee rekening moet worden gehouden, maar meegenomen wordt ook hetgeen ABN AMRO hiertegen heeft aangevoerd, namelijk dat zij steeds de adviezen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd.
De periode tussen de beide ziekteperioden
18. Ook de handelwijze van ABN AMRO in de periode tussen de twee ziekteperioden (15 december 2019 en 15 juni 2023) is naar het oordeel van de kantonrechter niet verwijtbaar, laat staan ernstig verwijtbaar
18. De relevante beslissing die het UWV hier heeft genomen is die van 20 oktober 2020. Voorts is van (doorslaggevend ) belang dat [verzoekster] met ingang van 15 december 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering ontving, op grond van de beslissing van het UWV , welke beslissing ABN AMRO heeft gevolgd. Na toekenning van deze uitkering is [verzoekster] immers bij ABN AMRO werkzaam gebleven in haar eigen werk voor de duur van 20 uur per week. Voor dat aantal uren was [verzoekster] derhalve arbeidsgeschikt en eindigde met het oog daarop per 15 december 2019 de eerste ziekteperiode.
18. Uit het gegeven dat [verzoekster] in de vervolgperiode tot 28 juni 2023 deels arbeidsongeschikt is gebleven kan op geen enkele wijze een verwijt bij ABN AMRO worden gedestilleerd. Integendeel, zij heeft [verzoekster] onvoorwaardelijk de mogelijkheid geboden [verzoekster] werkzaam te laten zijn voor 20 uur in haar eigen werkzaamheden, van welke mogelijkheid [verzoekster] ook gebruikt heeft gemaakt. Verder heeft ABN AMRO onweersproken aangevoerd dat zij [verzoekster] heeft toegelaten tot haar werk voor 20 uur in de week, terwijl de CAO voorschrijft dat deze functie voor minstens voor 32 uur per week moet worden uitgeoefend. Daar is ABN AMRO [verzoekster] dus tegemoet gekomen.
18. Ook in deze periode is derhalve van ernstig verwijtbaar handelen geen sprake.
Ernstige verwijtbaarheid in handelen of nalaten bij ABN AMRO in de tweede ziekteperiode?
22. Dan resteert de beoordeling van de vraag of ABN AMRO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in de tweede ziekteperiode, van 28 juni 2023 tot einde wachttijd, 25 juni 2025.
22. [verzoekster] heeft de volgende verwijten aan het adres van ABN AMRO gemaakt:
a. Zij verwijt ABN AMRO dat haar verzoek is afgewezen om ondersteuning door de Uwvverzuimregisseur te vergoeden. Anders dan ABN AMRO meent gaat het hier wel degelijk mede om medische ondersteuning die verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van werknemers met een chronische aandoeningen, zodat ABN AMRO redelijkerwijs verplicht is deze ondersteuning te vergoeden. De weigering van ABN AMRO is [verzoekster] niet in de koude kleren gaan zitten.

ABN AMRO heeft ook geweigerd om de externe training “Pak regie over je leven met chronische klachten” te vergoeden. Hier verschuilt ABN AMRO zich achter de CAO en fiscale wetgeving (ABN AMRO zegt valt buiten het POB-budget).


ABN AMRO heeft geweigerd [verzoekster] een prikkelarme werkplek, een sta-zit-bureau en een parkeerplek ter beschikking te stellen.

ABN AMRO heeft ook in deze periode vergissingen in de (loon)administratie gemaakt. Het valt te betreuren dat ABN AMRO dit slechts deels heeft erkend. Ook is het weinig sportief van ABN AMRO om met de beschuldigende vinger naar het UWV te wijzen.
24. Ad 23.a [verzoekster] heeft onweersproken aangevoerd dat de Uwvverzuimregiseur een compleet traject biedt dat gericht is op onderzoeken van wat haalbaar is fysiek, maar ook praktisch en financieel. Naar het oordeel van de kantonrechter had van ABN AMRO gevergd kunnen worden zich hier flexibel op ter stellen en dit traject deels te vergoeden uit het POB-traject, en voor het overige daarvoor een potje te creëren. Dat ABN AMRO dat niet heeft gedaan, valt haar te verwijten, maar is niet ernstig verwijtbaar.

Ad 23 b Hier geldt hetzelfde als onder 23.a is vermeld. Van ABNAMRO had verwacht mogen worden dat zij de training zou vergoeden, al dan niet uit het POB-budget. ABN AMRO heeft zich hier te star opgesteld. Dat valt haar te verwijten, doch niet in ernstige mate, ook niet als de handelwijze wordt opgeteld bij die vermeld onder 22.a.

Ad 23 c Dat ABN AMRO in de tweede ziekteperiode geen prikkelarme werkplek en geen sta-zit-bureau ter beschikking heeft willen stellen heeft ABN AMRO gemotiveerd weersproken. Ook is niet gebleken dat [verzoekster] om deze voorzieningen heeft gevraagd, terwijl ook onweersproken is gebleven het verweer van ABN AMRO dat deze voorzieningen niet zijn voorgeschreven door de bedrijfsarts en arbodienst. [verzoekster] verwijt ABN AMRO voorts dat zij [verzoekster] geen parkeerplek ter beschikking heeft gesteld gedurende de tweede ziekteperiode. De kantonrechter volgt [verzoekster] hierin niet. ABN AMRO heeft er terecht op gewezen dat, na wijziging van het beleid in 2022, er geen persoonsgebonden parkeerplekken meer waren en voorts dat [verzoekster] in de praktijk altijd een parkeerplek kon reserveren. Ook heeft [verzoekster] niet weersproken dat zij deze gang van zaken niet heeft aangekaart bij haar leidinggevende.

Ad 23 d ABN AMRO heeft erkend dat zij een aantal vergissingen heeft gemaakt in de loonbetalingen aan [verzoekster]. Zij heeft aangegeven er begrip voor te hebben dat dit voor [verzoekster] vervelend en frustrerend is geweest. Daartegenover staat dat op geen enkele wijze is gebleken dat er bij ABN AMRO sprake was van opzet of kwade wil, terwijl zij ook heeft onderbouwd dat een aantal verwijten die [verzoekster] ABN AMRO maakt fouten betreffen die door het UWV zijn gemaakt. Geoordeeld wordt dat ABN AMRO hier geen blaam treft en haar handelwijze niet als verwijtbaar kan worden gekwalificeerd, laat staan ernstig verwijtbaar.

Conclusie verwijtbaar handelen

25. De conclusie is dat er van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van ABN AMRO geen sprake is. Dat betekent dat de vervolgvraag, of er sprake is van causaal verband tussen de handelwijze van ABN AMRO en het ontslag, niet hoeft te worden besproken. Een billijke vergoeding is, gelet op het bovenstaande niet toewijsbaar. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.




Nevenverzoeken


Resterend bedrag transitievergoeding?

26. ABN AMRO heeft [verzoekster] het mobility budget aan ||[verzoekster] uitbetaald tijdens ziekte, toen [verzoekster] dus geen woon werk reiskosten had, hetgeen blijkt uit de door [verzoekster] overgelegde loonstroken over de periode van januari 2025 tot en met juni 2025. Reeds daaruit blijkt dat er sprake is van verkapt loon, zodat deze component moet worden meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de transitievergoeding. Voorts heeft ABN AMRO onvoldoende weersproken dat zij ten aanzien van de waarderingspremie een rekenfout heeft gemaakt. Dat betekent dat het verzoek van [verzoekster] tot betaling van € 2.462,23 bruto toegewezen zal worden.
Betaling vakantie-uren na het tweede ziektejaar?
27. [verzoekster] heeft gesteld dat zij ook over het derde ziektejaar recht heeft op uitbetaling van vakantie-uren en heeft zich daarbij op rechtspraak beroepen, waaronder de beschikking van de kantonrechter te Arnhem, aangehaald onder 10. De kantonrechter zal haar daarin niet volgen, en wel gelet op het navolgende. Artikel 7:634 BW is duidelijk en bepaalt dat een werknemer alleen recht heeft op uitbetaling van vakantie-uren als de werknemer recht heeft gehad op loon. Dat geldt dus uitdrukkelijk niet voor de periode na het tweede ziektejaar. Naar het oordeel van de kantonrechter is het maar de vraag of artikel 7:634 BW in strijd is met Europees recht. En zelfs als dat wel het geval zou zijn biedt artikel 7:634 BW geen ruimte voor interpretatie. Dan is het woord aan de wetgever, maar die lijkt gelet op de beantwoording van Kamervragen geen aanleiding te zien om het wetsartikel te wijzigen. Inmiddels heeft de kantonrechter te Rotterdam zeer recent een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. Bij de huidige stand van zaken is de kantonrechter van oordeel dat werknemers alleen recht hebben op uitbetaling van niet genoten vakantie-uren over de periode waarin zij recht hebben gehad op loon conform artikel 7:634 lid 1 BW.
27. De conclusie moet zijn dat het verzoek van [verzoekster] op dit punt moet worden afgewezen.
Betaling POB-budget?
29. De kantonrechter is van oordeel dat, mede gelet op hetgeen is overwogen onder 24, 22.b, [verzoekster] redelijkerwijs aanspraak kan maken op uitbetaling van het POB-budget ter hoogte van € 2.477,13. Dat was de stand van het budget per 31 december 2025, terwijl ABN AMRO eerdere verzoeken van [verzoekster], om het budget op een bepaalde wijze in te zetten heeft afgewezen.
29. Dit onderdeel van het verzoek van [verzoekster] zal daarom worden toegewezen.
Het arbeidsvoorwaardenbudget ten bedrage van € 200,-
31. In februari 2025 heeft [verzoekster] vanuit dit budget een smartwatch aangekocht voor € 200,-.. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] in voldoende mate heeft aangetoond dat ABN AMRO dit bedrag feitelijk twee keer heeft meegenomen: één keer in het Sociaal Verzekeringsloon en nogmaals via het arbeidsvoorwaardenbudget.
31. Gelet op het bovenstaande zal het verzoek van [verzoekster] tot betaling van € 200,- worden toegewezen.
Het arbeidsvoorwaardenbudget ten bedrage van € 304,-
33. Hier heeft [verzoekster] niet uitgelegd waarvoor zij dit bedrag heeft ingezet. Ook lijkt zij er niet zeker van te zijn of ABN AMRO hier een dubbeltelling heeft toegepast.
33. Dat betekent dat het verzoek op dit punt, als onvoldoende onderbouwd, zal worden afgewezen
Wettelijke rente
35. De wettelijke rente over de toegewezen bedragen wordt toegewezen, zoals hierna te bepalen.
De proceskosten
36. De kantonrechter is van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.


BESLISSING

De kantonrechter:


wijst het verzoek om een billijke vergoeding af;


veroordeelt ABN AMRO om aan [verzoekster] een aanvulling op de transitievergoeding te betalen van € 2.462,23 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;



veroordeelt ABN AMRO om aan [verzoekster] het POB-budget te betalen van € 2.477,13 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;



veroordeelt ABN AMRO om aan [verzoekster] het arbeidsvoorwaardenbedrag te betalen van € 200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;



verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;



wijst het anders of meer verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter en in het openbaar op 20 juli 2026 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.


De griffier De kantonrechter
Link naar deze uitspraak