|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:7756 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/785066 / KG ZA 26-20 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Voorschot schadevergoeding in kort geding. Afwijzing. Na bodemprocedure aansprakelijkheid vastgesteld, maar schade onvoldoende aannemelijk, debat over causaliteit en eigen schuld nog niet gevoerd. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/785066 / KG ZA 26-209 MK/EvK
Vonnis in kort geding van 15 mei 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiser 1] ,2. [eiser 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiser 2] ,
eisende partijen bij dagvaarding van 24 maart 2026,
hierna samen te noemen: [eisers] (meervoud),
advocaat: mr. H.J. Bos,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. F.M.A. 't Hart.
1De procedure
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 3 april 2026 hebben [eisers] de dagvaarding toegelicht. Rabobank heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. [eisers] hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht en Rabobank een pleitnota. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: [eiser 1] en [eiser 2] , met mr. Bos en mr. D.H.S. Hulsewé, en namens Rabobank mr. M.L. Thirij, met mr. ’t Hart.
1.2.
Na verder debat is de zaak pro forma aangehouden tot 24 april 2026 om partijen de gelegenheid te geven een regeling te treffen. Bij bericht van 23 april 2026 heeft mr. Bos namens [eisers] de voorzieningenrechter verzocht vonnis te wijzen omdat partijen er niet zijn uitgekomen. Partijen is vervolgens op 23 april 2026 medegedeeld dat vonnis is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn een echtpaar en klant bij de Rabobank.
2.2.
[eisers] zijn verwikkeld in een geschil met de Rabobank. Tussen [eiser 1] en de Rabobank bestaat een execution only beleggingsdienstverleningsrelatie en partijen hebben een bodemprocedure gevoerd bij deze rechtbank over de vraag of Rabobank jegens [eisers] aansprakelijk is omdat zij haar zorgplicht heeft geschonden in het kader van deze beleggingsdienstverlening. [eisers] hebben bij dagvaarding van 27 augustus 2024 (samengevat) gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eisers] en/of dat Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] , met veroordeling van Rabobank tot vergoeding van de door [eisers] dientengevolge geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2.3.
Bij tussenvonnis van 11 juni 2025 heeft de rechtbank overwogen dat tot de zorgplicht van de bank in dit geval behoort dat zij informatie inwint over de kennis en ervaring van de belegger en op basis daarvan beoordeelt of de dienstverlening passend is voor de belegger. Als het niet passend is, moet de bank de belegger daarvoor waarschuwen. Dit tezamen wordt ook de wel ‘passendheidstoets’ genoemd. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat Rabobank nog onvoldoende heeft aangetoond dat zij de passendheidstoets op voldoende zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd voordat [eiser 1] in 2012 via Rabobank zijn eerste opties ging schrijven en daarom is Rabobank in de gelegenheid gesteld om hiervan bewijs te leveren.
2.4.
Bij eindvonnis van 19 november 2025 heeft de rechtbank ten eerste overwogen dat het tussenvonnis uitgaat van een verkeerde bewijslastverdeling: de bewijslast dat Rabobank
de passenheidstoets niet op zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd (haar zorgplicht op
dit punt heeft geschonden) rust op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv) op [eisers] omdat zij zich beroepen op de rechtsgevolgen van de
schending daarvan. De rechtbank heeft dit gecorrigeerd en de gegeven bewijsopdracht aldus gelezen en vervolgens beoordeeld of Rabobank erin is geslaagd tegenbewijs te leveren. De rechtbank heeft geoordeeld dat Rabobank haar (precontractuele) zorgplicht jegens [eisers] heeft geschonden en onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. De verklaring van recht die daarop ziet is toegewezen. De zaak is verwezen naar de schadestaatprocedure, zoals door [eisers] gevorderd, omdat de mogelijkheid dat [eisers] als gevolg van deze zorgplichtschending schade hebben geleden voldoende aannemelijk is. Daarbij is overwogen dat het beroep van Rabobank op eigen schuld van [eisers] wordt overgelaten aan de rechter in de schadestaatprocedure.
2.5.
Bij e-mail van 19 november 2025 heeft de advocaat van [eisers] Rabobank gevraagd of zij bereid is tot overleg over de afwikkeling van de schade of dat zij het laat aankomen op de schadestaatprocedure. Rabobank heeft op 2 december 2025 geantwoord dat zij hier op een later moment inhoudelijk op terugkomt.
2.6.
Rabobank heeft hoger beroep aangetekend tegen het eindvonnis van deze rechtbank van 19 november 2025.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – Rabobank te veroordelen tot betaling van een voorschot aan [eisers] ter hoogte van € 430.000 en Rabobank te veroordelen in de reële proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
[eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 19 november 2025 beslist dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden dan wel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en daartoe een verklaring voor recht uitgesproken. Ook is beslist dat aannemelijk is dat [eisers] schade hebben geleden en hiertoe is de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. [eisers] hebben (spoedeisend) belang bij een voorschot op de schade. Ten eerste heeft Rabobank in de bodemprocedure erkend dat de schade in ieder geval € 438.985 bedraagt. Verder hebben [eisers] en hun twee inmiddels weer thuiswonende kinderen ernstige gezondheidsklachten, deels als gevolg van de met Rabobank gevoerde procedures. [eisers] willen van hun oude dag genieten en kunnen niet nog jaren wachten op de uitkomst van de schadestaatprocedure. Daarom hebben zij belang bij een voorschot. Daarnaast traineert Rabobank de procedure; Rabobank had toegezegd de schade in onderling overleg af te zullen wikkelen, maar heeft vervolgens niets meer van zich laten horen en uiteindelijk heeft zij op het laatste moment hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis.
3.3.
Rabobank voert verweer. [eisers] hebben geen spoedeisend belang bij een voorschot op een schadevergoeding. Rabobank heeft geen schadebedrag van € 438.985 erkend. Zij heeft dit aangevoerd in het kader van het door haar subsidiair gevoerde eigen schuld verweer, maar zij heeft daarmee uitdrukkelijk niet erkend dat zij verplicht is dit minimumbedrag aan [eiser 1] te vergoeden. Verder traineert Rabobank de procedure niet, zij heeft recht hoger beroep in te stellen. Daarnaast is het niet aannemelijk dat [eisers] gezondheidsklachten hebben als gevolg van de met Rabobank gevoerde procedures.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Bij de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken het risico dat niet kan worden terugbetaald in het geval de veroordeling geen stand houdt.
4.2.
De omvang van de schadevergoedingsvordering waar [eisers] recht op hebben als gevolg van de zorgplichtschending die de rechtbank heeft vastgesteld staat in dit geval onvoldoende vast om als vordering in kort geding te kunnen toewijzen. Ten eerste heeft Rabobank niet erkend dat de schade (minimaal) € 438.985 bedraagt. Dat heeft zij voldoende toegelicht en daar hebben [eisers] niet meer op gereageerd. Verder heeft de rechtbank weliswaar beslist over de aansprakelijkheid van Rabobank en het voldoende aannemelijk geacht dat [eiser 1] hierdoor schade heeft geleden (de maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure), maar er is in het geheel nog geen debat gevoerd over de causaliteit en eigen schuld. Dus zelfs als enig bedrag aan schade zou worden aangenomen is nog onvoldoende aannemelijk dat dit bedrag ook aan [eisers] toekomt. Bij deze stand van zaken kan in kort geding niet worden vooruitgelopen op de omvang van de vordering tot schadevergoeding die aan [eisers] toekomt.
4.3.
Bovendien is er in het kader van een belangenafweging, gelet op de financiële positie van [eisers] , ook geen onmiddellijke voorziening vereist. Onvoldoende betwist is namelijk dat de financiële positie van [eisers] voldoende is om te voorzien in hun levensonderhoud. Dat zij daarbij mogelijk interen op hun eigen vermogen is onvoldoende voor toewijzing van een voorschot.
4.4.
Dat maakt dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen. De overige verweren behoeven geen bespreking.
proceskosten
4.5.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht
€
7.062,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.428,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 8.428,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
type: EvK
coll: EB | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|