Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:8033 
 
Datum uitspraak:08-07-2026
Datum gepubliceerd:17-08-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:AWB 25/487
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Raad voor rechtsbijstand, afwijzing van een toevoeging omdat het onder het bereik valt van een eerder verstrekte toevoeging. Het feitencomplex van beide zaken ligt weliswaar in het verlengde van elkaar, maar ze beogen een ander doel en eindresultaat. Beroep gegrond.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
bijstandsuitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

Zaaknummer: AMS 25/487

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] , uit [woonplaats 1] , eiser 1

en


[eiser 2], uit [woonplaats 2] , eiser 2
hierna gezamenlijk te noemen: eisers

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de raad
(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).



Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de toevoeging met nummer [nummer 1] .


1.1.
Bij besluit van 27 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft de raad de aanvraag om een toevoeging afgewezen.



1.2.
Bij besluit van 12 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de raad het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



1.3.
Eiser 2 heeft namens eiser 1 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De raad heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 2 en de gemachtigde van de raad. Eiser 1 was niet aanwezig.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen het bestreden besluit.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser 1 niet-ontvankelijk is en het beroep van eiser 2 gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Achtergrond en besluitvorming


4. Uit de stukken blijkt dat eiser 1 op 10 juni 2024 een aanvraag om rechtsbijstand heeft gedaan voor een geschil met zijn werkgever [bedrijf] over achterstallig loon. Eiser had al ruim drie maanden geen salaris ontvangen en om die reden heeft hij zijn gemachtigde, eiser 2, ingeschakeld om als advocaat een loonvordering in te stellen met als doel betaling van het achterstallig loon. Deze toevoeging, [nummer 2] , is op 25 juni 2024 door de raad verstrekt.

5. Vervolgens heeft de werkgever, ondanks sommaties, geweigerd het achterstallig loon te betalen. Hierop heeft eiser 1 de arbeidsovereenkomst opgezegd op grond van een dringende reden. Dit heeft hij gedaan om inkomen realiseren voor de toekomst, door middel van het aanvragen van een bijstandsuitkering. Eiser 1 heeft in deze zaak ook verzocht om schadevergoeding (een transitievergoeding en een billijke vergoeding) en betaling van het achterstallig loon. Toen is de toevoeging [nummer 1] op 13 augustus 2024 aangevraagd.

6. De raad heeft deze toevoeging in het primaire besluit afgewezen omdat het verzoek betrekking heeft op een rechtsbelang waarvan aanspraak kan worden gemaakt op rechtsbijstand op grond van de eerder verstrekte toevoeging met nummer [nummer 2] . De werkzaamheden vallen volgens de raad dus onder het bereik van deze eerder verstrekte toevoeging.

7. Met het bestreden besluit van 12 december 2024 is de raad bij de afwijzing gebleven. De raad stelt dat er geen diversiteit van rechtsbelangen aanwezig is. Beide zaken zien op hetzelfde feitencomplex over achterstallige salarisbetalingen. Het doel en beoogd eindresultaat voor eiser 1 is in beide gevallen om alsnog het achterstallig loon te ontvangen. Eiser 1 wenst compensatie voor gewerkte arbeid en probeert te voorkomen dat de situatie, van een arbeidsovereenkomst zonder uitbetaling van loon, zal voortduren. Er is sprake van een voortdurend geschil over de betaling van salaris, hetgeen geresulteerd heeft in het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst waarbij vervolgens met een schadevergoedingsverzoek eveneens wordt geprobeerd het niet ontvangen loon te ontvangen.


Ontvankelijkheid


8. De gemachtigde van eiser 1 heeft namens hem beroep ingesteld. In het bestuursrecht is het zo dat iemand die in beroep gaat hierbij belang moet hebben. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener met het ingestelde rechtsmiddel voor ogen staat, moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Eiser 1 is de rechtszoekende. Hij beoogde met het indienen van het beroep te bereiken dat een tweede toevoeging werd verleend. Op de zitting heeft de rechtbank vernomen dat de procedure waarvoor de toevoeging om rechtsbijstand is aangevraagd is beëindigd. Hiermee is de rechtsbijstand dus ook beëindigd. Het doel dat eiser 1 voor ogen had, was dus al bereikt. Verder is niet gebleken van financiële of andere gevolgen voor hem.De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser 1 geen procesbelang meer heeft. De rechtbank zal het beroep ten aanzien van hem dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

9. Echter, de rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde van eiser 1, eiser 2, wel belang heeft bij de beoordeling van het beroep. De afwijzing van een verzoek om een tweede toevoeging leidt ertoe dat een rechtsbijstandverlener zich voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand alleen kan beroepen op de eerdere toevoeging. Het belang van de rechtsbijstandverlener is gelegen in het verkrijgen van een vergoeding voor door hem verrichte werkzaamheden die naar zijn mening niet vallen onder de eerdere toevoeging. Dit brengt met zich dat de gemachtigde van eiser belanghebbende is bij het in bezwaar gehandhaafde besluit. Een door de rechtszoekende ingesteld rechtsmiddel moet in zaken als deze worden toegerekend aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener heeft immers geen aan de rechtzoekende tegengesteld belang, omdat beiden de verlening van een tweede toevoeging beogen. Ook zou de rechtsbijstandverlener geen andere gronden naar voren hebben gebracht dan de rechtzoekende. De gemachtigde heeft daarom belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep van hem als gemachtigde van eiser 1 is daarom ontvankelijk. De gemachtigde is daarom aangeduid als eiser 2.


Beoordeling rechtbank


10. Tussen partijen is in geschil of sprake is van diversiteit van rechtsbelangen. Voor de afbakening van het begrip rechtsbelang is bepalend wat het doel én beoogd eindresultaat is van de rechtsbijstand in combinatie met het onderliggende feitencomplex. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat als het doel en het beoogd eindresultaat van de verschillende toevoegingen identiek is, sprake is van één rechtsbelang. Ook als het doel en beoogd eindresultaat weliswaar niet identiek zijn, maar er wel sprake is van een samenstel van rechtsbelangen zonder zelfstandige betekenis, kan één rechtsbelang worden aangenomen.

11. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat het feitencomplex in beide zaken weliswaar in het verlengde van elkaar liggen, maar anders dan de raad meent, oordeelt de rechtbank dat deze zaken niet onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en een ander doel en eindresultaat beogen. De eerste zaak, de loonvordering, zag primair op de betaling van het achterstallig loon. Terwijl de tweede zaak, het opzeggen van de arbeidsovereenkomst primair zag op het kunnen organiseren van toekomstig inkomen met de aanvraag van een bijstandsuitkering. Subsidiair zag deze zaak op het vorderen van schade, in de vorm van onder andere een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Dat hierbij ook betaling van het achterstallig loon is gevorderd, maakt niet dat sprake is van één rechtsbelang. Alhoewel het feitencomplex dus nagenoeg hetzelfde is, acht de rechtbank het doel en beoogd eindresultaat van de procedures wezenlijk anders en is sprake van een samenstel van rechtsbelangen met zelfstandige betekenis.



Conclusie en gevolgen

12. Het beroep van eiser 1 is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiser 2 is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, nu de raad ten onrechte stelt dat er geen sprake is van diversiteit van rechtsbelangen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de raad op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de raad een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de raad hiervoor zes weken.

14. Omdat het beroep van eiser 2 gegrond is, moet de raad het griffierecht vergoeden. Eiser 2 heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden, nu hij zelf rechtsbijstandverlener is.



Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ten aanzien van eiser 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep ten aanzien van eiser 2 gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 december 2024;
- draagt de raad op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de raad het griffierecht van € 53,- aan eiser 2 moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.








griffier


rechter






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2382.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2319.


Zie de werkinstructie ‘Bereik’ van de raad.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:155.
Link naar deze uitspraak