Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:8361 
 
Datum uitspraak:30-07-2026
Datum gepubliceerd:21-08-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:12211130 KK EXPL 26-275
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:kort geding, gemengde overeenkomst, kwalificatie overeenkomst, geen conversie Zonhofje arrest, geen huurbescherming onderhuurders, afwijzing contractuele boete
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
huurovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 12211130 KK EXPL 26-275
vonnis van: 30 juli 2026
func.: 569


vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

de stichting Stichting Woonzorg Nederland
gevestigd te Amsterdam
eiseres
nader te noemen: Woonzorg
gemachtigde: mr. D. Pranjic

t e g e n

1. het Kerkgenootschap Kerkgenootschap Leger des Heils
2. de stichting Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg
beide woonplaats kiezende te Amsterdam
nader te noemen: LDH c.s. dan wel LDH 1 (gedaagde sub. 1) of LDH 2 (gedaagde sub. 2) indien afzonderlijk bedoeld
3. [gedaagde 3]
4. [gedaagde 4]
beiden woonplaats kiezende te [woonplaats]
nader te noemen [gedaagden 3 en 4] indien gezamenlijk bedoeld, anders bij de achternaam
gedaagden
gemachtigden: mrs. N. Amiel en P.G.B. Eradus voor LDH c.s.
gemachtigde: mr. R.M. Berendsen voor [gedaagde 3] en [gedaagde 4]


VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 6 mei 2026, met producties, heeft Woonzorg een voorziening gevorderd.

Namens Woonzorg is verschenen de heer [naam 1] vergezeld door de gemachtigde. Namens LDH c.s. zijn verschenen de dames [naam 2] , en [naam 3] vergezeld door de gemachtigden. [gedaagde 3] is verschenen vergezeld door zijn dochter en de heer A. Herrera , als tolk en vergezeld door de gemachtigde die eveneens als tolk is opgetreden voor [gedaagde 3] . Partijen hebben voorafgaande aan de zitting stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, alle gemachtigden mede aan de hand van een overgelegde pleitnota. Alle stukken zijn aan het procesdossier toegevoegd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.


GRONDEN VAN DE BESLISSING



Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.
Woonzorg is een woningcorporatie en een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 lid 1 van de Woningwet en is op grond daarvan belast met de verdeling van sociale huurwoningen. Woonzorg is eigenaar en verhuurder van de sociale huurwoning gelegen aan het adres [adres] .


1.2.
LDH 2 is een stichting die zich richt op het verlenen van uiteenlopende vormen van maatschappelijke opvang en begeleid wonen.


1.3.
De door LDH 2 verleende zorg wordt aangeboden via zogenoemde zorgwoningen. LDH 2 huurt deze zorgwoningen van Woonzorg en verhuurt deze aan cliënten.


1.4.
De hoofdhuurovereenkomst ter zake [adres] ingaande 1 augustus 2024 – hierna het gehuurde of de woning –, opgesteld door Woonzorg, is ondertekend door [naam 4] , werkzaam bij LDH 2, als KvK nummer is opgenomen het nummer van LDH 2. In de huurovereenkomst zelf is opgenomen LDH 1 als huurder. De huur is steeds betaald door LDH 2. In de considerans is opgenomen:‘dat onderhavige huurovereenkomst en de begeleidingsovereenkomst tussen huurder en haar cliënt onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn , en dat onderhavige huurovereenkomst eindigt bij beëindiging van de hiervoor bedoelde begeleidingsovereenkomst. De twee voornoemde overeenkomsten zijn samenhangende overeenkomsten waarvan de begeleidingsovereenkomst de overheersende is die prevaleert boven de huurovereenkomst waardoor huur(beschermings)bepalingen niet van toepassing zijn. (…)’
Artikelen 2.1, 2.2, en 5.2 van de huurovereenkomst luiden:


‘2.1 het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting (…) van een cliënt van huurder te weten de heer [naam 5] (..) in het kader van zijn/haar begeleiding c.s behandeling door huurder conform de begeleidingsovereenkomst die de cliënt met huurder heeft gesloten.




2.2

Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat de verhuur van de woning niet primair voorziet in de behoefte aan woonruimte voor cliënt van huurder, maar voorziet in een kader voor het ontvangen van de begeleiding c.q. behandeling aan de cliënt door huurder.




5.2.

Indien de (cliënt van) huurder nalatig blijft om tijdig tot ontruiming over te gaan, verbeurt hij aan verhuurder een direct opeisbare boete van € 50,- voor iedere dag dat de woning na het einde van de huurovereenkomst bezet blijft (…)’




1.5.
LDH 2 is met [naam 5] een zogenoemde zorg- en dienstverleningsovereenkomst (ZDO) aangegaan en heeft in dat kader de woning per 1 augustus 2024 verhuurd aan [naam 5] voor een huurprijs van € 926,48 per maand. In de overeenkomst is opgenomen:‘Artikel 5(…) In de relatie tussen huurder en verhuurder zal het zorg- en begeleidingselement overheersend zijn en huurder kan daarom geen succesvol beroep doen op huur(prijs)bescherming. De huurovereenkomst zal derhalve worden beëindigd en huurder zal de woonruimte moeten verlaten, wanneer de zorg- en dienstverleningsovereenkomst eindigt.’


1.6.
Woonzorg heeft LDH 2 in december 2025 meegedeeld dat zij signalen had ontvangen dat [naam 5] de woning onderverhuurt aan een Spaanstalig gezin.


1.7.
LDH 2 heeft op 8 januari 2026 een bezoek aan de woning gebracht. Daar is contact geweest met [gedaagden 3 en 4] en is een schriftelijke huurovereenkomst getoond waaruit volgt dat [gedaagden 3 en 4] (lessee) de woning van [naam 5] (lessor) met ingang van 1 oktober 2025 huren voor een maandelijkse huurprijs van € 1.800,00. [gedaagden 3 en 4] bewoont het gehuurde samen met hun minderjarige dochter van 14 jaar.


1.8.
LDH 2 heeft, in overleg met Woonzorg, de ZDO met [naam 5] opgezegd en hem per brieven van 13 en 20 januari 2026 meegedeeld dat door het eindigen van de ZDO de huurovereenkomst eveneens eindigt, beide per 13 februari 2026, en heeft [naam 5] meegedeeld dat hij de woning dient te verlaten per die datum.


1.9.
LDH 2 heeft per brief van 13 januari 2026 aan Woonzorg de huur van de woning opgezegd.


1.10.

[naam 5] is op 4 februari 2026 naar de woning gegaan en zou [gedaagden 3 en 4] hebben bedreigd.


1.11.
LDH 2 heeft vervolgens aan Woonzorg verzocht om de huuropzegging te annuleren/terug te draaien en de hoofdhuurovereenkomst voort te zetten om zo een oplossing te vinden voor [gedaagden 3 en 4] Bij e-mail van 10 februari 2026, abusievelijk gedateerd 10 januari 2026, heeft Woonzorg dit verzoek afgewezen en heeft jegens LDH c.s. aanspraak gemaakt op de contractuele boete met ingang van 12 februari 2026.


1.12.
LDH 2 heeft in een e-mail van 10 februari 2026 aan de gemachtigde van [gedaagden 3 en 4] onder meer verzocht om in het kader van een minnelijke regeling door te geven wat de plannen van [gedaagden 3 en 4] zijn en of ze in aanmerking komen voor sociale woningbouw/huurtoeslag. Daar is niet op gereageerd door de gemachtigde van [gedaagden 3 en 4]


1.13.
De gemachtigde van Woonzorg heeft de gemachtigde [gedaagden 3 en 4] in of omstreeks april 2026, in ieder geval op 10 april 2026 het voorstel gedaan om in de woning te blijven tot uiterlijk 9 juli 2026 tegen betaling van de gebruiksvergoeding.


1.14.
De gemachtigde van [gedaagden 3 en 4] heeft dit voorstel bij e-mail van 10 april 2026 afgewezen, heeft een beroep gedaan op huurbescherming en verlaging van de huurprijs tot de maximaal redelijke huurprijs volgens het Woningwaarderingsstelsel.




Vordering en verweer

2. Woonzorg vordert bij dagvaarding dat de kantonrechter gedaagden – bij uitvoerbaar te verklaren vonnis – veroordeelt tot ontruiming van de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] met veroordeling, hoofdelijk, tot betaling van een gebruiksvergoeding/schadevergoeding tot aan de dag van de ontruiming te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata, waarbij voor iedere ingegane maand een volledige maand verschuldigd zal zijn. Voorts vordert Woonzorg hoofdelijke veroordeling van LDH c.s. tot betaling van een contractuele boete van € 50,00 per dag vanaf 12 februari 2026 tot en met de dag van de daadwerkelijke ontruiming te vermeerderen met de wettelijke rente. Tot slot vordert Woonzorg hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
3. Woonzorg stelt daartoe – kort gezegd – dat de overeenkomst tussen haar en LDH c.s. kwalificeert als een huurovereenkomst bedrijfsruimte ex artikel 7:230a Burgerlijk Wetboek (BW) dan wel een overeenkomst woonruimte waarbij het zorgelement overheerst en er geen recht bestaat op huurbescherming. De overeenkomst tussen LDH c.s. en [naam 5] is een overeenkomst waarbij eveneens het zorgelement overheerst ten opzichte van het huurelement. Het eindigen van de zorgovereenkomst leidt tot het eindigen van de huur zonder dat daarbij een beroep kan worden gedaan op huurbescherming. LDH 2 heeft voorts ook de huurovereenkomst opgezegd met [naam 5] na het beëindigen van de zorgovereenkomst. Woonzorg heeft de opzegging geaccepteerd. Het Zonhofje arrest (HR 20 september 1985, NJ 1986,20) is niet van toepassing gelet op het voorgaande. LDH c.s. hebben geweigerd de woning te ontruimen, onder meer op basis van hun idealistische grondslag die hen heeft belet om een ontruimingsvordering in te stellen jegens [gedaagden 3 en 4] Dat is een keuze die ertoe heeft geleid dat Woonzorg schade heeft geleden waardoor Woonzorg terecht een beroep toekomt op de boete van artikel 5.2 van de huurovereenkomst. Het primaire standpunt is dat, gelet op het voorgaande, geen van gedaagden een beroep toekomt op huurbescherming. Bovendien wordt subsidiair ten aanzien van [gedaagden 3 en 4] op dit punt gesteld dat zij blijkbaar een maandhuur van € 1.800,00 hebben betaald, dat niet kan worden vastgesteld dat zij recht hebben op een sociale huurwoning wegens het ontbreken van een onderbouwing van hun inkomsten en wegens het ontbreken van een huisvestingsvergunning, zodat op grond van artikel 7:269 lid 2 BW de rechter zal bepalen dat aan [gedaagden 3 en 4] geen huurbescherming toekomt. Met de belangen van het minderjarige kind als bedoeld in artikel 3 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) is rekening gehouden door reeds op 18 maart jl. aan te bieden dat [gedaagden 3 en 4] konden blijven in de woning tot 9 juli 2026. Daarnaast kan een verlengde ontruimingstermijn worden gehanteerd tot einde zomervakantie, namelijk 16 augustus a.s., waarbij voldoende rekening is gehouden met voornoemde belangen, mede in ogenschouw nemend dat er in deze zaak geen recht bestaat op huurbescherming, anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1799) waarin deze materie aan de orde was.
4. LDH c.s. voeren gemotiveerd verweer en voeren – kort gezegd – aan dat enkel LDH 2 de huurder is (1.4). Voorts voeren zij aan dat er geen sprake is van spoedeisend belang aan de zijde van Woonzorg. Dit is niet onderbouwd en het volgt ook niet uit het aanbod dat door Woonzorg is gedaan aan [gedaagden 3 en 4] waarin zij tot 9 juli 2026 in de woning zouden mogen blijven. LDH 2 heeft overigens getracht om [naam 5] te bewegen tot vertrek uit de woning. Toen [naam 5] [gedaagden 3 en 4] bedreigde heeft LDH 2 zich onthouden van rechtsmaatregelen om de situatie niet te laten escaleren. Daarbij beroept [gedaagden 3 en 4] zich op huurbescherming jegens Woonzorg en is derhalve het aan Woonzorg om rechtsmaatregelen te treffen dienaangaande. LDH 2 heeft getracht om [gedaagden 3 en 4] aan een alternatieve woning te helpen. Woonzorg wilde niet meewerken en [gedaagden 3 en 4] heeft niet inhoudelijk gereageerd op verzoeken tot informatie omtrent onder andere de inkomenspositie. Ter zake van de boete voert LDH 2 aan dat zij in overleg met Woonzorg de huurovereenkomst heeft opgezegd en nadien heeft getracht de schade voor Woonzorg te beperken door te verzoeken om tijdelijk de huurovereenkomst voort te zetten waarbij LDH 2 de huur/gebruiksvergoeding zou betalen. Woonzorg heeft dit geweigerd. Onder die omstandigheden kan LDH 2 niet gehouden worden tot betaling van de boete.
5. [gedaagden 3 en 4] voeren gemotiveerd verweer en voeren – kort gezegd – aan dat er sprake is van woonfraude jegens hen. Er is sprake van een huurovereenkomst tussen [naam 5] en [gedaagden 3 en 4] De overeenkomsten tussen de overige partijen kwalificeren als overeenkomsten ter zake van woonruimte, als bedoeld in artikel 7:233 BW. Het huurelement overheerst, niet het zorgelement. De zorg was licht en ambulant. Daarbij was het einddoel verhuur van de woning na het succesvol afronden van het zorgtraject. Het Zonhofje arrest is van toepassing. Bij de kwalificatie van een dergelijke overeenkomst dient de kort geding rechter voorzichtigheid te betrachten. De belangen van het minderjarige kind van [gedaagden 3 en 4] dienen ook gewaarborgd te worden onder meer op grond van artikel 3 IVRK.
6. De overige stellingen en verweren komen voor zover van belang bij de beoordeling aan de orde.



Beoordeling
7. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van Woonzorg in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het volgende is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Spoedeisend belang

8. Woonzorg dient de schaarse sociale huurwoningen te verdelen. Dat deze schaarste bestaat in [plaats] is welhaast een feit van algemene bekendheid en hoeft niet door Woonzorg te worden onderbouwd met wachtlijsten. De huur is opgezegd op 12 januari 2026. Woonzorg heeft vervolgens niet overhaast actie ondernomen maar ook niet zolang gewacht dat gesteld kan worden dat het spoedeisend belang ontbreekt. Dat Woonzorg een aanbod heeft gedaan aan [gedaagden 3 en 4] waarbij aanvaarding geleid zou hebben tot volledige teruggave van de woning binnen redelijke termijn (per 9 juli 2026) doet daar niet aan af. Woonzorg wenst op goede gronden op korte termijn weer te beschikken over haar eigendom om deze, conform haar taak als toegelaten instelling op grond van de Woningwet, te kunnen verdelen. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.
Huurder
9. Voldoende aannemelijk is dat enkel LDH 2 de huurder is gelet op hetgeen daarover onder 1.4. en 1.9. is opgenomen. Dat betekent dat LDH 2 als contractspartij van Woonzorg heeft te gelden en alle vorderingen jegens LDH 1 moeten worden afgewezen.
Verhuurder
10. Woonzorg heeft gesteld dat [gedaagden 3 en 4] niet zou huren van [naam 5] maar van een in de huurovereenkomst opgenomen ‘intermediair’ De Hypotheekbeheerder. De kantonrechter passeert deze stelling. [naam 5] is in die huurovereenkomst opgenomen als Lessor (verhuurder) en ontving het geld van de verhuur. [naam 5] is de verhuurder.

Kwalificatie overeenkomst
11. De overeenkomst tussen Woonzorg en LDH 2 is geen overeenkomst bedrijfsruimte ex artikel 7:230a BW. Het betreft huur van een woonruimte waarin naast een huurelement een zorgelement in de vorm van het ter beschikking stellen van de ruimte voor zorg en begeleiding plaatsvindt. De overeenkomst kwalificeert als een gemengde overeenkomst als bedoeld in artikel 6:215 BW. Daarbij staat voorop wat de bedoeling van partijen is geweest bij aanvang van de overeenkomst en ook of zij nadien invulling zijn blijven geven aan die bedoeling. Vooropgesteld is dat partijen een overeenkomst hebben gesloten waarbij uitdrukkelijk het zorgelement overheerst ten opzichte van het huurelement en waarin huurbescherming expliciet is uitgesloten. De zorg is onlosmakelijk gekoppeld aan de woning in die zin dat bij beëindiging van de zorg de overeenkomst, inclusief het recht de woning te bewonen, eindigt. Dit geldt zowel voor de hoofdhuurovereenkomst als de overeenkomst tussen LDH 2 en [naam 5] . De stelling van [gedaagden 3 en 4] dat de zorg licht en ambulant was is niet onderbouwd en wordt gepasseerd. Dat de overeenkomst omgezet zou worden naar een huurovereenkomst, zonder zorgelement, bij het succesvol afronden van de ZDO is niet aan de orde in dit geval. De kwalificatie van de overeenkomsten tussen Woonzorg, LDH 2 en [naam 5] , van de zijde van [gedaagden 3 en 4] is in dit verband gelet op het voorgaande onjuist en dit verweer wordt gepasseerd.
11. Nu voldoende aannemelijk is dat in de overeenkomsten het zorgelement overheerst en het huurelement ondergeschikt is komt zowel aan LDH 2 als aan [naam 5] geen huurbescherming toe. De conversie van het Zonhofje arrest (ECLI:NL:HR:1985:AC9008) waarbij het huurregime van de bovenliggende overeenkomst(en) ‘van kleur verschiet’ naar overeenkomsten waarop de huurbeschermingsbepalingen van toepassing zijn, is reeds gelet op het voorgaande niet van toepassing ter zake van [gedaagden 3 en 4]
11. Ten overvloede overweegt de kantonrechte dat het in het Zonhofje arrest handelde om twee regimes, bedrijfsruimte ter zake van de hoofdhuurovereenkomst en woonruimte ter zake van de onderhuurovereenkomst, waarbij de contractspartijen over en weer op de hoogte waren van de contracten en daarmee ingestemd hadden. Hier heeft zich een derde, [naam 5] , onbevoegd als verhuurder opgeworpen hetgeen Woonzorg en LDH 2 niet in de gemengde overeenkomsten waarbij het zorgelement overheerst, hadden voorzien waardoor de conversie in voornoemd arrest eveneens niet opgaat. Tot slot is voldoende aannemelijk dat, zelfs indien geoordeeld zou worden dat de conversie wel van toepassing is en er bovendien sprake is van een huurovereenkomst, op grond van artikel 6:269 lid 2 a, c en d BW geen recht bestaat op huurbescherming. Ondanks verzoek daartoe van LDH 2, hebben [gedaagden 3 en 4] , zowel voorafgaande als tijdens deze procedure op geen enkele wijze onderbouwd wat hun inkomenspositie is en waarom zij in aanmerking zouden komen voor een huisvestingsvergunning dan wel een sociale huurwoning, gelet op hun omstandigheden. Tot slot zal het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om van Woonzorg te vergen dat zij de, onbevoegd aangegane, onderhuurovereenkomst voortzet met [gedaagden 3 en 4] gelet op de aard van de woning, de verdeling van schaarse sociale huurwoningen en het doel van de verhuur van woningen, namelijk het ter beschikking stellen van de woningen om zorg te laten verlenen via een ketenpartner.
11. Uit al het voorgaande volgt dat [gedaagden 3 en 4] zich niet kunnen beroepen op huurbescherming. De zorgovereenkomst/onderhuurovereenkomst is beëindigd per 13 februari 2026 zodat [gedaagden 3 en 4] zonder recht of titel in de woning verblijven. De gevorderde ontruiming is toewijsbaar met dien verstande dat de ontruimingstermijn wordt gesteld één maand na heden, dus uiterlijk op 31 augustus 2026. Daarmee zijn de belangen van het minderjarige kind ex artikel 3 IVRK voldoende meegewogen, als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2025.

Boete
15. De vordering ter zake van de boete wordt afgewezen. Daarbij is van belang dat Woonzorg zich beroept op schade die zij lijdt ten gevolge van het handelen van LDH 2. Niet in geschil is dat de overeenkomst is beëindigd in overleg met Woonzorg. LDH 2 heeft vervolgens getracht de schade te beperken door de hoofdhuurovereenkomst langer te laten voortduren, waarbij LDH 2 de huur zou blijven betalen zodat zij een oplossing kon vinden voor [gedaagden 3 en 4] en het minderjarige kind, hetgeen zij ook heeft getracht. Woonzorg heeft zich daartegen verzet. Dat is uiteraard haar goed recht maar thans is onvoldoende helderheid gegeven over de omstandigheden omtrent de opzegging, de rol van Woonzorg daarin en wat Woonzorg heeft gedaan om haar schade te beperken. Deze procedure leent zich naar haar aard niet voor nadere bewijslevering. Dat betekent dat thans onvoldoende aannemelijk is dat een bodemrechter deze boete zal toewijzen. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.
Ontruiming
16. Gelet op het voorgaande zal de ontruiming jegens [gedaagden 3 en 4] worden toegewezen als hierna te melden.
16. [naam 5] heeft de woning verlaten. Niet uitgesloten kan worden dat zich nog goederen van [naam 5] in de woning bevinden. Gelet daarop is de ontruiming jegens LDH 2 toewijsbaar als hierna te melden.
Gebruiksvergoeding
18. Door de weigeren van [gedaagden 3 en 4] om de woning te ontruimen lijdt Woonzorg schade. Deze schade bestaat uit het niet ontvangen van een gebruiksvergoeding gelijk aan de huur. Daarmee is [gedaagden 3 en 4] , nu zij geen huur meer betaalt aan [naam 5] , ongerechtvaardigd verrijkt. De gebruiksvergoeding en de daarover gevorderde wettelijke rente zijn toewijsbaar als hierna te melden.
Proceskosten
19. Bij deze uitkomst worden LDH 2 en [gedaagden 3 en 4] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van Woonzorg als hierna te melden. De proceskosten worden gecompenseerd ter zake van Woonzorg en LDH1.




BESLISSING
De kantonrechter:


veroordeelt [gedaagden 3 en 4] om de woning gelegen aan het adres [adres] met het hunne en de hunnen uiterlijk op 31 augustus 2026, te ontruimen en leeg en bezemschoon ter beschikking van Woonzorg te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;



veroordeelt [gedaagden 3 en 4] , hoofdelijk des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan Woonzorg van: a. € 926,48 aan gebruikersvergoeding per maand met ingang van 1 augustus 2026 tot aan de dag waarop de ontruiming plaatsvindt en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de respectieve vervaldata tot en met de dag der algehele voldoening;



veroordeelt LDH 2, voor zover zich vanaf 1 september 2026 nog goederen van [naam 5] in de woning gelegen aan het adres [adres] bevinden, om de woning te ontruimen en leeg en bezemschoon ter beschikking van Woonzorg te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde


veroordeelt [gedaagden 3 en 4] en LDH 2, hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Woonzorg begroot op:exploten € 303,88 (2x € 151,94)salaris € 577,00griffierecht € 139,00 -----------------totaal € 1.019,88voor zover van toepassing, inclusief btw,


veroordeelt [gedaagden 3 en 4] en LDH 2, hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde, één en ander, voor zover van toepassing, inclusief BTW;


compenseert de proceskosten tussen Woonzorg en LDH 1 in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;


verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Link naar deze uitspraak