|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:8774 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/781388 HA ZA 26-19 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Uitleg statuten. Geen statutaire grondslag voor het opleggen van de boete 'te laat'. Veroordeling tot betaling van het ingehouden boetebedrag. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | glastuinbouwbedrijf | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/781388 / HA ZA 26-19
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
DRENTHE FLOWERS B.V.,
gevestigd te Emmen,
eisende partij,
hierna te noemen: Drenthe Flowers,
advocaat: mr. R.J. Duursma,
tegen
COÖPERATIE ROYAL FLORAHOLLAND U.A.,
gevestigd te Aalsmeer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: RFH,
advocaat: mr. J.W. de Groot.
De zaak in het kort
Drenthe Flowers vordert betaling van € 61.029,64. Dat bedrag heeft RFH als boete opgelegd aan Drente Flowers en verrekend met de door haar aan Drenthe Flowers te betalen omzet. Die boete is opgelegd omdat Drenthe Flowers haar omzetcijfers met accountsverklaring over 2024 niet tijdig bij RFH heeft ingediend. Voor het opleggen van een boete moet een grondslag in de statuten staan. Die grondslag ontbreekt, zodat RFH niet bevoegd was om de boete op te leggen en zij het bedrag alsnog aan Drenthe Flowers zal moeten uitbetalen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 december 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 18 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 mei 2026 en de daarin vermelde stukken. Van deze mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Drenthe Flowers is een glastuinbouwbedrijf dat zich specialiseert in het kweken van potplanten. Zij doet zaken met het groot-, midden- en kleinbedrijf in Nederland en grote delen van Europa.
2.2.
RFH (in de volksmond: de bloemenveiling in Aalsmeer) is een coöperatie van sierteeltondernemers en een internationale sierteelt-marktplaats voor bloemen en planten. In 2024 had RFH 3.119 leden.
2.3.
Drenthe Flowers is tot en met 31 december 2025 lid geweest van RFH. Een lid is zowel over de planten die zij via (de veiling van) RFH verkoopt, als over de planten die zij buiten RFH om verkoopt, een vergoeding verschuldigd. De omzet die een lid via RFH behaalt met de verkoop van bloemen of planten wordt door RFH aan het betreffende lid doorbetaald. De omzet die buiten de veiling van RFH om wordt behaald wordt ook wel BVO-omzet genoemd. Een kweker kan ook als niet lid planten verkopen via RFH (niet-lid aanvoerder). Daarvoor gelden andere afspraken.
2.4.
In de statuten van RFH die van toepassing zijn op RFH en haar leden, staat, voor zover relevant, het volgende:“Artikel 5.
(…)
4.
Compensatie
a. De coöperatie kan hetgeen zij uit hoofde van deze statuten, reglementen of uit welken andere hoofde ook te eniger tijd van een lid of oud lid te vorderen heeft verrekenen met hetgeen de coöperatie aan dat lid of oud lid schuldig is, óók indien de vordering van het lid of oud lid op de coöperatie nog niet opeisbaar is.
(…)
Verplichtingen van de leden. Afrekenplicht. Informatie en Meldingsplicht
Artikel 18.
1. Door toetreding en/of voortzetting van hun lidmaatschap committeren de leden zich in woord en daad, mede ten behoeve van het succes van hun eigen onderneming:
zich actief in te spannen om de strategie(realisatie) van de coöperatie in het algemeen en die van het (digitale) platform van de coöperatie in het bijzonder tot een succes te maken en te houden, en
niet actief mee te werken aan het oprichten en/of versterken van andere platforms en/of veilingen die ten koste kunnen gaan van het platform van de coöperatie.
Door toetreding onderwerpen de leden zich voorts aan alle bepalingen van deze statuten en aan alle voorschriften, reglementen en verdere besluiten van de coöperatie.
2. De leden zijn, behoudens het in lid 4 van dit artikel bepaalde, verplicht:a. hun beschikbare commerciële aanbod (het deel van de voorraad dat de aanbieder beschikbaar stelt voor verkoop) op het platform te plaatsen, voor algemene verkoop of specifieke levering voor klanten via de infrastructuur van het platform tegen minimaal dezelfde voorwaarden als andere kanalen (inclusief directe VMP/EDI-verbindingen, mail, andere platforms en webshops) waarmee zij deze voorraad in de markt zouden zetten;
b. transacties via andere platforms, individuele webshops, telefoon of e-mail in mindering te brengen op de beschikbare gepubliceerde voorraad op het platform van de coöperatie, en
c. alle op hun bedrijf geheel of gedeeltelijk geteelde of samengestelde sierteeltproducten door of door toedoen van de coöperatie af te rekenen.
(…)
3. 3. Ieder lid kan voorafgaand aan het boekjaar aangeven van welk pakket, als bedoeld in artikel 16 lid 1, hij gebruik wenst te maken, zulks met inachtneming van het daarvoor geldende tarief en de bijbehorende voorwaarden.Indien een lid zijn keuze niet heeft kenbaar gemaakt, besluit de directie van Royal FloraHolland welk pakket voor hem van toepassing is. Ingeval een lid behoort tot een groep als bedoeld in artikel 4, dan geldt deze keuze voor de gehele groep. De directie kan van deze groepsverplichting ontheffing verlenen en aan deze ontheffing voorwaarden verbinden.
4. 4. De directie kan van de aanbiedings- en afrekenplicht ontheffing verlenen en aan deze ontheffing voorwaarden verbinden. Worden de voorwaarden niet vervuld, dan geldt de ontheffing als niet te zijn verleend.
5. 5. Op schriftelijk verzoek van de coöperatie verstrekken leden aan de coöperatie een schriftelijke verklaring omtrent hun omzet aan sierteeltproducten en wel in de door de directie voor te schrijven vorm en binnen de door de directie vast te stellen termijn. Voorts kan de directie ter controle op de naleving van de afrekenplicht aan de leden de verplichting opleggen een accountantsverklaring, opgesteld door een registeraccountant, aan de coöperatie over te leggen waaruit de gerealiseerde omzet van het bij het betrokken lid in exploitatie zijnde bedrijf moet kunnen worden vastgesteld. De kosten aan deze controle verbonden zullen alléén dan voor rekening van de coöperatie zijn indien mocht blijken dat de betrokkene niet heeft gehandeld in strijd met zijn verplichtingen jegens de coöperatie.
(…)
Sanctie. Boeten. Naheffingen
Artikel 19.
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 12 (ontzetting) en artikel 14 lid 2 (schorsing) is de directie bevoegd om aan een lid dat in strijd handelt met het bepaalde in lid 1, 2 en 3 van artikel 18 een of meer boeten op te leggen, tot een door de raad van commissarissen vast te stellen (maximum)bedrag.
(…)
7. 7. De raad van commissarissen stelt het sanctiebeleid en de in dit artikel bedoelde (maximum) boetebedragen vast en zorgt ervoor dat dit ter kennis van de leden wordt gebracht en voor deze kenbaar is.”
2.5.
RFH heeft een sanctiebeleid opgesteld. In dat sanctiebeleid staat dat RFH een boete kan opleggen van 1% van de omzet die via RFH door een lid wordt verdiend, als een lid haar BVO-omzet niet opgeeft. Verder staat in het sanctiebeleid dat in deze zaak van toepassing is een boete van 2% op het te laat opgeven van de BVO-omzet (hierna: boete ‘te laat’).
2.6.
Op 21 januari 2025 en 13 maart 2025 heeft RFH haar leden verzocht om tijdig (aanvankelijk uiterlijk op 31 maart 2025 en daarna uiterlijk op 30 april 2025) de BVO-omzet over 2024 op te geven. Per e-mail van 14 juli 2025 heeft RFH Drenthe Flowers bericht dat de deadline voor het opgeven van de BVO-omzet (met accountantsverklaring) voor Drenthe Flowers is verschoven. De deadline voor de BVO-omzet van 2023 werd verschoven naar 31 juli 2025, en de deadline voor de BVO-omzet van 2024 wijzigde naar 30 juli 2025. Drenthe Flowers heeft de gevraagde informatie niet tijdig aangeleverd.
2.7.
Op 5 september 2025 heeft RFH Drenthe Flowers een brief gestuurd met daarin, voor zover relevant, het volgende:“Ondanks de vele verzoeken om u te laten meewerken aan het EY accountantsonderzoek BVO 2023 en de BVO opgave 2024 tijdig binnen te krijgen, komen wij helaas tot de conclusie, dat u geen enkele medewerking heeft verleend aan uw statutaire verplichtingen bij Royal FloraHolland. (…)Door uw handelen voldoet u niet langer aan de verplichtingen die horen bij het lidmaatschap van Royal FloraHolland. Hierdoor rest ons niets anders dan een verzoek tot ontzetting uit het lidmaatschap conform artikel 12 van de Statuten bij de Directie van Royal FloraHolland neer te leggen. (…)”
2.8.
Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat Drenthe Flowers het lidmaatschap zou opzeggen en de relatie per 1 januari 2026 zou worden omgezet naar niet-lid aanvoerderschap. Partijen hebben uitvoering gegeven aan die afspraken. Vanaf 1 januari 2026 is Drenthe Flowers daarom niet meer gehouden om haar BVO-omzet aan RFH op te geven en daarover af te rekenen.
2.9.
Op 9 september 2025 heeft RFH Drenthe Flowers bericht dat Drenthe Flowers is geselecteerd om mee te werken aan het EY (Ernst & Young) accountantsonderzoek ter controle van de BVO opgave over 2024. In deze e-mail wijst RFH erop dat uit het onderzoek twee resultaten kunnen komen:“1. U heeft geen BVO of u heeft uw BVO 2024 al eerder correct doorgegeven aan Royal FloraHolland. In dat geval krijgt u een vergoeding van de door u gemaakte kosten voor het laten invullen van deze documenten. (…)
2.
U heeft uw BVO nog niet (geheel) opgegeven aan Royal FloraHolland.
U krijgt van ons bericht hoeveel naheffing wij alsnog in rekening brengen. De kosten bedragen de normale BVO afrekening (provisie die u ook betaald voor directe handel, BBH heffing en vermogensbijdrage)
+ een “toeslag te laat” van 2%.
Tevens heeft u geen recht op een onkostenvergoeding.”
2.10.
Op 18 september 2025 heeft de accountant van Drenthe Flowers de omzetverklaringen over de boekjaren 2023 en 2024 aan RFH toegestuurd. De BVO-omzet over 2023 bedroeg € 3.027.073,00 en over 2024 bedroeg de BVO-omzet € 3.066.338,00.
2.11.
Per e-mail van 19 september 2025 heeft RFH op de omzetverklaringen gereageerd:
“De accountantsopgave van Drenthe Flowers over 2023 is in lijn met de eerder aan Jos van Tiel medegedeelde en al afgerekende BVO omzet. Deze is daarmee ook akkoord. De opgelegde boete van 27 februari 2025 voor het niet meewerken aan dit onderzoek t.w.v.
€ 26.703 zal ik volgende week donderdag crediteren via de dienstenfactuur.
De accountantsopgave van Drenthe Flowers over 2024 geeft een BVO omzet aan, die nog niet eerder gedeeld is met Royal FloraHolland.
De betreffende BVO omzet van €3.066.338 zal ik a.s. woensdag 24 september invoeren en de afrekening hiervan staat op donderdag 25 september op de productafrekening en dienstenfactuur.
Daarmee is het EY accountantsonderzoek over 2023 en 2024 afgerond.”
2.12.
Op het weekoverzicht van 26 september 2025 is een “Toeslag te laat inleveren BVO” (hierna: de boete) opgelegd van € 61.029,64. De boete ziet op de BVO-omzet over 2024. Het bedrag van de boete is ingehouden op de door Drenthe Flowers via RFH gerealiseerde omzet over de periode van 20 tot en met 26 september 2025.
2.13.
Op 21 oktober 2025 heeft Drenthe Flowers een brief aan RFH gestuurd over de boete. Drenthe Flowers heeft zich in die brief op het standpunt gesteld dat voor het opleggen van de boete geen grondslag bestaat, omdat de statuten enkel bepalen dat een boete kan worden opgelegd voor een schending van artikel 18, lid 1 tot en met 3 statuten, terwijl het meewerken aan het accountantsonderzoek geregeld is in artikel 18 lid 5 statuten.
2.14.
Per brief van 22 oktober 2025 heeft RFH als volgt gereageerd:
“De verplichting om medewerking te verlenen aan het jaarlijkse accountantsonderzoek en de daarvoor benodigde informatie tijdig te verstrekken, is rechtstreeks verankerd in artikel 18 lid 5 van de statuten van RFH. (…) Deze informatieplicht dient ter naleving en controle van de afrekenplicht zoals omschreven in de lid 2 van datzelfde artikel. Niet naleving vormt daarmee handelen in strijd met de in artikel 18 opgenomen kernverplichtingen van onze coöperatie.
Op grond van artikel 19 lid 1 van de statuten is de directie bevoegd aan een lid dat handelt in strijd met het bepaalde in artikel 18 leden 1, 2 of 3 een boete op te leggen tot een door de Raad van Commissarissen vastgesteld maximum. De Raad van Commissarissen heeft het bijbehorende sanctie- en boetebeleid overeenkomstig artikel 19 lid 7 vastgesteld. De daarin opgenomen standaardtoeslag van 2% voor het te laat aanleveren van de BVO-opgave is toegepast op de wijze die in dat beleid is voorzien.”
2.15.
RFH is niet overgegaan tot betaling van het bedrag van de ingehouden boete.
3Het geschil
3.1.
Drenthe Flowers vordert - samengevat - veroordeling van RFH tot betaling van € 61.029,64, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van RFH in de kosten van de procedure.
3.2.
Drenthe Flowers legt aan haar vordering ten grondslag dat RFH niet bevoegd is om een boete ‘te laat’ op te leggen. Voor het opleggen van een boete is een statutaire grondslag vereist. Artikel 19 lid 1 statuten geeft RFH enkel de bevoegdheid om aan haar leden een boete op te leggen bij een schending van artikel 18, lid 1 tot en met 3 statuten. De boete ‘te laat’ is echter gebaseerd op een schending van artikel 18 lid 5 statuten. Nu de bevoegdheid om een boete op te leggen bij overtreding van artikel 18 lid 5 statuten ontbreekt, mocht RFH de boete niet opleggen en verrekenen.
3.3.
RFH voert verweer. RFH concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Drenthe Flowers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Drenthe Flowers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Drenthe Flowers in de kosten van deze procedure.
3.4.
RFH voert daartoe aan dat de boete wel een statutaire grondslag heeft. In samenhang gelezen vormen de statutaire verplichtingen uit artikel 18 lid 1 (algemene onderwerping), artikel 18 lid 2 sub c (hierna: afrekenplicht), artikel 18 lid 5 (hierna: meldingsplicht) en artikel 19 lid 1 en 7 (sanctiebevoegdheid met beleidskader) één sluitend stelsel. Binnen dat stelsel is een te late BVO-opgave een schending die met een boete kan worden gesanctioneerd. Van belang is dat de relevante verplichtingen en de mogelijkheid om boetes op te leggen in de statuten staan, en dat de statuten toestaan dit beleid nader uit te werken. De verplichting om de omzet tijdig op te geven is voorts een uitwerking van de afrekenplicht. Omdat lid 5 dus een uitwerking is van lid 2, hoeft een schending van lid 5 niet afzonderlijk in de statuten benoemd te worden als boetewaardig. Zonder de meldingsplicht kan de afrekenplicht ook niet worden gehandhaafd.
3.5.
Subsidiair voert RFH aan dat geen wettelijke handelsrente verschuldigd is, omdat de gevorderde betaling geen betalingsverplichting is die voortvloeit uit een handelsovereenkomst maar hooguit een afwikkeling is van een betwiste boete. Ook betwist RFH dat de wettelijke (handels)rente vanaf 28 oktober 2025 verschuldigd is.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Kern van het geschil is of RFH bevoegd was de boete ‘te laat’ aan Drenthe Flowers op te leggen voor het niet tijdig voldoen aan de meldingsplicht over 2024. Dát Drenthe Flowers te laat was met het indienen van haar BVO-omzet over 2024 met accountantsverklaring, en daarmee in strijd met artikel 18 lid 5 statuten heeft gehandeld, is door Drenthe Flowers onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft wel gesteld dat zij de cijfers tijdig heeft overgelegd en dat enkel de accountantsverklaring te laat was, maar heeft dat niet onderbouwd. Dat de opgave te laat is gedaan staat daarmee vast. Niet in geschil is dat RFH, als zij bevoegd was de boete op te leggen, die boete mocht verrekenen met de aan Drenthe Flowers toekomende omzet.
Toetsingskader
4.2.
Artikel 2:27 lid 4 aanhef en onder c Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt (via artikel 2:53a BW) dat de statuten de verplichtingen moeten bevatten die de leden tegenover de coöperatie hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd. Verder bepaalt artikel 2:34a BW dat voor verbintenissen die aan het lidmaatschap kunnen worden verbonden, een statutaire basis moet bestaan. Een vermogensrechtelijke verplichting moet dus teruggevoerd kunnen worden op een (specifieke) statutaire bepaling. Dat de boete ‘te laat’ is opgenomen in het sanctiebeleid van RFH maakt op zichzelf dus niet dat RFH bevoegd is tot het opleggen daarvan. De achtergrond daarvan is dat iemand die lid wordt van de coöperatie moet weten welke verplichtingen hij heeft of aan hem kunnen worden opgelegd. Dat betekent niet dat een op te leggen boete in de statuten al geheel uitgewerkt moet zijn. Aan de eis dat een verplichting van de leden is opgenomen in de statuten is voldaan als de verplichting voor de leden uit de statuten kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn.
4.3.
In de statuten staat niet letterlijk dat bij overtreding van de meldingsplicht (het te laat doorgeven van de BVO-omzet) een boete kan worden opgelegd. In artikel 19 lid 1 is namelijk opgenomen voor welke verplichtingen bij de niet-naleving daarvan een boete kan worden opgelegd (namelijk de verplichtingen die in artikel 18 lid 1 tot en met 3 staan), maar de meldingsplicht (artikel 18 lid 5) als zodanig is daarbij niet genoemd. Dat betekent dat uitleg van de statuten moet plaatsvinden om te beoordelen of de statuten een grondslag voor de boete ‘te laat’ bieden.
4.4.
Bij de uitleg van statuten zijn de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die statuten, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Het komt daarbij niet aan op een grammaticale of louter taalkundige uitleg, maar op het vaststellen van de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen. Daarbij dient, naast de taalkundige betekenis, ook acht te worden geslagen op de kenbare ratio, strekking en systematiek van de regeling waartoe de bepaling behoort, en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden (cao-norm).
Geen statutaire grondslag
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat in de statuten geen algemene boetebevoegdheid staat. Weliswaar bepaalt artikel 19 lid 7 statuten dat de raad van commissarissen een sanctiebeleid opstelt en de maximum boetebedragen vaststelt, maar gezien de bewoordingen van lid 7 (“(…)stelt het sanctiebeleid en de in dit artikel bedoelde (maximum) boetebedragen vast(…)”), ziet lid 7 op de boetes die hun grondslag vinden in artikel 19. Artikel 19 lid 1 verwijst daarbij weliswaar naar artikel 18 lid 1, waarin staat dat de leden zich door toetreding onderwerpen aan alle bepalingen van de statuten en aan alle voorschriften, reglementen en verdere besluiten van de coöperatie, maar dat is een zó algemene verplichting dat daarin geen statutaire grondslag kan worden gevonden voor het opleggen van de boete ‘te laat’. Een dergelijke ruime interpretatie zou afdoen aan het wettelijke voorschrift (artikel 2:27 lid 4 sub c BW) om de verplichtingen van de leden van de coöperatie in de statuten vast te leggen, en ook aan de bedoeling daarvan, namelijk dat een (aspirant) lid bij het aangaan van een lidmaatschap moet weten welke verplichtingen aan hem kunnen worden opgelegd. Van een boetebevoegdheid wegens schending van de algemene verplichting van artikel 18 lid 1 statuten is naar objectieve maatstaven dan ook geen sprake.
4.6.
RFH stelt verder dat de bevoegdheid om de boete ‘te laat’ op te leggen kan worden gevonden in de samenhang tussen artikel 18 en 19 statuten. Zij wijst daarbij met name op de samenhang tussen de meldingsplicht (artikel 18 lid 5 statuten) en de afrekenplicht (artikel 18 lid 2 statuten). Dat de bevoegdheid om een boete op te leggen bij overtreding van artikel 18 lid 1 tot en met 3 statuten wél expliciet in de statuten is opgenomen is naar het oordeel van de rechtbank echter een aanwijzing dat die bevoegdheid uitdrukkelijk is beperkt tot die leden. Artikel 18 lid 5 stond bovendien ook al in de eerste versie van de statuten, zodat het ervoor moet worden gehouden dat er bij het opstellen van de statuten bewust voor is gekozen om enkel in de statuten op te nemen dat een boete kan worden opgelegd bij overtreding van lid 1 tot en met 3 van artikel 18 statuten. Dat pleit voor een uitleg conform de bewoordingen van de statuten. Die bewoordingen zijn weliswaar niet doorslaggevend maar wegen wel mee. Voor de hiervoor bedoelde uitleg pleiten ook de volgende argumenten.
4.7.
Lid 1 van artikel 19 statuten geeft RFH de bevoegdheid een boete aan een lid op te leggen bij overtreding van artikel 18, lid 1 tot en met 3 statuten. Vaststaat dat het niet afrekenen van BVO-omzet in strijd is met artikel 18 lid 2 statuten en dat daarvoor een boete kan worden opgelegd. Om BVO-omzet te kunnen afrekenen (lid 2) is vereist dat een lid opgave doet van zijn BVO-omzet (lid 5). In zoverre hangen lid 2 en lid 5 samen. Daarmee is echter nog niet gegeven dat de bevoegdheid om bij de overtreding van lid 2 een boete op te leggen, zich ook uitstrekt tot lid 5. Terecht heeft Drenthe Flowers erop gewezen dat, hoewel lid 2 en lid 5 samenhangen, deze wel twee verschillende verplichtingen bevatten. Lid 2 verplicht een lid immers om af te rekenen over de BVO-omzet, terwijl lid 5 verplicht om die BVO-omzet, binnen een door de directie voor te schrijven termijn, op te geven.
4.8.
De boete ‘te laat’ is ook geen (nadere) invulling van artikel 18 lid 2, maar ziet uitdrukkelijk op artikel 18 lid 5. RFH heeft immers in haar sanctiebeleid twee verschillende boetes opgenomen, één voor de overtreding van de afrekenplicht uit lid 2, en één voor de overtreding van de meldingsplicht van lid 5. Het te laat opgeven van BVO-omzet wordt dus volgens het sanctiebeleid ook niet beschouwd als of gelijkgesteld aan ‘niet afrekenen’.
4.9.
Het niet kunnen opleggen van een boete bij het te laat opgeven van de BVO-omzet maakt bovendien niet, anders dan RFH heeft aangevoerd, dat RFH daar geen consequenties aan kan verbinden. RFH heeft immers de mogelijkheid om leden die niet afrekenen over de BVO-omzet een boete op te leggen. Daarnaast kan RFH een lid dat in strijd met de statuten handelt schorsen (artikel 14) of uit het lidmaatschap ontzetten (artikel 12). Het systeem als geheel geeft daarom geen aanleiding om de statuten zo uit te leggen dat bij overtreding van artikel 18 lid 5 een boete mag worden opgelegd.
4.10.
Gelet op het feit dat de statuten geen algemene bevoegdheid bevatten om een boete op te leggen, artikel 18 lid 5 statuten uitdrukkelijk niet is genoemd in artikel 19 lid 1 statuten (waarin de bevoegdheid om een boete op te leggen is geregeld), de boete ‘te laat’ geen invulling is van de afrekenplicht en de statuten wel een grondslag bieden voor andere sancties bij overtreding van die statuten, is de door RFH voorgestane uitleg dat een boete mag worden opgelegd bij overtreding van artikel 18 lid 5 niet aannemelijk.
4.11.
De conclusie van het voorgaande is dat de statuten geen grondslag bieden voor het opleggen van een boete bij het te laat opgeven van BVO-omzet. RFH mocht de boete dan ook niet aan Drenthe Flowers opleggen. Dat betekent dat RFH het ten onrechte verrekende bedrag van € 61.029,64 alsnog aan Drenthe Flowers zal moeten uitbetalen.
Wettelijke handelsrente
4.12.
Drenthe Flowers vordert de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over de hoofdsom. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. RFH levert tegen een vergoeding een dienst (o.a. een platform voor de verkoop van de planten van Drenthe Flowers), waarna RFH de aan Drenthe Flowers toekomende omzet moet uitbetalen. Dat de grondslag van de betalingsverplichting van RFH gelegen is in het lidmaatschap van Drenthe Flowers van RFH staat niet aan dat oordeel in de weg (ECLI:NL:HR:2024:241). Aan voornoemde betalingsverplichting heeft RFH niet volledig voldaan door ten onrechte het bedrag van de boete daarop in te houden. Over dat bedrag is zij dan ook de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW verschuldigd.
4.13.
Drenthe Flowers heeft RFH op 21 oktober 2025 gesommeerd om het bedrag van de opgelegde boete aan haar te betalen. Anders dan Drenthe Flowers stelt is voor de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente geen verzuim vereist maar moet de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:119a BW. Drenthe Flowers heeft niet gesteld dat een uiterste betaaldag is overeengekomen voor de door RFH aan Drenthe Flowers af te dragen omzet en er is geen sprake van de ontvangst van een factuur, maar de brief van 21 oktober 2025 kan worden beschouwd als een met een factuur vergelijkbaar betalingsverzoek (ECLI:NL:HR:2016:3398), zodat de wettelijke handelsrente vanaf 21 november 2025 verschuldigd is.
Buitengerechtelijke kosten
4.14.
Drenthe Flowers vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is echter niet gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is RFH in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst waarbij de wettelijke betalingstermijn van artikel 6:119a BW is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht.
Uitvoerbaar bij voorraad en stellen van zekerheid
4.15.
Drenthe Flowers heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. RFH heeft daartegen aangevoerd dat sprake is van een reëel restitutierisico indien RFH in hoger beroep gaat en het vonnis tussentijds wordt geëxecuteerd, omdat terugbetaling na een eventuele vernietiging van het vonnis in hoger beroep niet zonder meer is gewaarborgd.
4.16.
Bij beantwoording van de vraag of een vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, moet een belangenafweging plaatsvinden. Drenthe Flowers wordt vermoed belang te hebben bij de uitvoerbaarverklaring nu het vonnis ziet op de betaling van een geldsom. RFH stelt een restitutierisico te lopen, maar heeft het bestaan van een restitutierisico, tegenover de gemotiveerde betwisting door Drenthe Flowers onder verwijzing naar haar omzetcijfers, niet onderbouwd. Het belang van Drenthe Flowers weegt daarom zwaarder. De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan de voorwaarde te verbinden dat Drenthe Flowers voor enig bedrag zekerheid stelt, nu RFH geen omstandigheden heeft gesteld die de verlangde zekerheidstelling kunnen rechtvaardigen.
Kosten
4.17.
RFH is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Drenthe Flowers worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
3.083,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.974,35
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt RFH om aan Drenthe Flowers te betalen een bedrag van € 61.029,64, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt RFH om aan Drenthe Flowers te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt RFH in de proceskosten van € 5.974,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als RFH niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt RFH tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Higler-Huisman en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|