Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:9739 
 
Datum uitspraak:30-09-2026
Datum gepubliceerd:02-10-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:C/13/774736
Rechtsgebied:Burgerlijk procesrecht
Indicatie:WAMCA. Eerste fase en ontvankelijkheid bij de burgerlijke rechter. Ontvankelijkheid van individuele eisers naast de WAMCA-vordering van Amnesty. Algeheel demonstratieverbod in Amsterdam op grond van de “Noodverordening Ongeregeldheden 7 en 8 november” en de “Noodverordening Ongeregeldheden 10 november”. De eisende partijen vorderen een verklaring voor recht dat de gemeente Amsterdam onrechtmatig heeft gehandeld en een verbod om voor meerdere dagen een algeheel demonstratieverbod uit te vaardigen voor alle demonstraties in de gehele stad, behalve in een algemene noodtoestand en binnen de strikte vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit. De rechtbank verklaart de eisende partijen ontvankelijk in hun vorderingen bij de burgerlijke rechter. Het demonstratieverbod in de noodverordeningen gold rechtstreeks voor iedereen in Amsterdam en kwam niet eerst tot toepassing door een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar was. Bij de bestuursrechter staat geen beroep open tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. Het is niet nodig dat Amnesty de belangen en groep van personen waarvoor zij opkomt nader concretiseert, want het demonstratierecht komt een ieder toe. Amnesty heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen. De individuele eisers hebben gelijkluidende, maar eigen vorderingen ingesteld. Zij zijn géén partij in de collectieve procedure van Amnesty en beogen dat ook niet. Zij hebben een eigen belang, dat mede bestaat uit de mogelijkheid desgewenst hun eigen processtrategie te bepalen. Zij treden naast elkaar op en de rechtsvorderingen behouden hun materiële en processuele zelfstandigheid. Het procesrecht verbiedt dat niet, ook niet in een procedure waarin een collectieve vordering wordt ingesteld. De rechtbank geeft geen toepassing aan de voorschriften om te beoordelen wat de collectieve vordering inhoudt, voor welke nauw omschreven groep personen deze is ingesteld en de zogenoemde opt-out-mogelijkheid. Deze voorschriften zijn niet toegesneden op een collectieve procedure die beoogt de onrechtmatigheid van een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen. Evenmin wijst de rechtbank een exclusieve belangenbehartiger aan. Wel stelt zij een termijn voor het beproeven van een overeenkomst.
Trefwoorden:bestuursdwang
burgerlijk wetboek
derogatie
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/774736 / HA ZA 25-1427


Vonnis van 30 september 2026


in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

AMNESTY INTERNATIONAL, AFDELING NEDERLAND,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij op de voet van artikel 3:305a BW,
hierna te noemen: Amnesty,
advocaten: mr. J. Klaas en mr. M.B. Hendrickx,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaten: mr. R. Verduijn en mr. Liauw-A-Joe,

en in de zaken van




1
[eiser 1] ,
wonende te [woonplaats 1],2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats 2],3. [eiser 3] ,
wonende te [woonplaats 3],4. [eiser 4] ,
wonende te [woonplaats 4],5. [eiser 5] ,
wonende te [woonplaats 5],
6. [eiser 6] ,
wonende te [woonplaats 6],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaten: mr. J. Klaas en mr. M.B. Hendrickx,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaten: mr. R. Verduijn en mr. Liauw-A-Joe.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 augustus 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord inzake ontvankelijkheid ex artikel 1018c lid 5 Rv van 7 januari 2026;
- het tussenvonnis van 25 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte uitlating ontvankelijkheid van de eisende partijen van 8 juli 2026;
- de akte uitlatingen van de gemeente van 8 juli 2026;
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026 en de daarin vermelde stukken.



1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Amnesty is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid met (volgens haar jaarverslag 2023) 262.930 leden en een achterban van 457.498 belangstellenden. Volgens haar statuten streeft Amnesty naar een wereld waarin iedereen alle rechten geniet die zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere internationale mensenrechtendocumenten, zoals verdragen, verklaringen en richtlijnen. Amnesty zet zich binnen Nederland in voor een betere waarborging van het demonstratierecht. Amnesty beoogt niet het maken van winst.



2.2.
De burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) heeft op 8 november 2024 de “Noodverordening Ongeregeldheden 7 en 8 november” (hierna: de eerste noodverordening) bekendgemaakt en zij heeft op 10 november de “Noodverordening Ongeregeldheden 10 november” (hierna: de tweede noodverordening) bekendgemaakt. De eerste noodverordening gold van 8 november 2024 om 19.00 uur tot 11 november 2024 om 7.00 uur. De tweede noodverordening gold van 11 november 2024 om 7.00 uur tot 14 november 2024 om 12.00 uur. De beide noodverordeningen behelsden onder meer een verbod om in Amsterdam een betoging of vergadering te houden op of aan de openbare weg of op het openbaar vaarwater. In de tweede noodverordening was bepaald dat het verbod niet gold voor door de burgemeester te bepalen (categorieën van) gevallen.



2.3.
Het merendeel van [eisers] was als deelnemer of waarnemer betrokken bij een demonstratie in de periode dat de noodverordeningen golden en is daarbij door de politie aangehouden en afgevoerd tot buiten (of net binnen) de stadsgrens. In sommige gevallen is daarbij geweld gebruikt. Eén van hen had graag willen demonstreren in de betreffende periode maar heeft daarvan afgezien vanwege het demonstratieverbod en de vrees voor vervolging.



2.4.
Amnesty heeft op 28 november 2024 een brief gestuurd aan de burgemeester. In deze brief heeft Amnesty de burgemeester verzocht publiekelijk te erkennen dat het in de noodverordeningen neergelegde demonstratieverbod onrechtmatig was en om daarover binnen een termijn van twee weken in overleg te treden. In een schriftelijke reactie van 20 december 2024 heeft de burgemeester het belang van het demonstratierecht onderstreept en heeft zij toegelicht dat vanwege specifieke omstandigheden een beperking noodzakelijk werd geacht, zodat zij niet aan het verzoek van Amnesty zal voldoen.





3Het geschil


3.1.
Amnesty en [eisers] (hierna samen ook: de eisende partijen) vorderen dat de rechtbank (hieronder letterlijk weergegeven in cursief):


1. voor recht verklaart dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door van 8 november 2024 om 19:00 uur tot 11 november 2024 om 07:00 uur alle


demonstraties in heel Amsterdam te verbieden;


2. voor recht verklaart dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door van 11 november 2024 om 07:00 uur tot 14 november 2024 om 12:00 uur alle


demonstraties in heel Amsterdam te verbieden en slechts na ontheffing toe te


staan;


3. voor recht verklaart dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door voor


meerdere dagen een algeheel demonstratieverbod uit te vaardigen voor alle


demonstraties in de gehele stad terwijl niet ook formeel op grond van artikelen 4


IVBPR en artikel 15 EVRM is afgeweken van het demonstratierecht, waarbij:


• sprake is van een algemene noodtoestand, die formeel is uitgeroepen conform


artikel 103 Grondwet, artikel 4 IVBPR en artikel 15 EVRM en waarvan notificatie


is gedaan; én


• de derogatie en het demonstratieverbod voldoen aan de strikte vereisten van


noodzakelijkheid en proportionaliteit;


4. aan de Gemeente verbiedt om voor meerdere dagen een algeheel


demonstratieverbod uit te vaardigen voor alle demonstraties in de gehele stad als


niet ook formeel op grond van artikel 4 IVBPR en artikel 15 EVRM is afgeweken


van het demonstratierecht, waarbij:


• sprake is van een algemene noodtoestand, die formeel is uitgeroepen conform


artikel 103 Grondwet, artikel 4 IVBPR en artikel 15 EVRM en waarvan notificatie


is gedaan; én


• de derogatie en het demonstratieverbod voldoen aan de strikte vereisten van


noodzakelijkheid en proportionaliteit;


5. de Gemeente veroordeelt tot betaling van de kosten van dit geding, te


vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen


na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten


niet binnen die termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over


de (na)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis;


een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.




3.2.
De gemeente heeft, gelet op de laatste zin van artikel 1018c lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), volstaan met de verweren die betrekking hebben op de onderwerpen als bedoeld in artikel 1018c lid 5 onder a t/m c Rv. Vervolgens heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich eveneens uit te laten over andere relevante vragen van ontvankelijkheid, zoals de vraag of de burgerlijke rechter de aangewezen rechter is om het geschil te beoordelen en of [eisers] naast Amnesty in de procedure kunnen optreden, alsmede over de voorschriften van de artikelen 1018e tot en met 1018f Rv. Partijen hebben zich daarover in de aktes van 8 juli 2026 en op de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026 uitgelaten.



3.3.
De gemeente voert ten eerste aan dat (enkele van) de vorderingen van de eisende partijen niet-ontvankelijk zijn omdat een bijzondere, met voldoende waarborgen omklede, rechtsgang bij de bestuursrechter heeft opengestaan. De gemeente voert ten tweede aan dat Amnesty niet benoemt jegens wie de gemeente onrechtmatig zou hebben gehandeld, dat de vorderingen te algemeen zijn en dat de groep en de belangen waarvoor Amnesty optreedt onvoldoende concreet zijn beschreven. Zij voert ten derde aan dat een collectieve vordering van Amnesty niet efficiënter en effectiever is dan een individuele vordering. Ten aanzien van [eisers] voert de gemeente aan dat zij geen belang hebben bij hun vorderingen en niet-ontvankelijk zijn.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


Ontvankelijkheid vorderingen bij de burgerlijke rechter



4.1.
Artikel 112 lid 1 Grondwet bepaalt dat aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen. Dit brengt mee dat de burgerlijke rechter bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen waaraan de eiser ten grondslag heeft gelegd dat jegens hem een onrechtmatige daad is gepleegd, ook indien deze daad bestaat in handelen of nalaten van de overheid. Wanneer de bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van een geschil, doet dit op zichzelf niet af aan de bevoegdheid van de burgerlijke rechter op grond van artikel 112 lid 1 Grondwet. Wel moet de burgerlijke rechter de eiser of verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering of verzoek wanneer de bestuursrechtelijke procedure ter zake van het geschil voldoende rechtsbescherming biedt (zie HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1866, rov. 3.1.2). Ook uit artikel 70 Rv volgt dat de burgerlijke rechter de eiser in dat geval niet-ontvankelijk verklaart. Omdat dit recht van openbare orde betreft, toetst de rechter de hier bedoelde ontvankelijkheid zo nodig ambtshalve.



4.2.
De taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter geldt niet alleen in individuele procedures maar ook in collectieve acties als bedoeld in artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (BW). In gevallen waarin de rechtsbescherming van individuele belanghebbenden is opgedragen aan de bestuursrechter, kan de enkele bundeling van hun belangen door een rechtspersoon niet ertoe leiden dat voor die rechtspersoon de weg naar de civiele rechter komt open te staan. Een belangenorganisatie is onder meer wél ontvankelijk in een collectieve actie bij de civiele rechter indien zij (i) opkomt voor de belangen van personen die ter zake geen rechtsingang hebben bij de bestuursrechter, inclusief de gevallen waarin het bewandelen van de bestuursrechtelijke weg niet van belanghebbenden kan worden gevergd, of voor zover zij (ii) opkomt voor een eigen belang ter zake waarvan zij niet bij de bestuursrechter zou kunnen opkomen (zie HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314, en HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296).



4.3.
De rechtbank oordeelt dat de eisende partijen in hun vorderingen ontvankelijk zijn bij de burgerlijke rechter en licht dat hieronder toe.


4.4.
Het demonstratieverbod in de beide noodverordeningen van de burgemeester was een algemeen verbindend voorschrift. Op grond van artikel 8:3 lid 1, aanhef en onder a, Algemene wet bestuursrecht staat geen beroep open tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. De bestuursrechter heeft echter de mogelijkheid om algemeen verbindende voorschriften te toetsen aan regels van hogere orde en algemene rechtsbeginselen indien deze algemeen verbindende voorschriften ten grondslag zijn gelegd aan een besluit waarvan bij hem beroep openstaat (exceptieve toetsing). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1049, rov. 4.2.2) overwogen dat deze mogelijkheid meebrengt dat een belanghebbende in de bestuursrechtelijke rechtsgang voldoende rechtsbescherming geniet in een geval “waarin het betrokken voorschrift eerst tot toepassing komt door een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar is en de belanghebbende de werking van dat voorschrift uitsluitend ondervindt langs de weg van een daarop gebaseerd besluit”. In zo’n geval is eiser in een vordering bij de burgerlijke rechter niet ontvankelijk. In die uitspraak overweegt de Hoge Raad echter ook dat die regel niet geldt in het geval “dat de belanghebbende de werking van het betrokken voorschrift rechtstreeks ondervindt”. In dat geval is de belanghebbende in beginsel wel ontvankelijk in een vordering bij de burgerlijke rechter die erop is gericht een oordeel over de verbindendheid of de rechtmatigheid van het algemeen verbindend voorschrift te verkrijgen.



4.5.
Die tweede situatie is hier aan de orde. Het demonstratieverbod in de noodverordeningen gold rechtstreeks voor iedereen in Amsterdam en kwam niet eerst tot toepassing door een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar was. Op de mondelinge behandeling heeft de gemeente toegelicht dat tijdens de eerste noodverordening een activist een kennisgeving heeft gedaan dat hij ging demonstreren, dat hij vervolgens is gewezen op de noodverordening en dat hij daarmee geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikking heeft gekregen. Ook is niet in geschil dat de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 5 van de Wet openbare manifestaties en artikel 2.32 van de Algemene plaatselijke verordening 2008 van de gemeente Amsterdam geen voorwaarde zijn om het demonstratierecht te mogen uitoefenen.



4.6.
Op grond van de tweede noodverordening had de burgemeester de mogelijkheid om (categorieën van) gevallen te bepalen waarvoor het verbod niet gold. Een dergelijke beschikking van de burgemeester is vatbaar voor bezwaar en beroep. Dat laat echter onverlet dat ook tegen het demonstratieverbod in de tweede noodverordening geen bestuursrechtelijke procedure openstond die voldoende rechtsbescherming bood, zoals hiervoor in 4.5 overwogen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 1996 (ECLI:NL:HR:1996:ZC2169, [partij 1]/[partij 2]) volgt dat van de burger die een regel onverbindend acht, niet kan worden verlangd dat hij een aanvraag doet (of het op een strafvervolging of toepassing van bestuursdwang laat aankomen) om die onverbindendheid in rechte te doen vaststellen. Dat betekent dat in dit geval noch van Amnesty noch van [eisers] kon worden gevergd dat zij een ontheffing onder de tweede noodverordening zouden aanvragen om op die manier de rechtmatigheid van de tweede noodverordening door de bestuursrechter te laten toetsen. Ook onder de tweede noodverordening heeft dus niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsingang bij de bestuursrechter opengestaan.


De vorderingen van Amnesty




4.7.
De rechtbank is – met partijen – van oordeel dat de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) in deze zaak van toepassing is op de vorderingen van Amnesty en dat deze vorderingen daarom als collectieve vorderingen worden aangemerkt. Dat betekent dat artikel 3:305a BW en titel 14A Rv van toepassing zijn op de collectieve vordering van Amnesty. De dagvaarding van Amnesty voldoet aan de formele vereisten van artikel 1018c lid 1 en lid 2 Rv. Verder bepaalt artikel 1018c lid 5 onder a t/m c Rv dat inhoudelijke behandeling van de collectieve vorderingen alleen plaatsvindt indien en nadat de rechter heeft beslist:

a. dat eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 305a, eerste tot en met derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of dat niet aan deze eisen behoeft te worden voldaan op grond van het zesde lid van dit artikel;


b. dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben;


c. dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.




4.8.
Ten aanzien van artikel 1018c lid 5 onder a Rv overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 3:305a lid 6 BW kan de rechter een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid (zoals Amnesty) ontvankelijk verklaren zonder dat aan de vereisten van artikel 3:305a lid 2, onderdelen a tot en met e, en lid 5 BW behoeft te zijn voldaan, wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang. Bij toepassing van dit lid kan de rechtsvordering niet strekken tot schadevergoeding in geld. Amnesty betoogt dat artikel 3:305a lid 6 BW in deze zaak van toepassing is, zodat kan worden volstaan met toetsing aan de ontvankelijkheidseisen waaraan op grond van deze bepaling moet zijn voldaan. De gemeente bestrijdt dit niet. De rechtbank zal partijen hierin volgen. Daarom past de rechtbank artikel 3:305a lid 6 BW toe, zodat alleen aan de vereisten van artikel 3:305 lid 1, lid 2 aanhef en lid 3 BW wordt getoetst.



4.9.
Het is niet nodig dat Amnesty de belangen en groep van personen waarvoor zij opkomt nader concretiseert, zoals de gemeente verlangt. Het demonstratierecht komt een ieder toe. De vorderingen hebben betrekking op een (tijdelijk) verbod om het demonstratierecht in Amsterdam uit te oefenen. In de rechtspraak is algemeen aanvaard dat collectieve vorderingen met een algemeen karakter worden ingesteld ten behoeve van alle burgers in Nederland, zoals vorderingen in verband met het recht op gelijke behandeling van mannen en vrouwen (ECLI:NL:HR:2010:BK4549, Staat en SGP/[partij 3] c.s.) en klimaatverandering (ECLI:NL:HR:2019:2006, Klimaatzaak Urgenda).



4.10.
Uit artikel 3:305a lid 2 aanhef BW volgt dat de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt voldoende gewaarborgd zijn als Amnesty voldoende representatief is, gelet op de achterban en de vorderingen. Amnesty is een vereniging met een groot aantal leden en een aanzienlijke achterban in Nederland. Zij is al lange tijd actief op het gebied van mensenrechten. De gemeente heeft op de mondelinge behandeling benadrukt dat de burgemeester aan de zijde van Amnesty staat als het gaat om het belangrijke werk voor behoud van het demonstratierecht en dat zij ook de hoop heeft uitgesproken dat Amnesty samen met haar het werk voortzet om het grotere maatschappelijke belang van de vrijheid van betoging te adresseren. Dat is een bevestiging van de representativiteit van Amnesty. De rechtbank ziet geen aanleiding daar ambtshalve anders over te oordelen.



4.11.
Met partijen is de rechtbank van oordeel dat Amnesty en de door haar ingestelde vorderingen ook voldoen aan de vereisten van de onderdelen a en b van artikel 3:305a lid 3 BW. Met betrekking tot onderdeel c van artikel 3:305a lid 3 BW wordt overwogen dat deze bepaling enerzijds een open norm geeft (in de gegeven omstandigheden voldoende trachten het gevorderde door het voeren van overleg te bereiken) en anderzijds een harde regel (een termijn van twee weken na de ontvangst van het verzoek tot overleg is daarvoor in elk geval voldoende). Niet in geschil is dat het door Amnesty gevorderde in de brief van 28 november 2024 is vermeld en dat die brief een verzoek tot overleg bevat. De burgemeester heeft vervolgens schriftelijk toegelicht dat, en waarom, zij niet aan het verzoek van Amnesty voldoet. Aan het overlegvereiste is daarmee voldaan.



4.12.
Ten aanzien van artikel 1018c lid 5 onder b Rv overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van dit artikel moet Amnesty voldoende aannemelijk maken dat de collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn en het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is. De gemeente voert aan dat Amnesty dit niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat [eisers] gelijkluidende vorderingen hebben ingesteld. Daarmee gaat de gemeente voorbij aan de potentieel grote omvang van het aantal personen dat nadeel heeft gehad van het demonstratieverbod. Uit het feit dat naast Amnesty zes personen eigen vorderingen hebben ingesteld, kan in dit concrete geval niet worden afgeleid dat een collectieve vordering van Amnesty niet langer efficiënt en effectief is. Amnesty stelt immers dat alle inwoners van Nederland er belang bij hebben dat het demonstratierecht in de hoofdstad van Nederland wordt gerespecteerd en beschermd. De rechtbank beslist daarom dat aan het vereiste van artikel 1018c lid 5 onder b Rv is voldaan.



4.13.
Ten aanzien van artikel 1018c lid 5 onder c Rv overweegt de rechtbank als volgt. Partijen zijn het erover eens dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de collectieve vorderingen (die de rechtbank hier als geheel beziet) op het moment waarop het geding aanhangig is geworden. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover ambtshalve anders te oordelen.


De vorderingen van [eisers]




4.14.
De rechtbank volgt de gemeente niet in haar standpunten dat [eisers] geen belang hebben bij hun vorderingen en niet-ontvankelijk zijn.



4.15.

[eisers] hebben gelijkluidende, maar eigen vorderingen ingesteld. Zij zijn géén partij in de collectieve procedure van Amnesty en beogen dat ook niet. Voor de ontvankelijkheid van [eisers] in hun eigen, individuele vorderingen is slechts vereist dat zij daarbij voldoende belang hebben als bedoeld in artikel 3:303 BW. De omstandigheid dat Amnesty een collectieve actie heeft ingesteld, ontneemt in beginsel aan [eisers] niet hun belang om een individuele gelijkluidende vordering in te stellen. Dat belang bestaat mede uit de mogelijkheid desgewenst hun eigen processtrategie te bepalen, bijvoorbeeld ten aanzien van de aan te voeren argumenten, de advocaatkeuze of de beslissing om hoger beroep of cassatie in te stellen en een klacht aan het EHRM voor te leggen.



4.16.
Het is verder de keuze van de eisende partijen om hun vorderingen in één dagvaarding in te stellen (subjectieve cumulatie). De eisende partijen treden daardoor naast elkaar op en de rechtsvorderingen behouden hun materiële en processuele zelfstandigheid. Het procesrecht verbiedt dat niet, ook niet in een procedure waarin een collectieve vordering wordt ingesteld. Volgens de rechtbank is (vooralsnog) geen sprake van procesrechtelijke complicaties die meebrengen dat gezamenlijke behandeling van de collectieve vorderingen van Amnesty en de (gelijkluidende) individuele vorderingen van [eisers] in strijd komt met de eisen van een goede procesorde. Zoals tot nu toe is gebeurd, kunnen gezamenlijke processtukken worden genomen en kan gezamenlijke behandeling plaatsvinden.


Overige beslissingen




4.17.
Uit het voorgaande vloeit voort dat Amnesty ontvankelijk is in haar collectieve vordering, dat [eisers] ontvankelijk zijn in hun individuele vorderingen en dat de procedures in beginsel gezamenlijk kunnen worden voortgezet. De rechtbank zal voor de collectieve procedure van Amnesty nog moeten beslissen over de onderwerpen zoals genoemd in artikel 1018e lid 1 Rv, artikel 1018e lid 2 Rv, artikel 1018f Rv en artikel 1018g Rv.



4.18.
Op grond van artikel 1018e lid 2 Rv en 1018f Rv moet de rechter, kort gezegd, beoordelen wat de collectieve vordering inhoudt en voor welke nauw omschreven groep personen deze is ingesteld en moet de rechter een zogenoemde opt-out-mogelijkheid bieden. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak geen toepassing kan (en hoeft te) worden gegeven aan deze voorschriften omdat deze niet zijn toegesneden op een collectieve procedure die beoogt de onrechtmatigheid van een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen. In een dergelijk geval kan namelijk geen sprake zijn van een situatie waarin sommige mensen wel en anderen niet gebonden zijn aan de rechterlijke uitspraak. De gemeente voert aan dat sommige Nederlanders het mogelijk met Amnesty oneens zijn en/of een ander geluid willen laten horen. Dat zou kunnen, maar als de rechter oordeelt dat een algemeen verbindend voorschrift onrechtmatig was, dan volgt daaruit dat het voorschrift onrechtmatig was jegens iedereen. Ook jegens personen die het demonstratieverbod steunen of niet wensten te demonstreren. Een opt-out zou daaraan niets kunnen veranderen.



4.19.
Gesteld noch gebleken is dat de aan een bepaalde plaats gebonden aard van de collectieve vordering aanleiding geeft voor behandeling van deze zaak bij een ander gerecht, zoals bedoeld in artikel 1018e lid 2 (laatste deel) Rv. De demonstratieverboden golden immers voor de gemeente Amsterdam.



4.20.
Op grond van artikel 1018e lid 1 Rv wijst de rechter een exclusieve belangenbehartiger aan. In deze zaak hebben zich op de voet van artikel 1018d Rv geen andere belangenorganisaties gemeld. Het aanwijzen van een exclusieve belangenbehartiger is bedoeld om duidelijk te maken wie van de belangenorganisaties die voor een bepaalde gebeurtenis een collectieve vordering hebben ingediend, de leiding heeft in de procedure en daarvoor verantwoordelijk is. In dit geval dient de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger naar het oordeel van de rechtbank geen redelijk doel, terwijl het wel tot verdere vertraging van de zaak leidt. Amnesty heeft in haar dagvaarding gemotiveerd verzocht geen exclusieve belangenbehartiger aan te wijzen. De gemeente heeft zich niet tegen dat verzoek verzet. De rechtbank zal dan ook dit voorschrift in deze zaak niet toepassen.



4.21.
De rechtbank ziet wel aanleiding voor het stellen van een termijn voor het beproeven van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1018g Rv. De gemeente en Amnesty hebben beide veel ervaring met het demonstratierecht en zijn het ook in hoge mate met elkaar eens over het belang van dat recht. Gelet op de tijdens de mondelinge behandeling door partijen uitgesproken bereidheid zal hun de gelegenheid worden geboden de mogelijkheid van een minnelijke uitkomst te onderzoeken. De rechtbank geeft partijen in dat kader mee dat de Hoge Raad recentelijk heeft geoordeeld dat uit artikel 9 van de Grondwet, de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling en de grondwettelijke beperkingssystematiek volgt dat de grondwetgever ervoor heeft gekozen dat het recht op betoging niet door lagere overheden kan worden beperkt anders dan krachtens een specifieke wetsbepaling (HR 24 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:483). Anderzijds is op grond van arresten van de Hoge Raad van 1 oktober 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO8913, Stichting Faunabescherming/Frieslân) en van 9 april 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK4549, Staat en SGP/[partij 3] c.s.) twijfelachtig of de rechter een verbod kan geven om wetgeving in materiële zin tot stand te brengen, wat in deze procedure onder 4 wordt gevorderd. In elk geval deze twee onderwerpen zullen bij een eventuele inhoudelijke behandeling aan bod komen, maar helpen partijen mogelijk ook bij hun poging een overeenkomst te sluiten.



4.22.
De termijn voor het beproeven van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1018g Rv zal worden bepaald op zes weken. Amnesty en de gemeente worden aan het eind van deze termijn van zes weken in de gelegenheid gesteld zich op de rol uit te laten over de voortzetting of doorhaling van de procedure tussen Amnesty en de gemeente. Indien Amnesty en de gemeente een overeenkomst sluiten, ligt voor de hand dat [eisers] zich daarbij aansluiten, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs zo te zijn. [eisers] kunnen zich op dezelfde roldatum eveneens uitlaten over de voortzetting of doorhaling van de procedure tussen hen en de gemeente.



4.23.
Indien de procedures na voornoemde termijn van zes weken worden voortgezet, zal een termijn van twaalf weken worden gesteld voor het aanvullen door de gemeente van de gronden van haar verweer in de collectieve procedure op de voet van artikel 1018g Rv (een inhoudelijke conclusie van antwoord). Dat processtuk kan dan desgewenst tevens dienen als de conclusie van antwoord in de zaken van [eisers] De rechtbank ziet geen aanleiding voor het stellen van een termijn voor het aanvullen door Amnesty van de gronden van haar vordering, omdat Amnesty tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard daar geen behoefte aan te hebben.



4.24.
De gemeente heeft ten slotte verzocht toe te staan dat mevrouw [naam] op een volgende mondelinge behandeling in deze procedure mede namens de gemeente het woord voert. De rechtbank zal dat toestaan.



4.25.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





5De beslissing

De rechtbank


5.1.
bepaalt dat Amnesty ontvankelijk is in haar vorderingen en dat deze vorderingen voldoen aan de vereisten van artikel 1018c lid 5 Rv;



5.2.
stelt de termijn voor het beproeven van een overeenkomst op zes weken na heden;



5.3.
verwijst de zaken naar de rol van 11 november 2026 voor uitlaten voortprocederen door partijen als bedoeld in 4.22;



5.4.
indien na 11 november 2026 wordt voortgeprocedeerd: bepaalt dat de gemeente op 3 februari 2027 haar conclusie van antwoord neemt;



5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.









Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, mr. J.T. Kruis en mr. R.A. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
















































Artikel 3:305a lid 3 aanhef en onder a en b luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 is slechts ontvankelijk indien:


a. de bestuurders betrokken bij de oprichting van de rechtspersoon, en hun opvolgers, geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk hebben, dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd;


b. de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer heeft.
Link naar deze uitspraak