Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2025:27918 
 
Datum uitspraak:18-07-2025
Datum gepubliceerd:17-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL24.51077
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Trefwoorden: visum kort verblijf, familiebezoek, Pakistan, sociale en economische binding niet aangetoond, reeds hierom heeft verweerder mogen afwijzen, beroep ongegrond
Trefwoorden:landbouw
 
Uitspraak
uitspraak













RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.51077

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen





[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. J. Singh),

en



de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van haar aanvraag van 8 juli 2024 tot het verlenen van een visum kort verblijf.


1.1.
De minister heeft deze aanvraag tot het verlenen van een visum kort verblijf met het besluit van 24 juli 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 november 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.


1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
Op 17 juni 2025 om 09.53 uur heeft eiseres nog nadere stukken ingediend.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 17 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [referente] (dochter van eiseres, tevens referente) en A. Sareen als tolk. De gemachtigde van de minister heeft telefonisch laten weten niet op de zitting te zullen verschijnen.





Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de aanvraag voor een visum kort verblijf heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Bestreden besluit


4. Eiseres heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om haar dochter, [referente] , te bezoeken. Haar dochter is referente in deze procedure. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres volgens hem het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Ook heeft eiseres niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor de duur van het beoogde verblijf en voor de terugreis. Verder bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat niet is gebleken van voldoende sociale en economische binding met Pakistan. De minister heeft de aanvraag getoetst aan en afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder ii, iii en onder b, van de Visumcode.
Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki1 van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat verweerder bij het onderzoek van een visumaanvraag, met betrekking tot de beoordeling van de relevante feiten, over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of een van de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode vermelde gronden voor weigering van een visum aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechter de beoordeling van verweerder slechts terughoudend kan toetsen.
Twijfel over tijdige terugkeer

6. Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten, toetst verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het vestigingsgevaar toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Pakistan dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
7. Eiseres stelt dat er sprake is van sterke sociale binding met Pakistan, omdat veel van haar familieleden in Pakistan verblijven en zij een verplichting heeft jegens haar schoonmoeder, die zij niet voor lange periode in de steek kan laten. Aanvullend bewijs van het feit dat de schoonmoeder hulpbehoevend is, heeft eiseres op de dag van de zitting overgelegd. Het betreft een medisch stuk van [kliniek] van 7 november 2024.

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van een zodanige sociale binding met Pakistan dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. De minister is in het bestreden besluit voldoende ingegaan op het betoog van eiseres in bezwaar dat zij voor haar schoonmoeder zorgt. De minister mocht hierover in het bestreden besluit overwegen dat niet is gebleken dat de schoonmoeder van eiseres hulpbehoevend is en dat eiseres haar schoonmoeder daadwerkelijk verzorgt, en dat evenmin is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen om tijdig naar Pakistan terug te keren. In de gronden van beroep van 21 januari





1. arrest van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862


2025 heeft eiseres aangekondigd met een nadere onderbouwing van de hulpbehoevendheid van haar schoonmoeder te komen. Het medisch stuk dat door eiseres op de dag van de zitting heeft overgelegd, is te laat overgelegd en niet vertaald. Ook is uit dit stuk, noch anderszins gebleken dat haar schoonmoeder zorg nodig heeft, laat staan van eiseres.
Verder mocht de minister de omstandigheid dat veel familieleden van eiseres in Pakistan wonen, waaronder een meerderjarige dochter, onvoldoende vinden. De minister mocht daarbij relevant vinden dat eiseres ook veel familieleden in Europa heeft wonen, namelijk een dochter in Nederland, een dochter in Duitsland en vier directe familieleden in het Verenigd Koninkrijk. Niet is gebleken dat eiseres zorgtaken heeft voor haar familieleden in Pakistan. De minister mocht ook de wijze waarop referente het Schengengebied is ingereisd relevant vinden. Referente is met een visum ingereisd, heeft vervolgens een asielaanvraag gedaan en uiteindelijk een asielvergunning gekregen. Dit mocht de minister meewegen als extra migratierisico. Dat referente in Nederland woont, betekent in ieder geval enige sociale binding van eiseres met Nederland. Ook dat mocht de minister relevant vinden.
9. Ook de economische binding met Pakistan mocht de minister onvoldoende aangetoond achten. Uit de visumaanvraag blijkt dat eiseres gepensioneerd is. Over de pensioenuitkering van eiseres mocht de minister opmerken dat niet is onderbouwd dat de (tijdige) aanwezigheid van eiseres in Pakistan vereist is om dit pensioen te blijven ontvangen. Verder heeft eiseres een bankverklaring van de National Bank of Pakistan overgelegd over de periode 1 januari 2024 tot 5 juli 2024, met op 5 juli 2024 een saldo van 1.582.836,51 PKR (omgerekend circa € 5.417,-). De minister mocht zich echter op het standpunt stellen dat uit de bankverklaring niet af is te leiden hoe dit saldo tot stand is gekomen. Er zijn geen aanwijzingen dat dit het gevolg is van inkomsten gegenereerd uit werk.
10. Voorts heeft eiseres niet aangetoond dat zij inkomsten genereert uit een stuk land dat zij heeft geërfd van haar overleden man. Voor zover eiseres met het document, overgelegd op 17 juni 2025, heeft bedoeld aan te tonen dat er economische binding uit landbouw is, overweegt de rechtbank als volgt. Het document is pas op de dag van de zitting ingebracht, is niet vertaald en gesteld noch gebleken is welke grond dit betreft en op welke periode de gestelde inkomsten zien. Voor zover eiseres het beheer over deze grond zou hebben is gesteld noch gebleken dat zij daarvoor in Pakistan moet zijn. Dit kan worden beheerd vanuit het buitenland en/of door andere personen dan eiseres.
11. De rechtbank oordeelt dat verweerder gelet op het voorgaande in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat eiseres onvoldoende sociale en economisch binding heeft met Pakistan waardoor er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum. Verweerder heeft de aanvraag reeds om die reden mogen afwijzen. De gronden met betrekking tot het doel en de omstandigheden van het verblijf en de middelen van bestaan zal de rechtbank daarom onbesproken laten.
Hoorplicht

12. Voorts vindt eiseres dat de minister haar had moeten horen over haar ingediende bezwaren. Het is duidelijk dat de minister behoefte had aan aanvullende informatie en een toelichting op de gronden van bezwaar. Vanwege schending van de hoorplicht dient het bestreden besluit te worden vernietigd, aldus eiseres.



13. De rechtbank overweegt dat de minister alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar mag afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918).
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, geen aanleiding hoefde te zien om eiseres (of referente) nader te horen. Eiseres heeft met de in de bezwaarfase overgelegde documenten onvoldoende aangetoond dat sprake is van een zodanige sociale en economische binding dat een tijdige terugkeer in redelijkheid gewaarborgd is. Daar had een hoorzitting niets aan kunnen veranderen.




Conclusie en gevolgen

15. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden niet en is het beroep ongegrond. Dat betekent dat de minister eisers geen visum kort verblijf heeft hoeven te verstrekken. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk - Salomons, griffier.


De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:


18 juli 2025


















Documentcode: [Documentcode]














Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep op verzet open.
Link naar deze uitspraak