|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2025:27944 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-06-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 01-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL24.48070 NL24.48072 en NL24.48074 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Vreemdelingenrecht regulier; mvv-aanvraag met verblijfsdoel 'familie en gezin'; niet gebleken is dat eisers van het inburgeringsvereiste zijn vrijgesteld, beroep op art. 17, lid 1, onder h, Vw slaagt niet; niet gebleken is dat het inkomen van referent voldoende en duurzaam is; verweerder heeft af kunnen zien van horen in bezwaar; beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | ingezetene | | | vrijstelling | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.48070, NL24.48072 en NL24.48074
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], [V-nummer 1], eiseres,
[eiser 1],
[V-nummer 2], eiser 1, en
[eiser 2], [V-nummer 3], eiser 2
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. W.P.C. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft niet op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Enkele weken voor de zitting heeft verweerder zich daarbij afgemeld te verschijnen.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 april 2025 op zitting behandeld. Daags voor de zitting hebben eisers zich samen met hun gemachtigde afgemeld te verschijnen. Geen van partijen is dan ook ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1976, eiser 1 op [geboortedatum 2] 2002 en eiser 2 op [geboortedatum 3] 2003. Allen hebben de Egyptische nationaliteit.
2.1.
Op 1 maart 2023 heeft de heer [naam] (referent) een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de aanvraag) ten behoeve van zijn vrouw (eiseres) en hun twee zonen (eiser 1 en eiser 2).
2.2.
Bij het besluit van 3 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers niet aan het inburgeringsvereiste voldoen en referent niet voldoet aan het middelenvereiste. Daarbij is er geen sprake van een vrijstelling van beide voorwaarden. Voor wat betreft de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM neemt verweerder wel gezinsleven aan tussen referent en eisers. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eisers uit waardoor de aanvraag wordt afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 is verweerder bij haar afwijzing gebleven en heeft hij het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en stellen zich op het standpunt dat deze in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en de hoorplicht. Eisers hebben in bezwaar nadrukkelijk een beroep op de hoorplicht gedaan. Verweerder heeft echter ten onrechte afgezien van horen in bezwaar terwijl uitzonderingen hierop restrictief moeten worden toegepast. Hierbij verwijzen eisers naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag en uitspraken van de hoogste bestuursrechter. Daarbij stellen eisers dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure is en dat dit voor verweerder antwoorden op vragen op had kunnen opleveren. Dit betekent ook dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat eisers niet hun bezwaren voor een ambtelijke hoorcommissie hebben kunnen brengen. Eisers menen daarnaast dat in het bestreden besluit niet is gebleken dat het evenredigheidsbeginsel is toegepast. Verder stellen eisers dat aan het middelenvereiste is voldaan. Referent heeft sinds 1 december 2022 een dienstverband die sindsdien onder dezelfde voorwaarden is voortgezet, en nu een dienstbetrekking voor onbepaalde duur betreft. De administratieve tegenstrijdigheden waar verweerder op heeft gewezen zijn verschrijvingen en het is onrechtvaardig om deze voor rekening en risico van referent te laten gelden. Hierbij heeft verweerder geen rekening gehouden met het Chakroun-arrest. Eisers stellen daarnaast dat verweerder artikel 17, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) onjuist toepast. Referent heeft gedurende zijn verblijf in Italië zijn gezin met eiseres gesticht. Dat het gezin (met uitzondering van referent) in Egypte verbleef is volgens eisers niet van doorslaggevende betekenis. Eisers moeten dan ook gebruik kunnen maken van de rechten van een langdurig ingezetene van een lidstaat waardoor eiseres is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste en nationale regels.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Bevoegdheid
4. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit ten onrechte is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Met ingang van 2 juli 2024 zit asiel in de portefeuille van de minister van Asiel en Migratie. Het bestreden besluit is genomen op 20 augustus 2024 en had daarom uit naam van de minister van Asiel en Migratie genomen moeten worden. Dit is een gebrek in het besluit. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Het besluit is namelijk ondertekend door een ambtenaar van de IND die daartoe bevoegd was op grond van artikel 6.4 en artikel 6.5 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
Het inburgeringsvereiste
5. De rechtbank stelt op basis van de beroepsgronden vast dat eisers niet betwisten dat niet aan het inburgeringsvereiste is voldaan, maar dat zij (met name eiseres) hiervan zouden zijn vrijgesteld. Verweerder heeft echter kunnen concluderen dat eiseres niet van dit vereiste is vrijgesteld. Eiseres valt namelijk niet onder één van de categorieën vreemdelingen die het basisexamen inburgering niet hoeven te doen. Dit is door eisers niet betwist. Ook hebben eisers geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die ertoe zouden moeten leiden dat verweerder eiseres hiervan vrijstelt. De stelling van eisers dat zij op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw hiervan zijn vrijgesteld heeft verweerder daarnaast niet hoeven volgen. Weliswaar heeft referent langere tijd in Italië verbleven en heeft hij op 15 juli 2020 zijn status als langdurig ingezetene gekregen, maar het gezin is desondanks gesticht in Egypte. Deze voorstelling van zaken is ook door eisers niet betwist. Dat het feit dat het gezin (met uitzondering van referent) in Egypte heeft verbleven volgens eisers geen verschil maakt, hebben zij niet verder onderbouwd.
Het middelenvereiste
6. Uit artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat referent duurzaam en zelfstandig dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. In het arrest Chakroun is bepaald dat, omdat de behoeften van persoon tot persoon sterk kunnen verschillen, de lidstaten wel een bepaald referentiebedrag kunnen vaststellen maar dat zij ook een concrete beoordeling moeten maken van de situatie van iedere aanvrager.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, naast het inburgeringsvereiste, op goede gronden heeft geoordeeld dat referent ook niet aan het middelenvereiste voldoet. Niet ter discussie staat dat referent een zelfstandig inkomen ontvangt, nu hij loon ontvangt uit arbeid en hierover de verplichte premies een belastingen afdraagt. Wel heeft verweerder terecht tegengeworpen dat niet is gebleken dat het inkomen van referent duurzaam en voldoende is. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat uit de loonstroken van referent en uit Suwinet blijken dat referent een dienstverband voor bepaalde tijd heeft, in tegenstelling tot onbepaalde tijd zoals aangevoerd en in de overgelegde arbeidsovereenkomst staat weergegeven. Dat hier sprake zou zijn van een administratieve fout is niet verder onderbouwd en eiser heeft ook geen verklaring hierover van zijn werkgever overgelegd. Daarnaast blijkt uit de gegevens dat referent een wisselend en daardoor instabiel inkomen heeft, waarbij dit in 2023 overwegend onder het geldende normbedrag van € 1.934,40 lag. Verder is ook niet gesteld of gebleken dat er sprake is van vrijstelling van het middelenvereiste. Het beroep van eisers op het arrest Chakroun slaagt daarnaast niet nu eisers niet duidelijk hebben gemaakt hoe dit op de situatie van referent van toepassing is, zij niet hebben onderbouwd welke omstandigheden hiertoe van invloed zouden moeten zijn en zij niet hebben toegelicht waarom dit het oordeel van verweerder anders had moeten maken.
Evenredigheidsbeginsel
7. Eisers hebben hun stelling dat het evenredigheidsbeginsel niet kenbaar is toegepast, niet verder toegelicht. De rechtbank ziet in deze niet nader onderbouwde stelling dan ook geen beroepsgrond en zal deze niet verder behandelen.
Hoorplicht
8. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van de vreemdeling tegen het primaire besluit, niet kunnen leiden tot een ander besluit. In de keuze om af te zien van horen moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Het uitgangspunt is desalniettemin dat verweerder in bezwaar hoort.
8.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers in hun bezwaar geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben aangedragen die tot een ander besluit hadden kunnen leiden. Eisers hebben zowel in bezwaar als in beroep geen nieuwe stukken ingediend ten aanzien van wat hen is tegengeworpen over het middelenvereiste. Daar komt bij dat eisers niet hebben betwist dat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, en de rechtbank eerder al heeft geoordeeld dat verweerder terecht heeft gesteld dat zij hiervan niet zijn vrijgesteld. De stelling van eisers dat zij in een gehoor de kans zouden hebben om de werkomstandigheden van referent toe te lichten, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende nu zij ook in beroep hiertoe geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben aangedragen. Zodoende heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om te verwachten dat een hoorzitting in bezwaar tot nieuwe inzichten zou leiden. Verweerder heeft daarom kunnen afzien van horen.
8.2.
Gelet op voorgenoemde overwegingen is van een onzorgvuldig tot stand gekomen en gebrekkig gemotiveerd bestreden besluit geen sprake. De rechtbank verklaart het beroep van eisers hiertegen daarom ongegrond.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verwezen wordt naar artikelen 3:2, 3:46 en 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 27 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2699.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Verwezen wordt naar de Memorie van Toelichting van de Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, pag. 144 en 145.
Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16652.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 maart 2010 inzake Rhimou Chakroun v. Nederland, zaaknummer C-578/08, ECLI:EU:C:2010:117.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|