|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2025:27996 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-11-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 09-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 24/6151 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van haar studiefinanciering over 2023. Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat eiseres aan het EU-recht geen recht op studiefinanciering kan ontlenen. Zij kan als zelfstandige niet worden gelijkgesteld met een migrerend werknemer, omdat zij in 2023 niet heeft voldaan aan het omzetvereiste. Ook verbleef zij niet al vijf jaar in Nederland. Geen strijd met het rechtszekerheids- of gelijkheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | studiefinanciering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6151
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: L.A.V. Hernandez),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verweerder
(gemachtigde: mr. M. Santing).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van de aan haar toegekende studiefinanciering over enkele maanden van het jaar 2023.
1.1.
Met de primaire besluiten van 22 januari 2024 heeft verweerder de aan eiseres in de maanden februari 2023 tot en met december 2023 toegekende studiefinanciering voor een aantal maanden ingetrokken en teruggevorderd. Met het primaire besluit van 10 februari 2024 heeft verweerder eiseres een ov-boete opgelegd van € 1.302,48,-, omdat zij over een aantal maanden in 2023 met haar studentenreisproduct heeft gereisd, terwijl zij daarop geen recht had. Met het bestreden besluit van 8 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij zijn primaire besluiten gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Eiseres heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres (geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteland] , met de Italiaanse nationaliteit en sinds 2017 in het bezit van een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd voor Aruba) is een burger van één van de lidstaten van de Europese Unie (EU). Zij heeft op 17 januari 2023 een gewijzigde aanvraag studiefinanciering ingediend voor haar studie in het hoger onderwijs (voltijd hbo bachelor Hotelschool in Den Haag). Eiseres werkt naast haar studie als zelfstandige. In de maanden februari 2023 tot en met december 2023 heeft zij studiefinanciering ontvangen op grond van de Wsf 2000.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder heeft de toegekende studiefinanciering over de maanden februari 2023 tot en met december 2023 deels herzien, omdat zij niet voldoet aan de nationaliteitseis. Achteraf is gebleken dat zij onvoldoende omzet heeft gemaakt. Voor 2023 gold dat er een omzet van € 1.793,49 per kwartaal of € 597,83 per maand moest zijn behaald. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres aan het EU-recht geen recht op studiefinanciering kan ontlenen. Zij kan als zelfstandige niet worden gelijkgesteld met een migrerend werknemer, omdat zij in 2023 niet heeft voldaan aan het omzetvereiste. Ook verbleef zij niet al vijf jaar in Nederland.
Wat voert eiseres aan in beroep?
4. Eiseres voert aan dat verweerder haar aanspraak op studiefinanciering over het jaar 2023 ten onrechte heeft herzien, dan wel heeft teruggevorderd. Het was voor haar niet duidelijk aan welke norm zij moest voldoen. Zij stelt dat zij hierover in december 2023 heeft gebeld en geen duidelijkheid heeft kunnen krijgen.
4.1.
Eiseres voert verder aan dat zij, ook als zij niet als zelfstandige kan worden aangemerkt, aanspraak heeft op studiefinanciering vanwege haar verblijf op Aruba. Zij verwijst naar de arresten Bidar en Fröster. Zij is genoeg geïntegreerd in Nederland. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het zorgvuldig- en het rechtszekerheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Omvang van het geding
6. Bij vier afzonderlijke besluiten van 22 januari 2024 is de toekenning van de studiefinanciering van eiseres, met uitzondering van het collegegeldkrediet, voor de maanden februari, mei, juni, september, oktober en december 2023 herzien en teruggevorderd. Bij besluit van 10 februari 2024 is een ov-schuld opgelegd voor deze maanden.
7. De rechtbank overweegt dat het in dit geval gaat om de intrekking van een eerder toegekend recht op studiefinanciering. Anders dan bij de weigering om op aanvraag studiefinanciering toe te kennen, rust de bewijslast bij de intrekking van een recht op studiefinanciering op het bestuursorgaan. Dat betekent dat verweerder aannemelijk moet maken dat eiseres in de periode waarover het recht op studiefinanciering is herzien geen migrerend werknemer is.
8. EU-studenten kunnen op grond van 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet Studiefinanciering aan het EU-recht aanspraak op studiefinanciering ontlenen. Dat is onder meer het geval als de student economisch actief is als zelfstandige en om die reden aan artikel 49 van het VWEU en artikel 4 van Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels een recht op gelijke behandeling kan ontlenen.
9. Van een zelfstandige is sprake als economische activiteiten worden verricht zonder gezagsverhouding, onder eigen verantwoordelijkheid, tegen een beloning die volledig en rechtsreeks aan hem wordt betaald. Het moet daarbij gaan om een geheel van economische activiteiten dat, naar het oordeel van de nationale rechter, een reëel en daadwerkelijk karakter heeft en niet zo gering is dat het van louter marginale en bijkomstige aard is.
10. In de Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap die gold tot 1 september 2023 en de sinds die datum geldende Beleidsregel migrerend werknemerschap en studiefinanciering heeft verweerder uren- en inkomenscriteria opgenomen die worden gehanteerd bij de beoordeling of iemand migrerend werknemer is. Voor migrerend zelfstandigen bestaat geen beleidsregel, maar hanteert verweerder de vaste gedragslijn dat als uitgangspunt zowel aan de urennorm als aan de inkomstennorm moet worden voldaan. Die inkomstennorm houdt in dat de omzet 50% van de bijstandsnorm moet zijn. Omdat het bij zelfstandigen lastig kan zijn om het aantal gewerkte uren vast te stellen, komt vooral aan deze norm veel betekenis toe. De geldende norm van 50% van de bijstandsnorm bedroeg in 2023 € 1.793,49 per kwartaal. Dat komt neer op € 597,83 per maand.
Beoordeling
11. Niet in geschil is dat eiseres in de betreffende maanden niet heeft voldaan aan de omzetnorm.
Nader onderzoek nodig?
12. De uit te voeren toets is breder dan alleen de beoordeling of eiseres aan de omzetnorm heeft voldaan. De rechtbank ziet in dit geval echter geen reden om nader onderzoek te doen. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die maken dat ondanks het behalen van een lage omzet toch van reële en daadwerkelijke economische activiteiten kan worden gesproken.
Rechtszekerheidsbeginsel
13. Volgens vaste rechtspraak betekent het rechtszekerheidsbeginsel dat herziening of intrekking van een uitkering met terugwerkende kracht niet mag; dat is anders als de betrokkene weet of redelijkerwijs kan begrijpen dat geen recht bestond op die uitkering.
13.1.
Naar het oordeel van de rechtbank had het voor eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn aan welke norm zij moest voldoen. Verweerder heeft dat voldoende toegelicht in het bestreden besluit en het verweerschrift. Uit de stukken volgt dat eiseres, toen zij voor het eerst studiefinanciering aanvroeg als zelfstandige, erop is gewezen dat zij achteraf moet kunnen aantonen dat zij elke maand, waarin aan haar studiefinanciering is toegekend, minstens 56 uur per maand heeft gewerkt als zelfstandig ondernemer of freelancer en hiervoor een passende beloning heeft ontvangen. De omzet moet minimaal € 1613,- per kwartaal bedragen (peiljaar 2021). Op de website van DUO is ook steeds vermeld hoe hoog de bijstandsnorm in het betreffende jaar was. Op 4 september 2023 heeft verweerder eiseres geïnformeerd over een wijziging van de urennorm. Aan de inkomensnorm van 50% van de bijstandsnorm is niets gewijzigd. Daarbij heeft verweerder gewezen op een notitie van 11 december 2023. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat als de bijstandsnorm voor 2023 voor eiseres onduidelijk was, het op haar weg hierover eerder dan in december 2023 contact op te nemen.
13.2.
Het beroep van eiseres op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt daarom niet. Het beroep op de door eiseres aangehaalde jurisprudentie kan haar niet baten. Verweerder heeft terecht gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van eiseres om goed geïnformeerd te zijn over de norm(en) waaraan zij moet voldoen.
Is sprake van een ongelijke behandeling?
14. Het Hof heeft bepaald, mede gelet op artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG, dat verleende financiële steun ter dekking van kosten van levensonderhoud onder het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit valt. Dergelijke steun aan studenten mag echter wel worden gekoppeld aan het bestaan van een zekere mate van integratie in de samenleving van de ontvangende lidstaat door het stellen van de voorwaarde van een periode van voorafgaand onafgebroken duurzaam verblijf van vijf jaar aldaar.
14.1.
Eiseres voert aan dat zij, ook als zij niet als zelfstandige kan worden aangemerkt, aanspraak heeft op studiefinanciering vanwege haar verblijf op Aruba. Een economisch inactieve unieburger kan een recht op studiefinanciering ontlenen aan het non-discriminatiebeginsel van artikel 18 van het VWEU, mits sprake is van een zekere mate van integratie in de ontvangstlidstaat. Zij betoogt dat het stellen van die eis van vijf jaar in haar geval niet mag. Zij heeft de Italiaanse nationaliteit, maar is geboren en opgegroeid in Aruba. Zij is binnen het Koninkrijk der Nederlanden opgegroeid, sprak Nederlands en heeft ook Nederlandstalig onderwijs genoten. Haar verblijf in Aruba moet volgens haar dan ook worden gelijkgesteld met verblijf in Nederland. Van een “zekere mate van integratie” is zonder meer sprake. Ter ondersteuning van haar betoog wijst eiseres op de hiervoor aangehaalde arresten Bidar en Fröster. Ook beroept eiseres zich op artikel 24 van de Verblijfsrichtlijn 2004/38/EG.
14.2.
Van belang is allereerst dat het verbod op discriminatie voortkomt uit het Unierecht. Het is – in de Nederlandse context – bedoeld om discriminatie op grond van nationaliteit van iemand met de nationaliteit van een andere lidstaat (in het geval van eiseres: de Italiaanse) in Nederland te voorkomen. Het door het Hof gehanteerd criterium van “een zekere mate van integratie” is daarmee geen nationale norm, maar een criterium dat voortkomt uit Europese rechtspraak. Het Hof heeft geoordeeld dat een voorwaarde van vijf jaar ononderbroken verblijf op het grondgebied van de lidstaat geschikt is om te garanderen dat de aanvrager in de ontvangende lidstaat is geïntegreerd.
14.3.
Hoewel de rechtbank de vergelijking die eiseres maakt zeker begrijpt, stelt verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat Aruba als LGO geen onderdeel uitmaakt van het grondgebied van de EU-lidstaat Nederland. Haar verblijf in Aruba kan daarom niet worden gelijkgesteld met een verblijf (van meer dan vijf jaar) in Nederland en daarmee niet als “een zekere mate van integratie”. Verweerder was daarom niet gehouden om eiseres op grond van het unierechtelijke verbod van discriminatie studiefinanciering toe te kennen. De door eiseres ingeroepen arresten geven de rechtbank geen grond om tot een ander oordeel te komen.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet studiefinanciering 2000.
Zij beroept zich op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 15 maart 2005, Bidar, ECLI:EU:C:2005:169 en van 18 november 2008, Förster, ECLI:EU:C:2008:630.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1248, r.o. 4.2.
Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van 20 november 2001, Jany, ECLI:EU:C:2001:616, r.o. 71.
Uitspraak van de Raad van 12 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3809, r.o. 4.2.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1289.
Dit volgt uit de brief van 12 april 2021, bijgevoegd als bijlage bij het verweerschrift.
Zie noot 3.
Zie de hiervoor aangehaalde arresten van het Hof, Bidar en Förster, en de uitspraak van de Raad van 4 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3700.
Förster-arrest, r.o. 54 en 58.
Landen en gebieden overzee.
Dit volgt uit de territoriale werking van het EU-recht, zie artikel 355 van het VWEU. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|