|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2025:28180 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-05-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 19-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 11382184 CV EXPL 24-3697 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | eindvonnis. Op de geldleningsovereenkomst zijn de bepalingen van titel 7.2A BW van toepassing. Niet gesteld of gebleken is dat de verplichtingen van artikel 7:60 BW en artikel 4:34 Wft zijn nageleefd. De kredietovereenkomst wordt als gevolg daarvan vernietigd op grond van artikel 3:40 lid 2 BW. Vordering afgewezen. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | kredietovereenkomst | | | | Uitspraak | Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats Gouda
MvN/Rolnr.: 11382184 \ CV EXPL 24-3697
Vonnis van de kantonrechter d.d. 8 mei 2025 in de zaak van:
de besloten vennootschap [eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor De Kluijver,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1Verloop van de procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
de dagvaarding d.d. 28 oktober 2024;
de rolbeslissing van 5 december 2024;
de akte van eisende partij van 6 februari 2025;
de rolbeslissing van 13 maart 2025;
de akte van eisende partij van 10 april 2025.
1.2.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2Beoordeling
2.1.
Gedaagde partij is op de in de dagvaarding bepaalde rolzitting niet verschenen en heeft ook anderszins niet gereageerd. De voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen. Tegen gedaagde partij is daarom verstek verleend.
2.2.
Eisende partij vordert betaling van gedaagde partij van een totaalbedrag van € 51.978,28. Aan deze betaling heeft eisende partij ten grondslag gelegd dat tussen eisende partij als werkgever en gedaagde partij als werknemer op of omstreeks 20 december 2023 een geldleningsovereenkomst is gesloten voor een bedrag van € 50.000,00 met een jaarlijks rentepercentage van 7%.
2.3.
Bij rolbeslissing van 13 maart 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vordering uit hoofde van de geldleningsovereenkomst tussen partijen geen vordering betreft uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, zodat de kantonrechter op die grondslag niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Eisende partij is bij deze rolbeslissing tevens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de geldleningsovereenkomst valt te kwalificeren als een consumentenkredietovereenkomst als bedoeld in artikel 7:57 BW op grond waarvan de kantonrechter wel bevoegd is van het geschil kennis te nemen.
2.4.
Bij akte van 10 april 2025 heeft eisende partij zich op het standpunt gesteld dat de geldleningsovereenkomst niet te kwalificeren is als een van consumentenkrediet.
2.5.
De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.
2.6.
Op grond van artikel 7:57 lid 1 sub c BW wordt onder een kredietovereenkomst verstaan een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit. Een kredietgever wordt in artikel 7:57, lid 1 onder b BW gedefinieerd als een natuurlijk - of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten krediet verleent of toezegt. Daarvoor is alleen van belang dat de partij die de lening verstrekt, daarbij handelt in het kader van de uitoefening van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten en niet of het verlenen van uitstel van betaling behoort tot de kern van die bedrijfs- of beroepsactiviteiten (Hoge Raad 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1006, r.o. 3.2.9). Een consument wordt in artikel 7:57, lid 1 onder a BW gedefinieerd als een natuurlijk persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen.
2.7.
Niet gesteld noch gebleken is dat eisende partij de geldlening niet in de uitoefening van haar bedrijfs- of beroepsactiviteiten aan gedaagde partij heeft verstrekt. Ook is niet gesteld noch gebleken dat sprake is van een van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 BW, zodat naar het oordeel van de kantonrechter op grond van artikel 7:58 lid 1 BW de bepalingen van titel 7.2A BW op onderhavige overeenkomst van toepassing zijn. De kantonrechter ziet er vervolgens ambtshalve op toe, dus ook als er geen verweer is gevoerd, dat die bepalingen worden nageleefd.
2.8.
Het is aan eisende partij om te stellen en te onderbouwen dat zij voorafgaand aan het sluiten van de geldleningsovereenkomst de informatie als bedoeld in artikel 7:60 BW aan gedaagde partij heeft verstrekt en dat de kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd (artikel 4:34 Wft). Dat heeft eisende partij niet gedaan.
2.9.
De kantonrechter gaat er daarom van uit dat eisende partij de verplichtingen van artikel 7:60 BW en artikel 4:34 Wft niet heeft nageleefd. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter de kredietovereenkomst ambtshalve zal vernietigen op grond van artikel 3:40 lid 2 BW. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de vordering niet kan worden gegrond op de geldleningsovereenkomst. Nu eisende partij naast de geldleningsovereenkomst geen andere grondslag heeft aangevoerd voor haar vordering, zal haar vordering worden afgewezen.
2.10.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van gedaagde partij tot op heden begroot op nihil.
3Beslissing
De kantonrechter:
- wijst de vordering af;
- veroordeelt eisende partij in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P.M. Frinking en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2025. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|