Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:12627 
 
Datum uitspraak:19-05-2026
Datum gepubliceerd:19-05-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.41930 en NL25.41931
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Ontheemdenkamp Sedje, Duhok, KAR. Normale woon - en verblijfplaats. De minister dient naar het oordeel van de rechtbank in te gaan op informatie ten aanzien van de omstandigheden in het kamp alvorens te kunnen stellen dat eisers kunnen terugkeren. Adequate opvang primair bij ouders. Schending artt. 3:2 en 3:46 Awb.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.41930 en NL25.41931

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser 1,
V-nummer: [nummer],

en


[naam], eiser 2,
V-nummer: [nummer],

hierna gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),

en

de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. D. Post).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen. Omdat eisers broers zijn en de beroepsgronden in beide zaken nagenoeg identiek zijn, behandelt de rechtbank de zaken gevoegd.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvragen bij afzonderlijke besluiten van 4 augustus 2025 (bestreden besluiten) in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.


2.1.
Eisers hebben gezamenlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.



2.2.
De minister heeft op 10 maart 2026 een verweerschrift ingediend.



2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


Het asielrelaas


3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers zijn broers, stellen van Iraakse nationaliteit te zijn en te behoren tot de jezidi bevolkingsgroep. Eisers hebben verklaard dat zij na de inval van IS in 2014 met hun ouders en overige broers en zussen uit Tel Ezer (regio Sinjar) zijn gevlucht. Vervolgens hebben zijn tot aan hun vertrek uit Irak in het ontheemdenkamp Sedje in Duhok gewoond. Volgens eisers is de algemene situatie voor jezidi’s in Irak slecht. Eiser 1 heeft daarbij verklaard gediscrimineerd en mishandeld te zijn. Bij terugkeer vreest hij gedood te worden.


De bestreden besluiten


4. De asielrelazen van eisers bevatten volgens de minister de volgende asielmotieven:


Identiteit, nationaliteit en herkomst;


Problemen vanwege het behoren tot de jezidi bevolkingsgroep.




4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers’ identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen vanwege het behoren tot de jezidi bevolkingsgroep is niet inhoudelijk beoordeeld zoals omschreven in het IB 2022/102. Omdat de geloofwaardigheid niet wordt beoordeeld en in het midden wordt gelaten, worden alle verklaringen over het asielrelaas als uitgangspunt genomen voor de zwaarwegendheidsbeoordeling.



4.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat uit de verklaringen van eisers niet blijkt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben. Het feit dat eisers uit Irak komen is op zichzelf niet genoeg om te worden aangemerkt als vluchteling, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Wat het tweede asielmotief betreft, stelt de minister zich op het standpunt dat het feit dat eisers jezidi zijn niet maakt dat zij het risico lopen om slachtoffer van vervolging te worden. Eisers krijgen daarom geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.



4.3.
Daarnaast besluit de minister dat eisers geen verblijfsvergunning krijgen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Dat eisers uit Irak komen is op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers voldoende toegang tot levensvoorzieningen zullen hebben. Eisers hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Irak geronseld zullen worden door een gewapende militie. Eisers hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade of een behandeling in strijd met van artikel 3 van het EVRM.



4.4.
De minister concludeert daarom dat de asielaanvragen worden afgewezen. Eisers dienen terug te keren naar Irak. Eisers krijgen geen verblijfsvergunning regulier, uitstel van vertrek om medische redenen of een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (eiser 2). De minister heeft daarom een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarin staat dat eisers Nederland en een aantal andere landen binnen vier weken moeten verlaten.


Het standpunt van eisers


5. Eisers voeren aan dat zij moeten worden aangemerkt als vluchteling, omdat zij als jezidi worden gediscrimineerd in Irak. Zij wijzen op het feit dat zij hebben moeten vluchten en op de moeilijke situatie in het vluchtelingenkamp. Zij wijzen op pesterijen, uitsluitingen van onder andere medische zorg, vernederingen en incidenten op werk en in het maatschappelijke leven. Eisers hebben ook verklaard dat de haatberichten van de imams de discriminatie van jezidi’s erger heeft gemaakt. Deze informatie komt overeen met de informatie van VWN van 2 januari 2025 over de positie van jezidi’s in Irak. Deze informatie heeft de minister volgens eisers onvoldoende in de besluitvorming betrokken.

6. Eisers voeren aan dat zij bij terugkeer naar Irak een reëel risico op ernstige schade lopen. Hun individuele omstandigheid dat zij jezidi zijn maakt, gelet op de algemene situatie voor jezidi in Irak en de omstandigheid dat jezidi vaak zonder normale huisvesting en onder schrijnende omstandigheden in Irak verblijven, dat zij een reëel risico lopen. Bovendien hebben hun ouders het ontheemdenkamp verlaten, waardoor hun (verblijfs)plek daar inmiddels is vergeven. Ook stellen zij dat het kamp gesloten wordt. Eisers verwijzen naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 maart 2026. De minister heeft volgens eisers ten onrechte geen standpunt ingenomen over de situatie in het kamp en of eisers daar naartoe terug kunnen keren. Eiser 2 voert tot slot aan dat er sprake is van schending van artikel 28 van het IVKR. Daarnaast voert hij aan dat hij in Irak geen adequate opvang heeft en hij op grond van het buitenschuldbeleid aanspraak zou moeten maken op een verblijfsvergunning regulier.




Beoordeling door de rechtbank


Zienswijze herhaald en ingelast

7. De rechtbank overweegt dat eisers’ stelling dat hun zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hen niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep hebben aangevoerd.


Situatie in het kamp

8. De rechtbank stelt vast dat de minister het vluchtelingenkamp Sedje, nabij Duhok, waar eisers voor hun vertrek hebben verbleven, beschouwt als de normale woon- of verblijfplaats van eisers.


8.1.
In haar uitspraak van 4 februari 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat door de minister niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. In het in 2019 geldende beleid is vastgesteld dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden in de KAR en daar niet, naar lokale maatstaven gemeten, op een normaal niveau konden functioneren. Medio 2024 is besloten dat deze ontheemdenkampen in de KAR wel kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. Deze beleidswijziging heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 4 februari 2025 onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd geacht. In haar uitspraak van 24 november 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat dit ook heeft te gelden voor de situatie van jezidi’s die buiten de ontheemdenkampen in de KAR wonen. Ook in die gevallen dient de minister uiteen te zetten wat maakt dat voor de jezidi’s de situatie medio mei 2024 in de KAR verbeterd is.



8.2.
In eerdere uitspraken heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat in het licht van de informatie uit het Thematisch ambtsbericht (TAB) van november 2025 de minister niet alleen heeft nagelaten te motiveren waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt, maar bovendien onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige situatie in de ontheemdenkampen niet maakt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi.



8.3.
De rechtbank stelt vast dat het kamp Sedje niet wordt genoemd in de lijst van ontheemdenkampen in het TAB. Het TAB beperkt zich tot de binnenlands ontheemden in de ontheemdenkampen onder gezag van de KRG en omvat geen beschrijving van de situatie van de binnenlands ontheemden in informal settlements. Tijdens de zitting kon geen nadere informatie over het kamp Sedje gegeven worden. Uit het Algemeen Ambtsbericht Irak (AAB) van november 2023 blijkt dat in federaal Irak in de verslagperiode ongeveer 103.000 mensen in langdurige ontheemding in ‘informal sites’ verbleven, dat de omstandigheden in de meer grootschalige, kampachtige informal sites verschilden, maar dat deze in verband met een gebrek aan publieke dienstverlening over het algemeen nog moeilijker waren dan de condities in formele ontheemdenkampen. Ontheemden op informele locaties hadden over het algemeen geen mogelijkheden om in hun levensonderhoud te voorzien, hadden regelmatig geen toegang tot voldoende water, sanitaire voorzieningen of andere essentiële diensten, en ontvingen beperkte of geen humanitaire hulp, zo is in het AAB aangegeven.



8.4.
De minister dient naar het oordeel van de rechtbank in te gaan op deze informatie ten aanzien van de omstandigheden in het kamp alvorens te kunnen stellen dat eisers kunnen terugkeren. Voor eiser 2 geldt bovendien dat de minister er in het bestreden besluit vanuit gaat dat zijn ouders hem adequaat kunnen opvangen, maar eisers hebben gesteld dat hun ouders niet langer in het kamp verblijven en zijn teruggekeerd naar Sinjar. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser 2 met zijn broer, eiser 1, terug kan naar het kamp, maar dat het hem vrij staat terug te gaan naar zijn ouders. De rechtbank overweegt dat volgens het beleid bij het zoeken naar een vorm van opvang die als adequaat mag worden beschouwd, primair zal worden getracht om de minderjarige met de ouder(s) te herenigen, waarbij geldt dat opvang bij ouders in beginsel als adequaat is aan te merken. De rechtbank overweegt dat de minister gelet hierop voor eiser 2 ook hierom onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het kamp Sedje als gewone woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt.



8.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het voorgaande sprake van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Het beroep is alleen daarom al gegrond en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.





Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.


9.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van de proceskosten. Vanwege de samenhang van de zaken stelt de rechtbank deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1).






Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Vreemdelingenwet 2000.


Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.


Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


VluchtelingenWerk Nederland.


Uitspraak rechtbank Den Haag van 17 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:5719).


Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169) en 7 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1028).


ECLI:NL:RBDHA:2025:1393.


ECLI:NL:RBDHA:2025:22152.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9623.


Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.


TAB, p. 17.


Kurdistan Regional Government.


TAB, p. 5.


AAB, p. 93 en 94.


Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf B8/6.1.
Link naar deze uitspraak