Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:14890 
 
Datum uitspraak:03-06-2026
Datum gepubliceerd:16-06-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/683203
Rechtsgebied:Intellectueel-eigendomsrecht
Indicatie:Wanprestatie, merkinbreuk of ander onrechtmatig handelen doordat Celieplant van Container Centralen afkomstige eurocontainers zou stallen op het terrein van een derde? Dreiging vervuiling Eurcontainer Poolsysteem van Container Centralen doordat Celieplant namaakcontainers verder in circulatie zou brengen? Vorderingen Container Centralen afgewezen. Bewijsbeslag in dit geval niet vervallen door de indiening van de verklaring van art. 1019i v. , beslagen opgeheven.
Trefwoorden:huurovereenkomst
huurovereenkomsten
kwekerij
stallen
tarieven
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/683203 / HA ZA 25-301


Vonnis van 3 juni 2026


in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

CONTAINER CENTRALEN A/S,
te Odense (Denemarken),
eisende partij,
hierna te noemen: Container Centralen,
advocaat: mr. B. Niemeijer,

tegen


CELIEPLANT B.V.,
te Aalsmeer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Celieplant,
advocaat: mr. F. Diepraam.





1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat voor zover van belang uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 28 maart 2025;


de akte overlegging producties van Container Centralen van 8 april 2025, met producties EP01 t/m EP15;


de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van Celieplant van 13 augustus 2025, met productie GP01;


het tussenvonnis van 17 september 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;


de conclusie van antwoord in reconventie van Container Centralen van 8 oktober 2025, met producties EP16 t/m EP20;


de akte overlegging producties van Container Centralen, met producties EP21 t/m EP24, ingediend bij bericht van 14 november 2025;


de akte overlegging producties en uitlating van Celieplant, met producties GP02 t/m GP06, ingediend bij bericht van 17 november 2025;


het e-mailbericht van Celieplant van 17 november 2025, met akte en aanvullende producties GP07 en GP08;


de akte overlegging producties GP09 en GP10 van Celieplant van 26 november 2025;


de akte overlegging producties van Container Centralen, met productie EP25, ingediend bij bericht van 26 november 2025.





1.2.
Op 27 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat vonnis wordt gewezen.






2De feiten


In conventie en in reconventie



Introductie van partijen



2.1.
Container Centralen is een in 1976 in Denemarken opgerichte onderneming. Zij is volledig in handen van de Nederlandse Vereniging voor Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten.



2.2.
Container Centralen exploiteert twee rouleer (dan wel pool-)systemen van containers die gebruikt en uitgewisseld worden in onder meer de bloemen- en potplantenbranche. In deze procedure gaat het om de roulatie van de CC Eurocontainer, ook wel EC Container of EC (kar) genoemd. Dit rouleersysteem zal worden aangeduid als het CC Eurocontainer Poolsysteem.



2.3.
Celieplant is een onderneming die zich bezighoudt met de (groot)handel in planten. Zij doet dat onder meer in de rol van importeur, exporteur en commissionair.


Intellectueel eigendomsrechten van Container Centralen




2.4.
Container Centralen is houdster van het hierna weergegeven Uniebeeldmerk (hierna: het Merk), op 9 april 2009 geregistreerd onder registratienummer 007164981, voor waren en diensten in klassen 6, 12, 20 en 39.








2.5.
Op de CC Eurocontainer rustte ook een modelrecht. Dit modelrecht is door het verstrijken van de maximale duur van 25 jaar inmiddels verlopen. Het octrooi dat Container Centralen bezat (EP 0679137B1) is evenzeer verlopen.


De CC Eurocontainer




2.6.
De CC Eurocontainer heeft een basiselement dat bestaat uit een platform met vier wielen, in de vorm van een metalen rooster van 810 mm x 608 mm. Het basiselement kan worden opgebouwd met vier staanders die in de beugels kunnen worden geplaatst. Tussen de beugels kunnen legplaten worden bevestigd. De CC Eurocontainer ziet er als volgt uit:







De afmetingen van de Eurocontainer zijn afgestemd op de verkoop in de winkel direct vanaf de container.



2.7.
Alle CC Eurocontainers zijn voorzien van echtheidskenmerken, te weten het eigendomsvoorbehoud van Container Centralen (“property of CC”) en het Merk. Deze echtheidskenmerken bevinden zich onder meer op de onderste metalen plaat (door middel van een sticker), op het zwenkwiel (door een gravure), op de bovenplaat van het zwenkwiel (door een gravure) en op de zijkant van de onderste legplaat (eveneens door een gravure).



2.8.
CC Eurocontainers worden in opdracht van Container Centralen geproduceerd en vervolgens door Container Centralen in de markt gezet door ze in te brengen in het CC Eurocontainer Poolsysteem.


Het CC Eurocontainer Poolsysteem




2.9.
Het CC Eurocontainer Poolsysteem houdt in dat Container Centralen, op basis van daartoe gesloten huurovereenkomsten, CC Eurocontainers aan derden (de contractanten) verhuurt. Op grond van de huurovereenkomst tussen Container Centralen en de contractant verkrijgt de contractant het recht een gecontracteerd aantal CC Eurocontainers en bijbehorende materialen te gebruiken. Binnen het CC Eurocontainer Poolsysteem kunnen de contractanten van Container Centralen de CC Eurocontainers onderling met elkaar uitwisselen. Op deze manier wordt bewerkstelligd dat een partij (bijvoorbeeld een kwekerij) een beladen container kan afleveren bij een andere partij (bijvoorbeeld een veiling) en eventueel vandaaruit aan verdere afnemers, zonder dat bij elke tussenstop de op de container geladen producten (bijvoorbeeld planten) van de ene container op de andere overgeplaatst hoeven te worden. In plaats daarvan levert de contractant een beladen CC Eurocontainer af en ontvangt daarvoor een lege CC Eurocontainer als retourgoed terug.



2.10.
Op voornoemde huurovereenkomsten zijn de General Terms and Conditions CC Eurocontainer System, November 2023 (hierna: de AV ECS) van toepassing.



2.11.
Celieplant is tot 2023 contractant van Container Centralen geweest in het CC Eurocontainer Poolsysteem.


OWS-overeenkomsten tussen partijen




2.12.
Op 19 april 2024 hebben partijen met elkaar een aantal overeenkomsten gesloten, met de titel Pool Usage Contract / Service Contract: One Way Service (hierna ook wel aangeduid als: de OWS-overeenkomsten). Op grond van deze overeenkomsten verhuurt Container Centralen een bepaalde hoeveelheid rolcontainers aan Celieplant voor het transport van planten naar een aantal specifieke klanten, waaronder Costco UK en Aldi België. Bij de OWS-overeenkomsten met betrekking tot Aldi wordt gebruik gemaakt van de CC Eurocontainers.



2.13.
Onder de OWS-overeenkomsten volgen de containers die door Container Centralen aan Celieplant worden verhuurd de volgende ‘route’: de overeengekomen hoeveelheid gestapelde onderdelen van de containers wordt door een transporteur van Celieplant bij een depot van Container Centralen opgehaald en vanaf daar naar een kweker gebracht. Daar worden de rolcontainers in elkaar gezet en gevuld met planten. Vervolgens worden de karren naar de eindklant gebracht. Daar worden ze geleegd, uit elkaar gehaald en gestapeld. Container Centralen haalt dezelfde overeengekomen hoeveelheid gestapelde onderdelen van de karren daar zelf op om ze terug te brengen naar haar eigen depot. Tussen het moment van afgifte (op het depot) en ophalen (bij de klant) van de containers mag volgens de OWS-overeenkomsten niet meer dan veertien dagen zitten.



2.14.
Op de tussen partijen gesloten One Way Service contracten zijn de General Terms and Conditions of Pool Management Services, Container Centralen A/S van toepassing (hierna te noemen: de AV PMS).



2.15.
De AV PMS bevatten, voor zover relevant, de volgende bepalingen:


Article 6. Ownership of the CC RTls [RTL staat voor Returnable Reusable Transport Item owned by or managed by Container Centralen, rb]
All CC owned RTls, identification marks, as well as all intangible rights regarding these items and marks including, but not limited to, trademark rights to the logo, belong to Container Centralen A/S, (…) and shall remain the property of CC and may not be sold, mortgaged, pledged as security or leased out by the Customer, nor may they be used in any other way that infringes on the property rights of CC (…).


Article 7. CC RTI specification

(…)
3. The CC RTIs shall only be used in the supply chain mentioned on the front page of this contract and cannot be used outside of the scope – both the territory and the retail locations concerned – of this contract.


Andere producenten/aanbieders van eurocontainers




2.16.
Er zijn inmiddels verschillende andere producenten/aanbieders van eurocontainers actief.


2.17.
Celieplant huurt van onder meer van Bunnik B.V. eurocontainers.


Bewijsbeslag onder J.B.B. Pack B.V. te Maasdijk (hierna: JBB)




2.18.
Op 20 en 21 maart 2024 heeft de deurwaarder op verzoek van Container Centralen en na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter een gedetailleerde beschrijving ten laste van JBB opgemaakt. In het daartoe opgemaakte proces-verbaal is het volgende opgenomen:

“Hiertoe heb ik toegang gekregen tot het magazijn op deze locatie en de achtergelegen opslagplaats. De aanwezige Euro containers en de nagenoeg identieke imitatie EC-containers en daaraan gerelateerde palen/staanders en platen/leggers zijn door mij geteld, als volgt:






Op 21 maart 2024 heb ik een aanvulling gemaakt op deze beschrijving met de intentie exact de gelijkenissen en overeenkomsten van de "originele EC" container met de ongebruikte imitatie EC container vast te stellen, voor zover die nog niet voldoende zou blijken uit de reeds gemaakte foto's. Omstreeks 8:10 uur heb ik mij begeven naar de opslagplaats buiten, naast het magazijn. Ter plaatse bleek dat alle ongebruikte (imitatie) onderstellen niet meer aanwezig waren en een groot deel van de nieuwe ongebruikte platen/leggers en palen/staanders eveneens ontbraken. Ook van deze constatering zijn foto's gemaakt.







Volgens mededelingen van de magazijnmedewerker van JBB (…) zijn deze artikelen opgehaald door de eigenaar en stond dit materiaal hier slechts in depot. Er is, volgens mededeling van (…) geen vrachtbrief van de uitgifte van deze zaken omdat volgens zijn mededeling deze zaken geen voorraad zijn van JBB Pack.

Ten aanzien van de voorraad gebruikte EC-containers (aanwezig binnen in het magazijn) heeft hij mij wel (op 20-03-2024) een ongedateerde en niet ondertekende leveringsbon getoond (bijlage 1 - afdruk van foto IMG_2153). Op 21-03-2024 heeft hij mij het transportdocument (CMR) getoond welke was voorbereid voor het transport/uitlevering van de in het magazijn opgeslagen gebruikte EC-containers, staanders en leggers (bijlage 2 - afdruk van foto IMG_2152).

Van de waarnemingen op locatie zijn foto's gemaakt welke onderdeel uitmaken van dit proces-verbaal – een weergave van de bestandsnamen en de bestandsgrootte is bijgevoegd in bijlage 3.”



2.19.
Bijlage 1 bij voornoemd proces-verbaal bevat de volgende vermelding: “Afleverbon (ongedateerd) zoals ontvangen door JBB bij binnenkomst EC containers aldus [naam medewerker magazijn JBB, rb]” en foto:









2.20.
Bijlage 2 bij voornoemd proces-verbaal bevat de volgende vermelding “Uitgiftebon CMR (d.d. 21-03-2024) welk door JBB zal worden verstrekt bij de geplande uitgifte van EC containers namens Celieplant, Aalsmeer aan Van Lint, Insteek, Boskoop via BBT Transport” en foto:








2.21.
Op 29 mei 2024 heeft de heer S. van Tol namens Celieplant een schriftelijke verklaring afgegeven met de volgende inhoud:








Gedetailleerde beschrijving en bewijsbeslag ten laste van Celieplant




2.22.
Op 23 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, na een daartoe door Container Centralen gedaan verzoek, verlof verleend tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag onder Celieplant, op de in het verzoekschrift onder randnummer 8.12 vermelde bescheiden en/of digitale bestanden en/of gegevensdragers. Daarbij is ook verlof verleend om een gedetailleerde beschrijving te maken van de in het verzoekschrift onder randnummer 10.1 bedoelde zaken en/of omstandigheden. De voorzieningenrechter heeft de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv op drie maanden na het eerst gelegde beslag bepaald en de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van de beschikking.



2.23.
Op 30 september 2024 heeft de deurwaarder een gedetailleerde beschrijving opgemaakt en conservatoir bewijsbeslag gelegd onder Celieplant.



2.24.
In het proces-verbaal van gedetailleerde beschrijving van 30 september 2024 heeft de deurwaarder het volgende opgenomen:

“De aanwezige Euro containers en de nagenoeg identieke imitatie EC-containers en daaraan gerelateerde platen/leggers zijn door mij geteld, als volgt:

ca 380 EC-containers (onderstel met wieltjes) waarvan circa 8% imitaties;
ca 5460 EC-platen waarvan circa 2 tot 3 % imitaties;
de EC-palen zijn niet geteld.

De aanwezige voorraad is grotendeels weergegeven in bijlage 1),

(…)”



2.25.
Bijlage 1 bij dit proces-verbaal ziet er als volgt uit:






























2.26.
Tevens heeft de deurwaarder proces-verbaal opgemaakt van de op 30 maart 2024 in conservatoir bewijsbeslag genomen digitale bescheiden.



2.27.
Op verzoek van Container Centralen heeft Celieplant op 20 november 2024 vrijwillig een gedetailleerde beschrijving van de onder het beslag vallende bescheiden verstrekt. Celieplant heeft geen inzage in de beslagen bescheiden willen geven.





3Het geschil


In conventie



3.1.
Container Centralen vordert (samengevat) dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. Celieplant beveelt om de toerekenbare tekortkoming en de inbreuken op het merkrecht van Container Centralen, te staken en gestaakt te houden, waaronder in elk geval begrepen het op voorraad hebben, in- en verkopen, aanbieden, huren en verhuren of anderszins in circulatie brengen van (originele) Eurocontainers;
2. Celieplant beveelt het op voorraad hebben, huren, inkopen, aanbieden, verkopen of anderszins in circulatie brengen van de (namaak) eurocontainer en materialen te staken en gestaakt te houden;
3. bepaalt dat Container Centralen inzage krijgt in en door afgifte de beschikking krijgt over afschriften van de door de deurwaarder in beslag genomen en bij hem in bewaring gegeven relevante bescheiden voor zover die gegevens (kunnen) bevatten over voorraad etc., in verband met de (vermoede) merkinbreuk, wanprestatie en/of slaafse nabootsing van de Eurocontainer;
4. bepaalt dat Container Centralen inzage krijgt in en door afgifte de beschikking krijgt over afschriften van de door de deurwaarder in beslag genomen en bij hem in bewaring gegeven relevante bescheiden voor zover in die bescheiden de in het petitum onder 4. genoemde zoektermen voorkomen en informatie verschaffen over de (vermoede) merkinbreuk, wanprestatie en/of slaafse nabootsing, waaronder begrepen documenten gerelateerd aan transacties tussen JBB en Celieplant;
5. Celieplant gebiedt om al hetgeen bekend is omtrent de herkomst van de bij haar aanwezige of voormalig aanwezige Eurocontainers, Eurocontainer platen en toebehoren aan Container Centralen te verstrekken;
6. Celieplant gebiedt om alle in haar bezit zijnde (op voorraad, dan wel verstrekt aan derde(n), dan wel door haar verkregen voor derde(n)) Eurocontainers en daarbij horende materialen af te geven aan Container Centralen;
7. Celieplant gebiedt om alle in haar bezit zijnde namaak eurocontainers en daarbij horende namaak materialen te (doen) vernietigen en Container Centralen bewijs te verstrekken van vernietiging;
8. Celieplant beveelt medewerking te verlenen aan het hiervoor gevorderde onder 3 t/m 7;
9. Celieplant veroordeelt tot betaling aan Container Centralen van een dwangsom wegens handelen in strijd met enig bevel gegeven onder sub 1 t/m 8;
10. Celieplant veroordeelt tot vergoeding van de door Container Centralen geleden en nog te lijden schade als gevolg van de inbreuken op het merk, wanprestatie en/of het onrechtmatig handelen, welke schade nader opgemaakt zal worden bij staat;
11. Celieplant veroordeelt tot vergoeding van de volledige proceskosten van Container Centralen in deze procedure, inclusief de kosten van beslag, op grond van artikel 1019h Rv.



3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Container Centralen de rechtbank, in geval de rechtbank een algehele vernietigingsveroordeling te verstrekkend zou vinden, gevorderd om:
i) Celieplant te verbieden om imitaties nog langer in te zetten of door te leveren,
ii) Celieplant te verplichten om die containers te identificeren en apart te zetten en
iii) Celieplant te verplichten mee te werken aan een door Container Centralen te organiseren oplossing voor verdere sanering van die imitaties.



3.3.
Celieplant voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet ontvankelijkverklaring van Container Centralen in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van Container Centralen in de proceskosten ex artikel 1019h Rv. Celieplant heeft zich tijdens de mondelinge behandeling verzet tegen de vordering zoals weergegeven onder 3.2, die zij als een eiswijziging beschouwt.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.


In reconventie




3.5.
Celieplant vordert (samengevat) dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. de door Container Centralen op 30 september 2024 ten laste van Celieplant gelegde beslagen opheft, althans Container Centralen veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de genoemde beslagen op te (doen) heffen c.q. door te halen en daarvan mededeling te doen aan de deurwaarder en de gerechtelijk bewaarder;
2. de gerechtelijke bewaring van de op 30 september 2024 en 3 oktober 2024 aan de gerechtelijk bewaarder in bewaring gegeven gegevensdragers, bescheiden en gedetailleerde beschrijvingen beëindigt, althans Container Centralen veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de genoemde gerechtelijke bewaring te (doen) beëindigen;
3. Container Centralen veroordeelt om ervoor zorg te dragen dat de volgens het proces-verbaal van conservatoir bewijsbeslag d.d. 30 september 2024 in beslag genomen en vervolgens aan de deurwaarder in bewaring gegeven gegevensdragers, bescheiden en gedetailleerde beschrijvingen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis worden overhandigd aan Celieplant, en dat alle eventuele daarvan gemaakte kopieën, samenvattingen of andere bewerkingen daarvan binnen eenzelfde termijn zullen zijn vernietigd;
4. bepaalt dat Container Centralen aan Celieplant een dwangsom verbeurt van € 100.000 voor iedere dag dat Container Centralen in gebreke blijft om aan het onder 1, 2 en/of 3 bepaalde te voldoen;
5. Container Centralen veroordeelt in de proceskosten ex artikel 1019h Rv.



3.6.
Container Centralen voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet ontvankelijk verklaring van Celieplant in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Celieplant in de proceskosten.



3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


In conventie en in reconventie



Bevoegdheid



4.1.
Voor zover Container Centralen haar vorderingen grondt op (inbreuk op) het Merk, is de rechtbank op grond van de artikelen 123 lid 1, 124 aanhef en onder a en 125 lid 1 van de UMVo in verbinding met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-Verordening inzake het Gemeenschapsmerk (internationaal en relatief) bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van Container Centralen, omdat Celieplant gevestigd is in Nederland. Deze bevoegdheid strekt zich overeenkomstig artikel 126 lid 1 onder a UMVo uit tot de gehele Europese Unie.



4.2.
Voor zover de vorderingen op een andere grondslag berusten, is deze rechtbank alleen al bevoegd, omdat de bevoegdheid niet door Celieplant is bestreden. Ook in reconventie is de rechtbank bevoegd nu het gevorderde tot de competentie van de rechtbank behoort.


Eiswijziging in conventie




4.3.
Met Celieplant is de rechtbank van oordeel dat de eerst ter zitting verwoorde eiswijziging (die een andere eis inhoudt en niet kan worden geacht het mindere te zijn van de oorspronkelijke vordering of daarin besloten te liggen) tardief is. Het verzet daartegen is dus gegrond. De rechtbank zal de eiswijziging niet in de beoordeling betrekken.


Wanprestatie, merkinbreuk of ander onrechtmatig handelen?




4.4.
Container Centralen stelt dat Celieplant toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de OWS-overeenkomsten, door Eurocontainers afkomstig van Container Centralen te stallen op het terrein van JBB. Celieplant maakt bovendien inbreuk op het Merk zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 sub a UMVo, omdat zowel bij JBB als bij Celieplant originele (afkomstig van Container Centralen en voorzien van het Merk) en namaak eurocontainers zijn aangetroffen. Door het aanbieden en/of verhuren of anderszins verhandelen van Eurocontainers voorzien van het Merk maakt Celieplant merkinbreuk. Celieplant handelt ook onrechtmatig door het verder in circulatie brengen van namaak containers. Hierdoor vervuilt het Eurocontainer Poolsysteem met niet van de originele te onderscheiden namaak eurocontainers, waardoor Container Centralen extra kosten moet maken. Celieplant heeft dit alles gemotiveerd betwist.



4.5.
De rechtbank is van oordeel dat Container Centralen haar stellingen, in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door Celieplant, onvoldoende heeft onderbouwd. Tussen partijen staat vast dat de CC Eurocontainers die Celieplant op grond van de OWS-overeenkomsten van Container Centralen huurt een "gesloten route" van kweker naar eindklant afleggen (zie 2.13). Container Centralen haalt immers de door Celieplant van haar gehuurde CC Eurocontainers zelf weer bij de eindklant van Celieplant op. Deze CC Eurocontainers kunnen dus niet bij Celieplant achterblijven.


4.6.
Celieplant heeft daarbij voldoende onderbouwd dat zij van derden eurocontainers huurt, bijvoorbeeld van Bunnik, voor het transport van planten waar zij als importeur, exporteur en commissionair bij is betrokken. Tussen partijen staat vast dat er inmiddels verschillende marktpartijen zijn die qua uiterlijk en afmetingen sterk vergelijkbare eurocontainers maken. Deze marktpartijen mogen dit in beginsel ook doen, nu het octrooirecht en het modelrecht van Container Centralen inmiddels zijn vervallen. Dergelijke eurocontainers mogen in beginsel worden verhuurd; het staat Celieplant op haar beurt in beginsel vrij om deze te huren. Gesteld noch gebleken is immers dat Celieplant deze eurocontainers huurt met het doel om deze eurocontainers mee te laten draaien in het CC Eurocontainer Poolsysteem of dat Celieplant dat zou doen in de wetenschap dat de gehuurde eurocontainers daadwerkelijk in het CC Eurocontainer Poolsysteem terecht zullen komen. In het geval Celieplant eurocontainers van anderen huurt ligt het in de lijn der verwachting dat Celieplant deze containers soms korte tijd moet opslaan voordat deze weer worden opgehaald of voor het vervoer van een andere partij planten kunnen worden ingezet. Hiertegen kan Container Centralen zich dus evenmin verzetten. Hierbij komt dat Container Centralen, tegenover de betwisting door Celieplant, niet voldoende heeft onderbouwd dat zij de enige partij is die CC Eurocontainers verhuurt. Ook andere partijen verhuren deze soms.



4.7.
Tegenover de betwisting door Celieplant heeft Container Centralen evenmin voldoende onderbouwd dat Celieplant een voorraad van namaak eurocontainers of van CC Eurocontainers aanhoudt of deze zelf te koop of te huur aanbiedt dan wel (verder) in circulatie brengt. Uit de beschrijving van de deurwaarder en de verklaring van Van Tol kan niet worden afgeleid dat Celieplant, buiten de OWS-overeenkomsten om, andere activiteiten ontplooit met CC Eurocontainers. Uit de processen-verbaal volgt ook niet ondubbelzinnig dat de door de deurwaarder bij JBB en bij Celieplant aangetroffen eurocontainers daadwerkelijk voorzien waren van het Merk. De deurwaarder heeft dat immers niet met zoveel woorden in de processen-verbaal vermeld en het is ook niet waar te nemen op de daarbij behorende foto’s. De deurwaarder bezigt in de processen-verbaal weliswaar de termen ‘EC containers’, ‘originele EC container’, ‘Eurocontainers’ enerzijds en ‘imitaties’, ‘imitatie EC containers’ en ‘nagenoeg identieke imitatie EC-containers’ anderzijds, maar hij heeft nagelaten toe te lichten wat hij precies met deze termen bedoelt en waarop hij baseert dat het om EC containers gaat. Daarmee kan uit het proces-verbaal van de deurwaarder ook niet worden afgeleid dat de aangetroffen containers daadwerkelijk CC Eurocontainers waren. Tijdens de zitting heeft Container Centralen gesteld dat de betreffende deurwaarder aan de advocaat van Container Centralen heeft meegedeeld dat de containers die hij heeft aangetroffen voorzien zijn van het Merk, maar daarvan zit geen onderbouwing in het dossier. Hiervan kan dus niet worden uitgegaan.



4.8.
Kortom, Container Centralen heeft tegenover de betwisting door Celieplant onvoldoende onderbouwd dat sprake is van wanprestatie, merkinbreuk of onrechtmatig handelen aan de zijde van Celieplant. Dit betekent dat alle daarop gegronde vorderingen van Container Centralen moeten worden afgewezen. De gevorderde inzagevorderingen delen dat lot. Bij deze stand van zaken heeft Container Centralen geen voldoende (rechtmatig) belang om inzage in het beslagen bewijs te verkrijgen, om zo alsnog de gestelde onrechtmatige daad en/of de gestelde merkinbreuk te kunnen onderbouwen.





Vorderingen in reconventie




4.9.
Celieplant vordert in reconventie, kort gezegd, de door Container Centralen ten laste van Celieplant gelegde beslagen op te heffen, althans deze op te (doen) heffen c.q. door te halen en daarvan mededeling te doen aan de deurwaarder en de gerechtelijk bewaarder, de gerechtelijke bewaring te (doen) beëindigen en Container Centralen te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat de in gerechtelijke bewaring genomen stukken worden overhandigd aan Celieplant, en dat alle eventuele daarvan gemaakte kopieën, samenvattingen of andere bewerkingen daarvan zullen zijn vernietigd op straffe van een dwangsom.



4.10.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 23 september 2024 verlof verleend tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag onder Celieplant (zie hiervoor onder 2.22). Daarbij is, voor zover nodig, de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv op drie maanden na het eerst gelegde beslag gesteld en de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na 23 september 2024. Het beslag is gelegd op 30 september 2024.



4.11.
Op 18 december 2024 heeft Container Centralen, met instemming van Celieplant, verzocht om verlenging van de termijn als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv met drie maanden. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 23 december 2024 toegestaan. De op grond van artikel 700 lid 3 Rv gestelde termijn voor het aanhangig maken van de hoofdzaak liep daarmee af op 30 maart 2025. De ingevolge artikel 1019i Rv gestelde termijn liep een paar dagen eerder af, en wel op 23 maart 2025 (zes maanden na de datum van de beschikking van 23 september 2024). De dagvaarding in deze bodemprocedure is op 28 maart 2025 betekend. De dagvaarding is dus wel binnen de op grond van art. 700 lid 3 Rv gestelde termijn uitgebracht, maar de ingevolge artikel 1019i Rv gestelde termijn was toen een paar dagen verstreken. Celieplant heeft vervolgens bijna vijf maanden later, op 19 augustus 2025, de verklaring als bedoeld in laatstgenoemd artikel ter griffie ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank kan in rechte niet worden aanvaard dat de getroffen voorzieningen op 19 augustus 2025 alsnog hun kracht hebben verloren. De rechtbank licht dit als volgt toe.



4.12.
In de parlementaire geschiedenis is, voor zover van belang, de volgende passage opgenomen:

“Artikel 2.13.7 (…)
Artikel 50, zesde lid, TRIPs bepaalt, voor zover hier van belang, dat voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben, indien de procedure die leidt tot een beslissing ten principale niet wordt aangevangen binnen een redelijke termijn, te bepalen door de rechter die maatregelen gelast of, wanneer geen termijn wordt bepaald, binnen een termijn van ten hoogste twintig werkdagen of eenendertig kalenderdagen, al naar gelang welke termijn de langste is. De Nederlandse regering had zich in haar interventie in deze zaak op het standpunt gesteld dat het kort geding geen voorlopige voorziening in de zin van artikel 50, zesde lid, TRIPS is; daarom was ook geen wetgeving tot stand gebracht om de Nederlandse wetgeving in overeenstemming met de TRIPs-bepaling te brengen. Wellicht bestaat de noodzaak om een wettelijke bepaling over dit onderwerp op te nemen ook nu nog niet. De Nederlandse wetgeving kan
overeenkomstig TRIPs uitgelegd worden: de kort geding rechter is bevoegd een termijn te bepalen waarbinnen een bodemprocedure ingeleid moet worden. De presidenten hebben dat sinds de inwerkingtreding van TRIPs ook meermalen gedaan in zaken betreffende de intellectuele eigendom. Het komt echter juister voor thans wel tot wetswijziging over te gaan. De vraag of artikel 50, zesde lid, TRIPs directe werking heeft, is immers nog steeds onbeantwoord. (…)

In zaken als bedoeld in artikel 50, eerste lid, TRIPs krijgt de president de opdracht, zo nodig ambtshalve, een redelijke termijn te bepalen waarbinnen de eis in de hoofdzaak ingesteld kan worden. Voorgesteld wordt die termijn niet wettelijk te fixeren. Aldus kan de rechter rekening houden met de omstandigheden van het geval en met de positie van partijen. De bescherming die artikel 50 TRIPs de gedaagde beoogt te bieden, brengt mee dat voor de vraag welke termijn redelijk is, gekeken dient te worden naar de tijd die verstrijkt tussen het van kracht worden van de voorlopige voorziening en het moment dat de bodemprocedure wordt aangevangen. Verklaart de president zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dan wordt de voorlopige voorziening van kracht ondanks eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. Ten einde te voorkomen dat de gedaagde te lang verstoken blijft van een door eiser te initiëren beoordeling ten gronde, verdient het geen aanbeveling dat - zoals thans wel gebeurt - de president een termijn bepaalt die loopt vanaf
het moment van onherroepelijk worden van de voorlopige voorziening. Nadat een termijn bepaald is, is het aan partijen om te overleggen of ze wel of niet een bodemprocedure willen beginnen. Partijen zullen kunnen
afspreken dat geen bodemprocedure aangespannen zal worden. Ze zullen na de uitspraak in kort geding ook tot een schikking kunnen komen. Dat is thans niet anders. De omstandigheid dat een termijn bepaald wordt is
echter wel van invloed enerzijds op de onderhandelingspositie van de gedaagde en anderzijds op de strategie van de eiser.

Komen partijen echter niet tot een dergelijke overeenstemming en is binnen de door de president gestelde termijn geen bodemprocedure aangebracht, dan heeft de gedaagde overeenkomstig artikel 50, zesde lid,


TRIPs het in zijn macht om de voorlopige voorziening haar kracht te doen verliezen. Hij kan dat gevolg bereiken door indiening van een verklaring bij de griffie, aldus de tweede volzin van het eerste lid (vergelijk het huidige artikel 116, vijfde lid, Rv. Er is van afgezien een nieuwe beslissing van de president voor te schrijven. Dat zou geen zin hebben, omdat de president toch in alle gevallen de gevorderde buitenwerkingstelling van de voorlopige voorziening zou moeten toestaan. De regels in het derde lid strekken ertoe dat onduidelijkheden bij de betrokken partijen en bij de griffie zoveel mogelijk worden voorkomen.
Volgens het slot van artikel 50, zesde lid, TRIPs geldt een termijn van 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, als de rechter geen termijn bepaald heeft waarbinnen een eis in de hoofdzaak ingesteld moet worden. Die bepaling
vindt men terug in het tweede lid van artikel 2.13.7”



4.13.
Anders dan in Rb. Midden-Nederland 29 mei 2013 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat uit de aangehaalde passage (met name gezien de vetgedrukte stukken) niet kan worden afgeleid dat het niet ter zake doet of de bodemprocedure aanhangig is gemaakt op het moment van het indienen van de verklaring ex art. 1019i Rv. Het doel van de ingevolge art. 1019i Rv te stellen termijn is immers te voorkomen dat een gedaagde te lang verstoken blijft van een door eiser te initiëren beoordeling ten gronde. Bij het bepalen van de termijn moet de rechter rekening houden met de omstandigheden van het geval en met de positie van beide partijen. In redelijkheid valt niet in te zien waarom (ver) nadat eiser een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt (waarin beoordeling ten gronde van zijn aanspraken zal plaatsvinden) een gedaagde het nog in zijn macht zou moeten kunnen hebben om de op verzoek van eiser getroffen voorzieningen te doen vervallen. In een dergelijk geval is bescherming van de gedaagde (om het beoogde evenwicht tussen partijen te bereiken) juist niet meer aangewezen. In dit geval heeft Container Centralen op 28 maart 2025 weliswaar niet binnen de ingevolge artikel 1019i Rv gestelde termijn, maar wel binnen een redelijke termijn de bodemprocedure aanhangig gemaakt. Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat de indiening van de verklaring in dit geval niet tot verval van de voorzieningen heeft geleid.



4.14.
De reconventionele vorderingen zullen hierom, gelet op de beslissing in conventie en ook op de praktische uitvoerbaarheid, als na te melden worden toegewezen. De vorderingen van Container Centralen zijn immers ondeugdelijk; het belang van Celieplant bij opheffing van de beslagen weegt zwaarder dan het belang van Container Centralen bij handhaving. Nu de gerechtelijke bewaring haar grond vindt in een beslag heeft opheffing van het beslag van rechtswege opheffing van de bewaring tot gevolg (art. 860 lid 2 Rv). Aan de veroordelingen in reconventie zal een (gemaximeerde) dwangsom worden verbonden op de hierna te vermelden wijze. Voor het overige worden de vorderingen (bij gebrek aan belang) afgewezen.


Proceskosten




4.15.
Container Centralen heeft in conventie en in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij te gelden. Zij zal de door Celieplant gemaakte proceskosten hebben te dragen. Celieplant maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. Zij heeft daartoe specificaties van haar advocaatkosten ingediend van in totaal € 45.736,85 (GP09).



4.16.
Deze zaak heeft een gemengde grondslag en betreft mede de handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv. De rechtbank past de Indicatietarieven in IE-zaken (versie februari 2026) toe. De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Deze zaak valt, gelet op het relevante feitencomplex en de grondslagen van de vorderingen, naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ‘normale bodemzaak’ met een maximumtarief van € 21.000,-. De rechtbank zal voor wat betreft het IE-deel de door de Celieplant gemaakte en gespecificeerde advocaatkosten tot dat maximumbedrag toewijzen. Voor wat betreft het niet- IE-deel past de rechtbank 50% van het toepasselijke liquidatietarief toe, à € 653,- in totaal.



4.17.
Het toe te wijzen bedrag aan advocaatkosten (€ 21.653,-) wordt verhoogd met het griffierecht van € 714,-. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2026: € 296,00). In geval van betekening worden een extra bedrag aan salaris (per 1 februari 2026: € 98,-) en de explootkosten van betekening toegekend.



4.18.
De proceskosten aan de zijde van Celieplant worden aldus begroot op € 22.663,-. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.





5De beslissing

De rechtbank


in conventie



5.1.
wijst het door Container Centralen gevorderde af;


in reconventie




5.2.
heft de gelegde beslagen op;



5.3.
verstaat dat de gerechtelijke bewaring hiermee ook is opgeheven;



5.4.
veroordeelt Container Centralen om ervoor zorg te dragen dat de volgens het proces-verbaal van conservatoir bewijsbeslag d.d. 30 september 2024 in beslag genomen en vervolgens aan de deurwaarder in bewaring gegeven gegevensdragers, bescheiden en gedetailleerde beschrijvingen binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis worden overhandigd aan Celieplant, èn dat alle eventuele daarvan gemaakte kopieën, samenvattingen of andere bewerkingen daarvan binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis zullen zijn vernietigd;



5.5.
bepaalt dat Container Centralen aan Celieplant een dwangsom verbeurt van € 10.000,- voor iedere dag dat Container Centralen na ommekomst van de aldaar gestelde termijnen in gebreke blijft om aan het onder 5.4 bepaalde te voldoen, met een maximum van € 200.000,-.



5.6.
verklaart het bepaalde onder 5.2, 5.4 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad;


in conventie en in reconventie




5.7.
veroordeelt Container Centralen in de proceskosten aan de zijde van Celieplant, tot deze uitspraak begroot op € 22.663,-. te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Container Centralen niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



5.8.
verklaart het bepaalde onder 5.7 uitvoerbaar bij voorraad;



5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

1308



De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat het andere roulatiesysteem betrekking heeft op de roulatie van de CC Container (en dus niet op de CC Eurocontainer). Dit roulatiesysteem is echter geen onderwerp van geschil, zodat dit verder onbesproken zal blijven.


Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering


Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk.


TK, vergaderjaar 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 146 e.v.



ECLI:NL:RBMNE:2013:2701 (Sandoz/Lundbeck) r.o. 4.3 e.v..
Link naar deze uitspraak