|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:15203 | | | | | Datum uitspraak | : | 06-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | C/09/688667 / FA RK 25-54 C/09/688667 / FA RK 25-54 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Verzoek eenhoofdig gezag afgewezen. Vaststelling zorgregeling. Vaststelling kinderalimentatie. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | mkb-winstvrijstelling | | | zelfstandigenaftrek | | | zorgkosten | | | | Uitspraak | Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5435
Zaaknummer: C/09/688667
Datum beschikking: 6 mei 2026
Gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en alimentatie
Beschikking op het op 16 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.W. Kuiper te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- de berichten van 16 maart 2026 van de zijde van de moeder;
- het bericht van 22 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.
Op 24 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] Ntiranyibagira hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.
Tijdens de zitting is met partijen gesproken over de late indiening van de stukken van 22 maart 2026 van de zijde van de vader en over het ontbreken van recente inkomensgegevens van de moeder. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank de moeder de gelegenheid gegeven om deze stukken nog te overleggen, en de vader de gelegenheid gegeven om op basis van deze stukken een nieuwe berekening te maken. De rechtbank heeft op 7 april 2026 de inkomensgegevens van de moeder en de nieuwe berekening van de vader ontvangen. Tot slot heeft de rechtbank op 14 april 2026 een reactie ontvangen van de moeder op de berekening van de vader.
Feiten
- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] erkend.
- De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] belast, ingevolge aantekeningen in het gezagsregister 8 juli 2014 en 10 januari 2016.
- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven bij de moeder.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens – te bepalen:
dat de moeder het eenhoofdig gezag over de kinderen toekomt;
dat de vader met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2024/1 maart 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder een bedrag van € 700,- per maand dient te voldoen, dan wel een zodanig bedrag door de rechtbank in goede justitie vast te stellen.
De moeder doet haar verzoek tot wijziging van de gezagsverhoudingen steunen op de stelling dat de omstandigheden ten opzichte van het moment waarop het gezamenlijk gezag ontstond zijn gewijzigd.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de rechtbank te bepalen:
dat er een bijdrage wordt vastgesteld op basis van de inkomensgegevens van de vader en de moeder en met ingang van de datum beschikking, althans met ingang van de datum indiening verzoekschrift;
dat er tussen de vader en de kinderen sprake zal zijn van een regeling waarbij de kinderen ieder weekend bij de vader verblijven van vrijdag uit school tot maandag naar school, alsmede de helft van de feestdagen en de helft van de schoolvakanties.
Beoordeling
Gezag
De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderen klem en/of verloren zullen raken bij handhaving van het gezamenlijk ouderlijk gezag, omdat de communicatie tussen partijen sinds het uiteengaan zeer stroef verloopt. Volgens de moeder is de vader slecht bereikbaar, negeert hij de zorgen van de moeder over de kinderen en is hij onvoorspelbaar in zijn gedrag als gevolg van zijn wiet- en hasjgebruik. Ook stelt de moeder dat de vader in eerste instantie niet heeft meegewerkt aan het aanvragen van paspoorten voor de kinderen en dat het verkrijgen van toestemming van de vader voor een vakantie met de kinderen moeizaam is verlopen. Daarnaast stelt de moeder dat het voor haar moeilijk is om contact te hebben met de vader, omdat de vader haar heeft aangerand.
De vader stelt dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen en dat er geen reden is om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Hij betwist dat wat de moeder stelt over de communicatie tussen de ouders, het negeren van de zorgen van de moeder, het wiet- en/of hasjgebruik en de aanranding uitdrukkelijk. Verder geeft de vader aan dat hij zijn medewerking heeft verleend voor het aanvragen van de paspoorten en dat hij toestemming heeft gegeven voor de vakantie, maar dat dit laatste langer duurde omdat de moeder (gedeeltelijk) niet-ingevulde formulieren gaf. De vader meent dat hij wel degelijk zijn verantwoordelijkheid als ouder met gezag neemt en dat hij een serieuze rol in het leven van de kinderen wil blijven spelen.
Wettelijk kader
De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd in het geval er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het beëindigen van het gezag een ingrijpende beslissing is met vergaande gevolgen, die daarom niet lichtzinnig mag worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken niet gebleken dat het de ouders onvoldoende lukt om gezamenlijk de belangrijke beslissingen over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te nemen. De ouders zijn het weliswaar over sommige zaken rond de kinderen niet (volledig) met elkaar eens, bijvoorbeeld over de Arabische lessen, maar zij blijven op een respectvolle wijze met elkaar communiceren. Bovendien is gebleken dat de ouders met elkaar meedenken over problemen waar zij in de dagelijkse praktijk tegenaan lopen en dat zij dit proberen op te lossen in het belang van de kinderen. Zo is het hen gelukt om samen psychologische hulp voor [de minderjarige 2] in te schakelen en ook om hulp van het jeugdteam in te schakelen voor [de minderjarige 1] in verband met de problemen en het verdriet waarmee zij kampt als gevolg van het uiteengaan van de ouders. Gelet hierop ziet de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat het gezamenlijk gezag ertoe leidt dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Ook is het de rechtbank niet gebleken dat het anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de ouders weliswaar met elkaar communiceren en dat dit redelijk gaat, maar dat er op dat gebied ook verbetering mogelijk is. Het is duidelijk geworden dat de verwachtingen van de ouders over en weer regelmatig uiteenlopen en dat het valt op dat er regelmatig sprake is van miscommunicatie en daaruit voortvloeiende misverstanden. Naar aanleiding daarvan geeft de rechtbank de ouders mee dat mediation en/of ouderschapsbemiddeling behulpzaam kan zijn bij het verbeteren en afstemmen van de onderlinge communicatie, en daarmee bij het voorkomen of verminderen van misverstanden in de toekomst. Dat is uiteindelijk ook het meest in het belang van hun kinderen. Indien de ouders wensen daarvan gebruik te maken, kunnen zij deze hulpverlening zelf inschakelen, bijvoorbeeld via het betrokken Jeugdteam.
Verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang
In de loop van de procedure hebben de ouders afspraken gemaakt over de zorgregeling. Deze overeengekomen zorgregeling voeren zij sinds november 2025 uit en houdt in dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om de week van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader zijn. De ouders hebben ook overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties. Zij hebben afgesproken dat de vakanties in onderling overleg bij helfte worden verdeeld tussen de ouders.
Op de zitting is met de ouders gesproken over deze regeling. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de vader het belangrijk vindt dat de kinderen op vrijdag en zondag naar Arabische les gaan, en dat de moeder het belangrijk vindt dat [de minderjarige 1] op zaterdag naar haar voetbalwedstrijd kan gaan. Ook is gebleken dat het is voorgekomen dat de vader [de minderjarige 1] niet naar haar voetbalwedstrijd liet gaan, omdat zij niet naar Arabische les was geweest. De rechtbank geeft de ouders mee dat dit niet weer mag gebeuren, omdat de vader [de minderjarige 1] hiermee straft voor iets waar de ouders verschillend in staan en waarvan het de ouders niet lukt om daar goede afspraken over te maken. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [de minderjarige 1] heel duidelijk uitgelegd dat ze enorm uitkijkt naar de voetbalwedstrijden in het weekend en dat zij ontzettend teleurgesteld is als zij daar niet heen mag. Zoals de rechtbank ook op de zitting heeft besproken met de ouders, betekent het feit dat de kinderen het ene weekend bij de vader en het andere weekend bij de moeder zijn dat de ouders beiden verantwoordelijk zijn om in het weekend dat de kinderen bij hen zijn, naar voetbal en naar Arabische les te brengen. Praktisch betekent dat dat de vader de kinderen naar Arabische les en naar voetbal brengt wanneer zij bij hem zijn, en dat van de moeder mag worden verwacht dat zij de kinderen ten minste een keer naar Arabische les en op zaterdag naar voetbal brengt wanneer zij bij haar zijn. De rechtbank verwacht dan ook van de ouders dat zij dit zullen (blijven) doen.
Gelet op het voorgaande, en omdat de rechtbank de door de ouders overeengekomen zorgregeling en verdeling van de vakanties in het belang van de kinderen acht, zal de rechtbank de overeengekomen zorgregeling en vakantieverdeling vastleggen en opnemen in het dictum.
Kinderalimentatie
Afspraak
Volgens de moeder hebben de ouders de afspraak gemaakt dat de vader maandelijks € 700,- aan kinderalimentatie aan haar zou betalen, maar heeft de vader dit slechts één keer, in april 2024, betaald. De moeder stelt dat de vader deze afspraak daarna niet meer is nagekomen.
De vader betwist het bestaan van de door de moeder gestelde afspraak. Volgens de vader hebben de ouders afgesproken dat, omdat de broer van de moeder bij de vader inwoont en dat hij daarvoor € 650,- betaalt, deze broer dit bedrag aan de moeder overmaakt als vorm van kinderalimentatie. De vader stelt dat dit bedrag niet is gebaseerd op de draagkracht van de ouders en dat deze betalingen op enig moment zijn gestopt omdat de moeder heeft aangegeven dat ze het geld niet meer nodig had. Volgens de vader brengt dit mee dat hij ervan uit mocht gaan dat de moeder geen behoefte meer had aan een bijdrage.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder haar stelling met betrekking tot het bestaan van een afspraak, mede gelet op de betwisting daarvan, onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom zal de rechtbank het primaire verzoek van de moeder tot nakoming van de gestelde afspraak afwijzen. In het hiernavolgende zal de rechtbank de door de vader te betalen kinderalimentatie vaststellen.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de moeder ter zitting heeft aangegeven dat de laatste betaling in februari 2025 zou zijn gedaan en dat daarom 1 maart 2025 de ingangsdatum van de kinderalimentatie zou moeten zijn, heeft zij nadien schriftelijk verzocht om 1 mei 2025 als ingangsdatum te hanteren omdat de laatste betaling in maart of april zou zijn geweest. De vader heeft erkend dat de betalingen op enig moment zijn gestopt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader zijn stelling dat de moeder heeft gezegd dat zij het geld voor de kinderen niet meer nodig heeft, onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk om de kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2025 vast te stellen.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun relatie worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 56.123,- bruto per jaar, op grond van de jaaropgaaf van 2025 van de moeder.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 3.482,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Aangezien de omzet die de vader genereert per maand varieert, gaat de rechtbank hierbij uit van het gemiddelde van de facturen die de vader heeft overgelegd over de periode van april 2025 tot en met december 2025, gedeeld door negen maanden en vermenigvuldigd met twaalf. Dat leidt tot een jaaromzet van € 31.077,- . Na aftrek van kosten schat de rechtbank op basis van deze jaaromzet de winst uit onderneming op € 25.000,- per jaar.
De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 1.997,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 5.479,- per maand (€ 3.482,- (NBI vrouw) + € 1.997,- (NBI man)). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 192,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.304,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gezamenlijk, dat wil zeggen € 652,- per maand per kind.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 4.855,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van het gemiddelde van de overgelegde salarisspecificaties van 2026, aangezien het bruto inkomen van de moeder per maand varieert.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de gemiddelde pensioenpremie van € 535,-;
de gemiddelde premie WW Loyalis van € 5,-, en;
de gemiddelde premie WGA Hiaat van € 15,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 4.273,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [4.273 – (1.282 + 1.310)] = € 1.177,- per maand.
Draagkracht vader
Tussen partijen is in geschil of er een verdiencapaciteit aan de vader moet worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder haar stelling, namelijk dat de vader een netto-omzet van € 3000,- per maand zou hebben gehad op het moment dat partijen uit elkaar gingen, niet voldoende onderbouwd. Tevens heeft de vader deze stelling betwist door te stellen dat zijn gemiddelde bruto-omzet € 3000,- per maand was. Omdat ook de stelling van de vader niet met stukken onderbouwd is, zal de rechtbank niet rekenen met een verdiencapaciteit aan de zijde van de vader, maar de draagkracht bepalen op basis van de overgelegde stukken.
Aangezien de omzet die de vader genereert per maand varieert, gaat de rechtbank hierbij uit van het gemiddelde van de facturen die de vader heeft overgelegd voor de periode van april 2025 tot en met februari 2026, gedeeld door elf maanden en vermenigvuldigd met twaalf om tot een jaaromzet van € 29.288,- te komen. Na aftrek van kosten schat de rechtbank op basis van deze jaaromzet de winst uit onderneming op € 25.000,- per jaar.
De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 1.997,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI van € 1.875,- tot € 2.125,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 1.975,- en € 2.025,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2025) een draagkracht van € 98,- per maand voor de vader in aanmerking nemen.
Draagkrachttekort
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.275,- per maand (€ 1.177,- + € 98,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 29,- per maand.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait (0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.
Gelet op deze uitspraak van de Hoge Raad en de conclusie dat sprake is van een draagkrachttekort, zal de rechtbank hierna ambtshalve onderzoeken of toepassing van de werkelijke woonlasten de vader leidt tot een hogere bijdrage.
De rechtbank overweegt dat uit de bankafschriften van de vader blijkt dat hij € 789,- per maand aan huur aan de wooncorporatie betaalt. Dit bedrag overstijgt het woonbudget van € 599,- (30% van € 1.997,- (NBI vader)). Als de rechtbank de draagkracht van de vader zou berekenen met inachtneming van de huurprijs die de vader betaalt, zou dit tot gevolg hebben dat zijn draagkracht lager wordt en dus dat er een lager bedrag beschikbaar is voor de kinderen. Dit acht de rechtbank niet wenselijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat de vader zijn woning deelt met anderen die ook een deel van de huurprijs voldoen en dat zijn werkelijke woonlasten daarom duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget.
Zorgkorting
Omdat de vader gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , geldt een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 326,- per maand (25% van € 1.304,- (behoeftebedrag)). Omdat sprake is van een tekort van € 29,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van afgerond € 312,- per maand.
De kosten die de vader aldus draagt voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn gelijk aan het bedrag van de berekende zorgkorting en bedragen daarom € 312,- per maand. Op dit bedrag komt in mindering zijn eigen draagkracht van € 98,- per maand. Hij kan dus voor een bedrag van € 214,- niet zelf voorzien in de zorgkosten die hij maakt als de kinderen bij hem verblijven.
De vader heeft de rechtbank in zijn laatste brief echter verzocht om de bijdrage die hij aan de moeder dient te betalen in de kosten en verzorging van de kinderen op € 50,- vast te stellen. Kennelijk is de vader in staat om deze bijdrage te voldoen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de vader met ingang van 1 mei 2025 aan de moeder een kinderalimentatie dient te voldoen van € 25,- per maand per kind.
Proceskosten
Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren als hierna vermeld.
BeslissingDe rechtbank:
*
stelt een verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast, waarbij de minderjarigen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te Leiden, en;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te Leiden;
bij de vader zullen zijn:
om de week van vrijdagmiddag tot zondagavond;
gedurende de helft van de schoolvakanties, waarbij de ouders de vakanties in onderling overleg verdelen;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 mei 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , van € 25,- per maand, per kind zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 mei 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|