Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:15458 
 
Datum uitspraak:02-06-2026
Datum gepubliceerd:20-08-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:AWB - 23 _ 4225
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:box 3, prejudiciele vragen, gegrond
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
box 3
forfaitair
forfaitair rendement
 
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 23/4225

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen


[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.




Procesverloop

Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak gedaan (de tussenuitspraak). De rechtbank heeft daarin de Hoge Raad verzocht prejudiciële vragen te beantwoorden en aangekondigd iedere verdere beslissing aan te houden totdat de Hoge Raad een prejudiciële beslissing heeft genomen.

De Hoge Raad heeft deze prejudiciële vragen bij beslissing van 27 maart 2026 beantwoord.

De rechtbank heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld hun zienswijze op de beslissing van de Hoge Raad aan de rechtbank kenbaar te maken. Op 1 april 2026 (eiser) en op 20 april 2026 (verweerder) hebben partijen hun zienswijzen aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

Bij brief van 23 april 2026 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 13 mei 2026 kenbaar te maken of zij gebruik willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Op 4 mei 2026 heeft eiser aangegeven hier geen gebruik van te willen maken, mits de rechtbank de uitspraak van de Hoge Raad volgt. Verweerder heeft niet verzocht om een nadere zitting.

Bij bericht van 19 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een uitspraak aangekondigd.




Verdere overwegingen


Feiten


1. Eiser is gehuwd met [de partner] (de partner).

2. Op 7 maart 2018 heeft eiser aangifte IB/PVV 2017 gedaan. In de aangifte heeft eiser een grondslag sparen en beleggen opgenomen van € 514.833. Hij heeft een bedrag van € 284.258 aangegeven als zijn aandeel in deze grondslag, hetgeen leidt tot een voordeel uit sparen en beleggen van € 11.779.

3. De aanslag IB/PVV 2017 van de partner is op 7 mei 2018 onherroepelijk vast komen te staan.

4. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 16 juli 2019 een aanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 227.079 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.128, gebaseerd op een aandeel in de grondslag sparen en beleggen van € 291.837.

5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Bij brief met dagtekening 30 augustus 2019 heeft eiser aan verweerder kenbaar gemaakt dat hij het individuele deel van zijn bezwaar intrekt.

6. Bij brief van 20 september 2019 heeft verweerder bevestigd dat hij voornoemde intrekking heeft ontvangen en meegedeeld dat het bezwaar voor het overige wordt meegenomen in de massaal bezwaarprocedure over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2017.

7. De staatssecretaris van Financiën heeft op 4 februari 2022 een collectieve uitspraak gedaan, als bedoeld in artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), op alle als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften over de vermogensrendementsheffing (box 3) voor onder andere het jaar 2017 (de collectieve uitspraak). In reactie op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (het Kerstarrest), heeft de staatssecretaris van Financiën deze bezwaren in de collectieve uitspraak gegrond verklaard.

8. Verweerder heeft met dagtekening 21 juli 2022 als rechtsherstel box 3 een verminderingsbeschikking IB/PVV 2017 aan eiser gestuurd. Daarin heeft verweerder het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op € 7.383, bestaande uit een forfaitair rendement van 2,530% over (het aandeel in de grondslag sparen en beleggen van) € 291.837.

9. Eiser en de partner hebben op 22 juli 2022 een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 om de tot stand gekomen onderlinge verhouding (hierna ook: de verdeling) van de grondslag sparen en beleggen te wijzigen. Bij bericht van 24 oktober 2022, door verweerder ontvangen op 25 oktober 2022, is dit verzoek aangepast naar een toerekening van de grondslag sparen en beleggen van € 514.837 voor een bedrag van € 49.330 aan eiser en voor een bedrag van € 465.507 aan de partner (aangepaste verzoek).

10. Verweerder heeft het (aangepaste) verzoek aangemerkt als een verzoek om (verdere) ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 en heeft met dagtekening 6 december 2022 afwijzend op dit verzoek beslist.

11. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzende beslissing.

12. Verweerder heeft het bezwaar van eiser afgewezen.


Geschil


13. Tussen partijen is in geschil of eiser en de partner de verdeling van de grondslag sparen en beleggen nog kunnen wijzigen na de collectieve uitspraak.


Beoordeling van het geschil


14. De Hoge Raad heeft in de prejudiciële beslissing geoordeeld dat een belastingplichtige van wie een aanslag in de IB/PVV onherroepelijk komt vast te staan door een collectieve uitspraak op bezwaar als bedoeld in artikel 25e van de AWR, terwijl de inspecteur met betrekking tot de aangewezen rechtsvraag geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, de tot stand gekomen onderlinge verhouding tezamen met diens fiscale partner op de voet van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 kan wijzigen tot zes weken nadat die aanslag door de inspecteur op grond van artikel 25e, vierde lid, van de AWR ter uitwerking van die collectieve uitspraak is verminderd.

15. Verweerder heeft in zijn zienswijze van 20 april 2026 zich nader op het standpunt gesteld dat de verdeling die is verzocht in het aangepaste verzoek kan worden gevolgd. Eiser heeft hiertegen geen bezwaar geuit. De rechtbank zal dit standpunt van verweerder dan ook volgen.

16. Het voorgaande betekent dat van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van in totaal € 514.837 een bedrag van € 49.330 geacht wordt tot het bezit van eiser te behoren en een bedrag van € 465.507 tot dat van de partner.


Conclusie en gevolgen


17. Het beroep is gegrond. De verdeling kan worden gewijzigd volgens het aangepaste verzoek. De aanslag IB/PVV 2017 moet daarom worden verminderd in die zin dat daarbij het aandeel van eiser in de grondslag sparen en beleggen € 49.330 bedraagt.

18. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 50 aan hem vergoeden.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijst het verzoek tot wijziging van de tot stand gekomen onderlinge verhouding voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen toe;
- draagt verweerder op de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 te verminderen, rekening houdend met een aandeel in de grondslag sparen en beleggen van € 49.330;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, en mr. D.M. Drok en mr. K.G. Scholten, leden, in aanwezigheid van mr. A. Pavković, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken 2 juni 2026.






griffier voorzitter




Afschrift verzonden aan partijen op:






Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).


Rechtbank Den Haag 27 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10265.


Hoge Raad 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:495.


Besluit van 7 juli 2018, nr. 2018-12775, Stcrt. 2018, 39781.


Stcrt. 2022, 4198.


In de tussenuitspraak is abusievelijk 6 oktober 2022 vermeld.


ECLI:NL:HR:2026:495, r.o. 5.4.5.
Link naar deze uitspraak