Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:15685 
 
Datum uitspraak:12-06-2026
Datum gepubliceerd:26-06-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 25/5307
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Lasten onder dwangsom en invorderingsbesluiten wegens illegaal hekwerk; overschrijding maximale bouwhoogte; kunstmatige ophoging niet noodzakelijk en past niet bij het natuurlijk verloop van het terrein; meting vanaf het oorspronkelijke maaiveld is juist; overtreding bouwhoogte vastgesteld; hekwerk niet vergunningvrij op grond van het Bbl; geen sprake van gebouwerf; geen bijzondere omstandigheden om van handhaving of invordering af te zien; dwangsommen van rechtswege verbeurd; beroep ongegrond.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/5307
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen



[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [woonplaats], samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed)

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).


Samenvatting

1. In deze uitspraak staan twee door het college aan eisers opgelegde lasten onder dwangsom centraal. Aanleiding hiervoor is de bouw van een hekwerk en toegangspoorten in de weilanden op het perceel [perceel 1], dat grenst aan het perceel [perceel 2] in [plaats], zonder dat de daarvoor vereiste omgevingsvergunning is verleend.


1.1.
Eisers hebben hiertegen gezamenlijk bezwaar gemaakt. Het college heeft in het bezwaar van eisers geen aanleiding gezien voor een gewijzigd standpunt en heeft dit bezwaar ongegrond verklaard onder handhaving van de lasten onder dwangsom.



1.2.
Eisers zijn het niet eens met het besluit op bezwaar en hebben daartegen beroep ingesteld. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van dit besluit. Het beroep heeft van rechtswege ook betrekking op de besluiten tot invordering van de verbeurde dwangsommen.



1.3.
Het beroep tegen het bestreden besluit en de invorderingsbesluiten is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop

2. Met afzonderlijke besluiten van 3 maart 2025 heeft het college aan elk van eisers een last onder dwangsom opgelegd om het hekwerk te verwijderen en verwijderd te houden. Hierbij bedraagt de dwangsom € 1.000,- per week met een maximum van € 7.000,-.


2.1.
Het college heeft met het besluit van 8 juli 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar van eisers tegen de handhavingsbesluiten van 3 maart 2025 ongegrond verklaard. Het college heeft voor de motivering van het bestreden besluit verwezen naar het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie van 7 juli 2025.



2.2.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit op 18 augustus 2025 beroep ingesteld.



2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 29 augustus 2025.



2.4.
Met afzonderlijke besluiten van 20 augustus 2025 heeft het college de verbeurde dwangsommen ingevorderd (de invorderingsbesluiten). Het beroep heeft van rechtswege hierop mede betrekking.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op de zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college deelgenomen. Eisers zijn niet in persoon verschenen.



Inleiding

3. Eisers zijn gezamenlijk eigenaar van het genoemde perceel. De hekwerken staan grotendeels op gronden met de functies ‘Agrarisch’ en ‘Waterstaat – Waterkering’ en voor het resterende deel op de functie ‘Wonen’ als bedoeld in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Omdat de hekwerken niet ten dienste van een grondgebonden agrarisch bedrijf zijn opgericht en de bouwhoogte meer dan 1 meter bedraagt, strijden deze met de omgevingsplanregels. Eiser heeft op 26 juni 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd om de bouwwerken te legaliseren. Het college heeft deze aanvraag op 3 december 2024 geweigerd, welk besluit onherroepelijk is geworden. Vervolgens heeft het college op 22 januari 2025 aan elk van eisers het handhavingsvoornemen bekendgemaakt, waartegen eiser op 6 februari 2025 een mondelinge zienswijze naar voren heeft gebracht.



Beoordeling door de rechtbank


Toetsingskader


4. Het college heeft de handhavingsbesluiten op 3 maart 2025 genomen, nadat de zienswijze op 6 februari 2025 was ingebracht. Gelet daarop, is op deze zaak de Omgevingswet van toepassing. De voor de beoordeling van deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.


Is er sprake van strijd met de planologische regels?

5. Eisers betogen dat het hekwerk niet in strijd is met de maximale bouwhoogte van 1 meter. Zij voeren aan dat het hekwerk op 30 juni 2025 is aangepast en sindsdien aan de hoogte-eis voldoet. Zij bestrijden dat het hier gaat om een kunstmatige ophoging. Het college is volgens hen uitgegaan van een onjuist, te laag gelegen meetpunt.


5.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moeten ophogingen die niet bij het natuurlijk verloop van de grond passen en niet noodzakelijk zijn om het bouwwerk te realiseren, bij de hoogtebepaling buiten beschouwing blijven. In een dergelijk geval blijft het peil het maaiveld en moet worden gemeten vanaf de oorspronkelijke, als natuurlijk aan te merken terreinhoogte.



5.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de meting door de toezichthouder. Uit het controlerapport van 16 juni 2025 is gebleken dat het hekwerk op 11 juni 2025 een hoogte had tussen de 120 en 122 centimeter. Eisers hebben weliswaar foto’s ingebracht waarop een andere hoogte wordt gemeten, maar dat is zichtbaar het resultaat van een ophoging van de aarde ter plaatse van het hekwerk. Het na aanleg van het hekwerk storten van aarde in een houten bak rondom dat hekwerk heeft ervoor gezorgd dat de onderste dwarsplank aan het zicht wordt onttrokken, maar heeft de hoogte van het hekwerk zelf ongewijzigd gelaten. Omdat deze kunstmatige ophoging niet noodzakelijk is geweest voor de bouw en niet past bij het verdere verloop van het terrein, heeft het college terecht gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld. Hiermee staat vast dat de maximale bouwhoogte van 1 meter door het hekwerk wordt overschreden, zodat het college de hoogte van het hekwerk terecht als een overtreding heeft aangemerkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eisers betogen verder dat het hekwerk op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) volledig vergunningvrij is, omdat dit kwalificeert als een erf- of perceelafscheiding op een gebouwerf. Het perceel waarop het hekwerk staat ligt direct bij het hoofdgebouw, is feitelijk ingericht ten dienste van het gebruik daarvan en het omgevingsplan verbiedt deze inrichting niet.



6.1.
In artikel 1.1 van het Bbl wordt een gebouwerf gedefinieerd als een perceel dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de wetgever met deze term geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd ten opzichte van het begrip ‘erf’ onder het oude Besluit omgevingsrecht (Bor).



6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het hekwerk niet vergunningvrij is opgericht. Om als gebouwerf te kunnen kwalificeren, moet aan de drie cumulatieve voorwaarden uit de wettelijke definitie zijn voldaan. Het onderhavige perceel heeft een agrarische functie en er staat geen hoofdgebouw op. De omstandigheid dat het hekwerk wordt gebruikt voor een pad naar de noodwoning op het naastgelegen perceel, maakt dit agrarische perceel naar het oordeel van de rechtbank niet tot een gebouwerf. Bovendien staat artikel 3 van het bestemmingsplan ”[bestemmingsplan]”, tijdelijk onderdeel van het omgevingsplan het gebruik van deze agrarische gronden als erf niet toe. Het college heeft daarnaast uit de eigen verklaringen van eisers tijdens de vergunningprocedure kunnen afleiden dat het hekwerk uitsluitend de woonfunctie dient. Nu geen sprake is geweest van een gebouwerf, is het hekwerk niet vergunningvrij. Het college heeft dan ook terecht een overtreding vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Hieruit volgt dat het hekwerk in strijd komt met de planologische regels en dat het college bevoegd is hier handhavend tegen op te treden. Van concreet zicht op legalisatie is niet gebleken. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het college niet tot handhaving had mogen overgaan.

De invorderingsbesluiten

8. Eisers hebben niet betwist dat niet aan de opgelegde lasten is voldaan, waardoor de dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd. Voorts heeft hun gemachtigde, daartoe ter zitting in de gelegenheid gesteld, geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering heeft moeten afzien. Het beroep voor zover gericht tegen de invorderingsbesluiten is dan ook ongegrond.




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit en de invorderingsbesluiten blijven daarom in stand. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug en ontvangen geen vergoeding voor hun proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Algemene wet bestuursrecht (Awb)


Artikel 5:37
1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.
(…)

Artikel 5:33
De overtreder verbeurt een dwangsom indien de last niet of niet tijdig is uitgevoerd.

Artikel 5:39
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
(…)


Omgevingswet


Artikel 5.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)

Artikel 5.6
Het is verboden een bouwwerk of deel van een bouwwerk dat is gebouwd zonder de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 22.26 verplicht was, of in strijd met de regels, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, of artikel 22.27, in stand te laten.


Besluit bouwwerken leefomgeving


Bijlage I bij artikel 1.1
gebouwerf: bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt;

Artikel 2.29
Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:
(…)
j. een erf- of perceelafscheiding, als die niet hoger is dan 1 m;
(…)



Tijdelijk deel omgevingsplan ‘[omgevingsplan], [plaats]’


Artikel 2 Wijze van meten

2.1
Meetregels
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
(…)
d. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

Artikel 3 Agrarisch


3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf;
met de daarbij behorende:
b. erven, in- en uitritten, bedrijfsgronden en voorzieningen waaronder begrepen water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals sloten, greppels, watergangen, oppervlaktewaterberging, bruggen en duikers.



3.2
Bouwregels
Op de gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 1 meter mag
bedragen.




Artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Op grond van artikel 3:49 van de Awb.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:958.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2281, onder verwijzing naar de nota van toelichting op het Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400, blz. 1533).
Link naar deze uitspraak