Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:15910 
 
Datum uitspraak:12-06-2026
Datum gepubliceerd:19-06-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.42004
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Beroep tegen afwijzing asielaanvraag. Relaas (deels) ongeloofwaardig/onvoldoende voor een asielvergunning. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:aanmerkelijk belang
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.42004

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),

en

de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.J. Douma).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de verklaringen van eiser over de aan hem opgelegde fatwa deels ongeloofwaardig kunnen vinden. Verder heeft de minister van eiser kunnen verwachten dat hij zich ergens anders in Pakistan vestigt om te voorkomen dat hij zal worden vervolgd als christen. Voor het overige heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt in de zin van artikel
3 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1982. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T.M. Butt als tolk en de gemachtigde van de minister.



2.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht vier weken later uitspraak te doen.




Beoordeling door de rechtbank


Wat is het asielrelaas van eiser?

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser had problemen met zijn tante en oom en met [naam 1], een geestelijk leider, omdat ze het niet eens waren met het feit dat hij met twee vrouwen tegelijk is getrouwd. Volgens eiser ging het hen er eigenlijk om dat ze zijn woning zouden krijgen en/of dat hij zich ging bekeren tot de islam. Op 6 februari 2023 hebben zijn oom en tante eiser mishandeld en beschuldigden ze hem ervan dat hij de profeet vernederde. Ze zeiden dat ze eiser dood zouden maken. Het lukte eiser te vluchten naar zijn schoonouders. Eiser hoorde dat de politie op zoek was naar hem. Een vriend van eiser stuurde op 11 februari 2023 een foto van een fatwa, die hij op een muur had zien hangen, naar eiser. Eiser verbleef hierna op verschillende plekken en heeft op 11 maart 2023 Pakistan verlaten.


Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;2. de problemen van eiser met zijn oom, tante en [naam 1].


4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen van eiser met zijn oom, tante en [naam 1] vindt de minister ook geloofwaardig. De minister gelooft echter niet dat er een fatwa tegen eiser is uitgevaardigd. Voor wat betreft de geloofwaardig asielmotieven stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft en dat hij zich als christen ergens anders in Pakistan kan vestigen. Eiser heeft volgens de minister ook niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.


Heeft de minister in strijd gehandeld met artikel 3.119, van het Vb

?


Wat is het betoog van eiser?

5. Eiser stelt dat de minister ten onrechte pas in het bestreden besluit nieuwe ongeloofwaardigheden aan hem heeft tegengeworpen. Eiser kon er daardoor in de zienswijze niet op reageren.


Wat staat in de wetgeving en in het beleid van de minister?



5.1
Artikel 3.119 van het Vb bepaalt:
Wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden:
a. bekend worden, of
b. reeds bekend waren, maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en verweerder voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, wordt dit aan de desbetreffende vreemdeling meegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.

In het beleid van de minister staat:
Als het eerder uitgebrachte voornemen op grond van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3.119 van het Vb niet meer alle gronden voor afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel bevat, brengt de IND een nieuw of aanvullend voornemen uit.
Nieuwe feiten en omstandigheden zijn volgens dit beleid:
-nieuwe resultaten van onderzoek door of in opdracht van de IND; en-feiten en omstandigheden die hetzij door het bekend worden, hetzij door een andere beoordeling naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas van de vreemdeling.


Wat is het oordeel van de rechtbank?



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister weliswaar pas in het bestreden besluit een inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over de overgelegde fatwa, terwijl dit stuk al voor het voornemen bij de minister bekend was, maar de minister heeft daarmee niet in strijd gehandeld met artikel 3.119 van het Vb of het eigen beleid. Immers aan de fatwa heeft de minister ook in het voornemen geen betekenis toegekend zodat het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over de fatwa niet is gewijzigd. Bovendien heeft eiser in zijn zienswijze gereageerd op het standpunt van de minister over de fatwa. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Heeft de minister de verklaringen van eiser over de fatwa ongeloofwaardig kunnen vinden?


Wat is het betoog van eiser over de omstandigheid dat de overgelegde fatwa een kopie is?

6. Eiser stelt dat, vanwege de veiligheidsrisico’s en beperkte toegang tot documenten in Pakistan, het realistisch en gebruikelijk is dat slechts een kopie van de fatwa overgelegd kon worden. Eiser verwijst naar het ambtsbericht betreffende Pakistan van
28 september 2022 en naar een aantal uitspraken. De minister zou daarom moeten motiveren waarom de kopie niet als bewijs wordt geaccepteerd.


Wat is het betoog van de rechtbank hierover?



6.1.
Blijkens het bestreden besluit heeft de minister zich weliswaar, niet ten onrechte, op het standpunt gesteld dat de overgelegde fatwa niet op echtheid kan worden onderzocht omdat het een kopie is en omdat het heel lastig betrouwbaar vergelijkingsmateriaal te vergaren, maar het is niet zo dat de minister er daarom geen enkele waarde aan heeft gehecht. De minister is inhoudelijk op de fatwa ingegaan en heeft in het bestreden besluit meerdere argumenten genoemd waarom de verklaringen van eiser over de fatwa ongeloofwaardig zouden zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Wat is het betoog van eiser over de spelfout op de fatwa?

7. Eiser stelt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat de naam van de uitgevende instantie in de overgelegde fatwa een spelfout bevat. Op de officiële website van die instantie wordt volgens eiser dezelfde schrijfwijze gehanteerd, namelijk ‘[naam 2]’ in plaats van ‘[naam 3]’. Eiser legt verder een stuk over dat volgens hem is gepubliceerd op de Facebookpagina van die instantie, waarop ook ‘[naam 2]’ staat.


Wat is oordeel van de rechtbank hierover?



7.1.
De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een spelfout in de overgelegde fatwa. De rechtbank vindt daarvoor van belang dat de minister zelf in het verweerschrift heeft verwezen naar een screenshot van een document dat staat op de Facebookpagina van de uitgevende instantie, waarin ook de schrijfwijze ‘[naam 2]’ wordt gebruikt. Deze beroepsgrond slaagt. Onder 12 zal de rechtbank de gevolgen hiervan beoordelen.


Wat is het betoog van eiser over de data van afgifte zoals vermeld op de fatwa?

8. Eiser stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat twee data van afgifte van de fatwa volgens de Gregoriaanse en Hijri-kalender niet overeen komen. De minister heeft een van de nummers op de fatwa ten onrechte als een datum geïnterpreteerd, terwijl het gaat om een referentienummer. Het gaat volgens eiser ook slechts om een detail.


Wat is het oordeel van de rechtbank hierover?



8.1.
De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van twee data op de fatwa die niet overeen komen. Daarvoor vindt de rechtbank van belang dat niet vast staat dat de vermelding ‘1448/10/2’ een datum is. Er staat namelijk ‘Ref/Raf’ voor, zodat het meer voor de hand ligt dat het om een referentienummer gaat. Deze beroepsgrond slaagt. Onder 12 zal de rechtbank de gevolgen hiervan beoordelen.


Wat is het betoog van eiser over het standpunt van de minister dat hij wisselend zou hebben verklaard over de datum van afgifte van de fatwa?

9. Eiser voert aan dat de minister de door hem gemaakte correcties en aanvullingen over de datum van afgifte van de fatwa heeft genegeerd. Eiser is op 6 februari 2023 beschuldigd van blasfemie en op 10 februari 2023 is de fatwa formeel uitgevaardigd.


Wat is oordeel van de rechtbank hierover?



9.1.
De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser hierover wisselend heeft verklaard. De minister heeft hiervoor van belang kunnen vinden dat eiser tweemaal expliciet heeft verklaard dat de fatwa op 6 februari 2023 is opgelegd/uitgevaardigd. De stelling dat de minister de correcties en aanvullingen van eiser op dit punt zou hebben genegeerd volgt de rechtbank niet. Blijkens het bestreden besluit heeft de minister deze wel betrokken, maar maken ze het standpunt van de minister niet anders, aangezien eiser niet heeft uitgelegd waarom zijn verklaringen worden gewijzigd. Dat mag wel van eiser worden verwacht. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Wat is het betoog van eiser over het bestaan van nepfatwa’s?

10. Eiser betoogt dat de minister niet heeft onderbouwd waarom het bestaan van nepfatwa’s in Pakistan zwaarder moet wegen dan de door eiser beschreven omstandigheden. Eiser wijst er daarbij op dat de fatwa op zijn woning is opgehangen, dat de politie erbij werd betrokken en dat sprake was van voortdurende bedreigingen, ook na zijn vertrek uit zijn woonomgeving. Bij twijfel had de minister onderzoek moeten doen.


Wat is het oordeel van de rechtbank hierover?



10.1.
De minister heeft in het verweerschrift laten weten dat de verwijzing naar de nepfatwa’s slechts is genoemd ter duiding van het grotere geheel en omdat geen nader onderzoek kan worden gedaan naar een kopie. 10.2 De rechtbank overweegt dat dit inderdaad een extra argument had kunnen zijn om de verklaringen van eiser over de fatwa ongeloofwaardig te vinden, als meerdere verklaringen van eiser over de inhoud van de fatwa ongeloofwaardig waren geweest. Aangezien de minister een aantal tegenwerpingen over de inhoud van de fatwa echter onvoldoende heeft gemotiveerd, heeft de minister eveneens onvoldoende gemotiveerd dat het bestaan van nepfatwa’s in Pakistan een extra reden is om de verklaringen van eiser ongeloofwaardig te vinden. Deze beroepsgrond slaagt. Onder 12 zal de rechtbank de gevolgen hiervan beoordelen.


Wat is het betoog van eiser over het verband tussen de fatwa en de door eiser ondervonden problemen?

11. Eiser stelt dat de problemen voortkwamen uit de blasfemiebeschuldiging die tot de fatwa leidde. De fatwa zou zijn uitgevaardigd omdat de familieleden dat wilden. Eiser verwijst als onderbouwing naar het ambtsbericht van 28 september 2022, waarin staat dat mensenrechtengroepen stellen dat blasfemiebeschuldigingen vaak gebruikt worden om religieuze minderheden te intimideren of persoonlijke rekeningen te vereffenen. Eiser betoogt verder dat hij consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de fatwa, de bedreigingen, de mishandeling en de pogingen tot bekering door familieleden en religieuze leiders. Zijn verklaringen worden ondersteund door overgelegde documenten en landeninformatie. De minister heeft geen individuele, integrale en toekomstgerichte beoordeling van het asielrelaas verricht. Daardoor kan eiser daartegen niet in rechte opkomen en kan de rechter het besluit niet effectief toetsen.


Wat is het oordeel van de rechtbank hierover?



11.1.
De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat er een verband is tussen de, geloofwaardig geachte, problemen van eiser en de overgelegde fatwa. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister de verklaringen van eiser, de overgelegde documenten en landeninformatie niet in samenhang heeft beoordeeld. Met de verwijzing naar het ambtsbericht, waarin staat dat blasfemie-beschuldigingen vaak gebruikt worden om religieuze minderheden te intimideren of persoonlijke rekeningen te vereffenen, heeft eiser nog niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval ook aan de orde is. De minister heeft verder van belang kunnen vinden dat eiser na het verlaten van zijn dorp geen problemen meer heeft ondervonden, dat hij alleen van anderen heeft gehoord dat er mensen bij zijn oom in Lahore langs zijn geweest om eiser te zoeken en dat het op vermoedens berust dat eiser ook in Sukkur gezocht zou worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

12. De minister heeft zich, ook als de onder 7.1, 8.1 en 10.2 genoemde onderdelen van het bestreden besluit buiten beschouwing blijven, alles in samenhang beoordelend, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de fatwa ongeloofwaardig zijn.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging omdat hij behoort tot een familie die hem wil bekeren en dat voor hem een vluchtalternatief geldt?


Wat is het betoog van eiser?

13. Eiser betoogt dat de minister eraan voorbij gaat dat de algemene context, waaronder de reëele gevaren die zijn verbonden aan blasfemiebeschuldigingen, essentieel is bij het beoordelen van de individuele situatie van eiser. Eiser verwijst ter onderbouwing op passages uit het ambtsbericht van 28 september 2022. Eiser loopt al een risico omdat hij behoort tot een zeer gelovige familie die hem wil bekeren. De ruzie met zijn oom en tante maakt het erger.
Verder stelt eiser dat hij te vrezen heeft voor vervolging omdat hij christen is, zeker in combinatie met de blasfemiebeschuldiging. Christenen in Pakistan behoren volgens eiser tot een risicogroep. Eiser verwijst ter onderbouwing naar landeninformatie die bij de zienswijze is overgelegd. Daaruit blijkt volgens eiser dat christenen in Pakistan structureel te maken hebben met ernstige schendingen van de mensenrechten en dat ze als een zwaar bedreigde minderheid moeten worden beschouwd. Vervolging op basis van religie leidt vaak niet tot formele aanklachten, maar wel tot reële gevaren. De beschikbaarheid van een intern vestigingsalternatief moet per geval worden vastgesteld en kan niet zomaar worden aangenomen. Er geldt terughoudendheid voor personen die het risico lopen op strafrechtelijke vervolging of geweld. De minister had rekening moeten houden met de invloed van religieuze leiders en de menigte en de vaak trage of ineffectieve reactie van de autoriteiten. Ter onderbouwing verwijst eiser naar landeninformatie en rechtspraak.


Wat staat in de wetgeving en in het beleid van de minister?



13.1.
Artikel 3.37d, eerste lid, van het VV bepaalt, voor zover van belang, dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming als hij in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt en hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij er zich vestigt.
Het tweede lid bepaalt, voor zover van belang dat bij de beoordeling rekening wordt gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling in overeenstemming. De minister moet beschikken over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen.



13.2.
In het beleid van de minister, zoals vastgelegd in paragraaf C2/3.4, van de Vc, staat, voor zover van belang, dat de minister aanneemt dat een ander gebied in het land van herkomst voldoet als vluchtalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel
29 eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw;
b. de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; enc. van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.
De vreemdeling moet zich, volgens het beleid, in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie. Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor minister onvoldoende reden om geen vluchtalternatief tegen te werpen.


Wat is het oordeel van de rechtbank?



13.3.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging vanwege de door hem ondervonden problemen niet aannemelijk heeft gemaakt. De enkele omstandigheid dat hij behoort tot een religieuze familie die hem wil bekeren is daarvoor onvoldoende. Ook heeft de minister onvoldoende kunnen vinden dat eiser ruzie heeft (gehad) met zijn oom, tante en [naam 1] omdat hij zich niet wilde bekeren. Dat ze hem hebben beschuldigd van blasfemie hoefde voor de minister niet tot een ander oordeel te leiden, aangezien niet is gebleken dat sprake is van een formele beschuldiging. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in 11.1 is geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het verband tussen de overgelegde fatwa en de problemen van eiser ongeloofwaardig is. De minister heeft verder van belang kunnen vinden dat niet is gebleken dat eiser problemen heeft gekregen met en/of gezocht wordt door de autoriteiten of religieuze instellingen. Ook heeft de minister hierbij kunnen betrekken dat de echtgenotes en kinderen van eiser nog in Pakistan wonen, namelijk al enige jaren in het huis van zijn zwager in Islamabad en geen problemen hebben ondervonden.



13.4.
De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat christenen in Pakistan behoren tot een risicoprofiel en dat volgens de minister sprake zou kunnen zijn van een gegronde vrees van eiser voor vervolging. De minister heeft zich echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor eiser een vluchtalternatief aanwezig is en dat dus verwacht kan worden dat eiser zich ergens anders in Pakistan vestigt. Daarvoor verwijst de rechtbank allereerst naar wat in 13.1 is overwogen. Verder heeft de minister van belang kunnen vinden dat eiser na de gestelde problemen gedurende meerdere dagen of weken op verschillende plekken in Pakistan heeft verbleven en daar geen problemen heeft ondervonden en dat ook zijn echtgenotes en kinderen al jaren geen problemen hebben in Pakistan. Ook heeft de minister, onder verwijzing naar passages uit de ambtsberichten van 28 september 2022 en
5 juli 2024, erop kunnen wijzen dat verhuizen naar een andere grote stad een mogelijke oplossing kan zijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom dat in zijn geval niet mogelijk zou zijn. Dat het lastig kan zijn zich elders te vestigen betekent nog niet dat het voor eiser niet mogelijk is. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM?


Wat is het betoog van eiser?

14. Eiser betoogt dat de minister heeft nagelaten een kenbare, individuele, toekomstgerichte beoordeling te maken. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de bredere context. Eiser wijst op de structurele mensenrechtenschendingen waaraan christenen in Pakistan blootstaan en in dat kader de rol van religieuze leiders en vaak problematische reactie van de autoriteiten. Ook wijst eiser op de specifieke gevaren die samenhangen met beschuldigingen van blasfemie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?


14.1.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister geen kenbare, individuele en toekomstgerichte beoordeling heeft gemaakt en onvoldoende rekening heeft gehouden met de situatie van christenen in Pakistan. De rechtbank verwijst daarvoor naar wat in 13.3. en 13.4. is overwogen. Deze beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Vreemdelingenwet 2000


Vreemdelingenbesluit 2000


Paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000


Pagina 4 en 5 van het rapport van Nader gehoor


Vreemdelingenvoorschrift


Paragraaf C7/27.3.2. van de Vc
Link naar deze uitspraak