Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:16288 
 
Datum uitspraak:17-06-2026
Datum gepubliceerd:17-06-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL22.11571
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Tussenuitspraak na arrest Safi – het verzoek van eiseres om de verlening van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU is afgewezen omdat eiseres over een verblijfsrecht in Spanje beschikt en zij bij niet-verlening de Unie niet hoeft te verlaten en haar Nederlandse zoon het genot van zijn burgerschapsrechten daardoor niet verliest. Het Hof heeft op 4 juni 2026 in het arrest Safi een nadere verduidelijking van artikel 20 VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest, gegeven. Uit deze verduidelijking volgt allereerst dat verweerder nader onderzoek moet doen om het verzoek van eiseres te kunnen beoordelen. De rechtbank zal regie voeren op dit nadere onderzoek. Verweerder zal eiseres nader horen en verweerder zal nagaan of eiseres nog steeds over een verblijfsrecht in Spanje beschikt. Eiseres zal actuele informatie overleggen van de school waar haar Nederlandse zoon speciaal onderwijs volgt en van de gemeente over de mogelijke trajecten voor eiseres en haar Nederlandse echtgenoot die zien op toeleiding tot de arbeidsmarkt. De rechtbank verzoekt verweerder om na de nadere hoorzitting aan te geven of hij reeds in staat is om te beoordelen of een afgeleid verblijfsrecht moet worden verleend. De rechtbank houdt de behandeling van het beroep aan om partijen in de gelegenheid te stellen om aan de tussenuitspraak te voldoen.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.11571 T

Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],
geboren op [geboortedatum] 1979 in Marokko,
V-nummer [V-nummer],
eiseres,
(gemachtigde: mr. P. Kramer-Ograjensek),

en

de minister van Asiel en Migratie,

voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigden: mr. R.J.M.F.P. Wouters en mr. S.H.J. Muijlkens).




Procesverloop

Eiseres heeft op 13 november 2020 een aanvraag ingediend om een EU/EER-document te verkrijgen als bewijs van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU voor verblijf bij haar minderjarige zoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland woont.

Verweerder heeft deze aanvraag op 11 november 2021 afgewezen en op 20 juni 2022 het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit van 20 juni 2022 beroep ingesteld bij de rechtbank en ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer NL22.11572).

Verweerder heeft eiseres op 9 augustus 2023 schriftelijk aanvullend gehoord en op 5 oktober 2023 een aanvullend besluit genomen.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 juni 2022 en tegen het aanvullende besluit van 5 oktober 2023 op 7 februari 2024 op zitting behandeld. Het verzoek om een voorlopige voorziening is eveneens op zitting behandeld.

De rechtbank heeft op 26 februari 2024 een tussenuitspraak gedaan en twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (Hof) gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2024:2300).

De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 26 februari 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen (ECLI:NL:RBLIM:2024:850, niet gepubliceerd).
Het Hof heeft de zaak geregistreerd als C-147/24, Safi, en de prejudiciële vragen op 25 maart 2025 ter zitting behandeld.

Advocaat-Generaal T. Ćapeta heeft op 4 september 2025 haar conclusie bekend gemaakt (ECLI:EU:C:2025:650).

De rechtbank heeft partijen op 4 mei 2026, onder verwijzing naar de datum dat het arrest zal worden gewezen, medegedeeld dat de voortzetting van het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 16 juni 2026, om 09:15 uur.

De rechtbank heeft gemachtigde van eiseres bij brief van 29 mei 2026 verzocht om gemotiveerd en onderbouwd opgave te doen van de reis- en verblijfkosten die zijn gemaakt om te kunnen verschijnen ter zitting van het Hof op 25 maart 2025, zodat deze kosten bij een mogelijke proceskostenveroordeling kunnen worden betrokken.

Het Hof heeft op 4 juni 2026 het arrest Safi gewezen en de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord (ECLI:EU:C:2026:442).

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 5 juni 2026 verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep omdat verweerder in navolging van het arrest nader onderzoek zal moeten doen en eiseres daarom aanvullend wil horen.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 8 juni 2026 medegedeeld dat de reeds geplande zitting doorgang zal vinden om de visie van beide partijen op het arrest te vernemen en het verzoek om aanhouding daarna inhoudelijk zal beoordelen. De rechtbank heeft in aanvulling daarop medegedeeld dat dit onverlet laat dat verweerder een datum voor de hoorzitting kan bepalen en ook eiseres reeds kan horen.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 12 juni 2026 geïnformeerd dat de hoorzitting op 23 juni 2026 zal plaatsvinden.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 16 juni 2026. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van het voortgezette onderzoek ter zitting heeft de rechtbank, na dit met partijen te hebben besproken, de behandeling van het beroep aangehouden en medegedeeld een tussenuitspraak te zullen doen om regie te voeren in de verdere voortgang van de procedure.




Overwegingen

1. De rechtbank heeft in haar verwijzingsuitspraak de navolgende feiten vastgesteld.

2. Eiseres is op [geboortedatum] 1979 in Marokko geboren en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Haar echtgenoot is op 4 oktober 1975 in Nederland geboren en heeft de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn op 23 september 2014 in Marokko gehuwd en dit huwelijk is geregistreerd in de basisadministratie van de Nederlandse gemeente waar zij wonen. Uit hun verbintenis is op 6 januari 2015 in Nederland een zoon geboren die -uitsluitend- de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Eiseres heeft van 1999 tot 2014 in Spanje verbleven en heeft bij haar aanvraag om een document waaruit bedoeld afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU in Nederland blijkt, een verblijfsdocument overgelegd waaruit blijkt dat zij een verblijfsrecht in Spanje heeft. Eiseres heeft de Spaanse autoriteiten, na de afwijzing van haar verzoek om een afgeleid verblijfsrecht in Nederland, verzocht om haar Spaanse verblijfsvergunning in te trekken. Uit onderzoek dat verweerder na kennisneming van dit verzoek heeft verricht, is gebleken dat eiseres ten tijde van de verwijzingsuitspraak een verblijfsrecht in Spanje had. Dit betreft een verblijfsrecht op grond van nationale regelgeving dat is gegrond op verrichte arbeid.

4. Eiseres heeft verklaard dat zij vanaf 2014, behoudens enkele kortdurende vakanties in Marokko en Spanje, in Nederland verblijft zonder in het bezit te zijn (geweest) van een vergunning om in Nederland te verblijven. Eiseres heeft ook verklaard dat zij en haar echtgenoot vanaf de geboorte van hun zoon samen voor hun zoon zorgen en vanaf de geboorte van hun zoon gezamenlijk bij de moeder van de echtgenoot wonen. Ter zitting van 7 februari 2024 heeft eiseres verklaard dat haar schoonmoeder twee weken voor dat onderzoek ter zitting is overleden en dat de huurwoning waar zij verbleven inmiddels was toegewezen aan de echtgenoot van eiseres. Eiseres heeft op 7 februari 2024 verder verklaard dat zij gezamenlijk met haar echtgenoot en hun zoon in deze woning woont. Eiseres heeft deze verklaringen onderbouwd met verklaringen van derden en met foto’s. Verweerder heeft deze verklaringen niet gemotiveerd betwist. De rechtbank heeft in de verwijzingsuitspraak vastgesteld vast dat eiseres en haar echtgenoot gezamenlijk vanaf de geboorte van hun zoon de zorg dragen voor hun zoon en in Nederland vanaf de geboorte van hun zoon als gezin samenwonen.

5. De rechtbank heeft in de verwijzingsuitspraak vastgesteld dat tussen eiseres en haar kind sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, die de grond oplevert voor de vaststelling van een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 VWEU.

6. Eiseres komt in de onderhavige procedure op tegen de afwijzing van haar aanvraag om een document waarmee zij haar verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU kan aantonen. Eiseres heeft geen andere aanvraag om een (verdragsrechtelijke, Europeesrechtelijke of nationaalrechtelijke) verblijfsvergunning gedaan in Nederland. Eiseres is in Nederland nooit met politie en justitie in aanraking gekomen terzake strafbare feiten of overtredingen. Eiseres is niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente waar zij woont en dit is ook niet mogelijk als zij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.

7. De minderjarige zoon van eiseres heeft een spraak- en taalachterstand en heeft niet gesproken totdat hij vijf jaar oud was. Hij volgt vanwege zijn achterstand zogenoemd “speciaal onderwijs” en wordt met “speciaal vervoer” van en naar de onderwijsinstelling gebracht. De echtgenoot van eiseres heeft vanwege medische problemen die voortkomen uit een langdurige harddrugverslaving geen inkomsten uit werk, maar ontvangt een bijstandsuitkering. De echtgenoot is deels vrijgesteld van de verplichting tot arbeid vanwege deze medische problemen. De rechtbank heeft in de verwijzingsuitspraak voorts vastgesteld dat de zoon en echtgenoot van eiseres nimmer gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer en verblijf.

8. Eiseres stelt primair aan artikel 20 VWEU een afgeleid verblijfsrecht te ontlenen omdat haar Nederlandse en in Nederland wonende minderjarige zoon afhankelijk is van haar. Eiseres heeft daarom een aanvraag ingediend voor de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als gezinslid van een Unieburger. Eiseres stelt subsidiair dat aan haar een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM moet worden verleend.

9. Verweerder heeft zich in het bestreden (en aanvullende) besluit op het standpunt gesteld dat eiseres geen afgeleid verblijfsrecht aan artikel 20 VWEU kan ontlenen omdat zij een verblijfsrecht heeft in Spanje. In dit (aanvullende) besluit is medegedeeld dat eiseres zich naar Spanje dient te begeven en dat haar minderjarige kind kan haar volgen. De weigering om haar een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU te verlenen heeft daarom niet tot gevolg dat haar minderjarige kind het grondgebied van de Unie als geheel moet verlaten.

10. Verweerder is bij de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een document voor het afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 WVEU ambtshalve nagegaan of aan eiseres een vergunning op grond van artikel 8 EVRM moet worden verleend. Verweerder heeft vastgesteld dat sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar echtgenoot en hun zoon en heeft vastgesteld dat sprake is van privéleven van eiseres in Nederland. Omdat -samengevat- volgens verweerder het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eiseres en haar Nederlandse echtgenoot en hun zoon, valt de belangenafweging die verweerder in dit kader heeft verricht in het nadeel van eiseres uit. Eiseres krijgt geen verblijfsvergunning en verweerder heeft eiseres in het besluit waarin dit is vastgesteld opgedragen om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van de lidstaat waar zij haar verblijfsrecht heeft verkregen.

11. De Grote Kamer van het Hof heeft op 4 juni 2026 in het arrest Safi de door de rechtbank op 26 februari 2024 gestelde prejudiciële vragen beantwoord en het navolgende voor recht verklaard:

“Artikel 20 VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest moet aldus worden uitgelegd dat

– het zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteit van de gastlidstaat een besluit vaststelt waarbij wordt geweigerd aan een derdelander die ouder is van een minderjarig kind dat burger van de Unie is en dat nooit heeft verbleven in een andere lidstaat dan die waarvan het onderdaan is, een afgeleid verblijfsrecht op zijn grondgebied te verlenen op grond dat deze derdelander een verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat, wanneer die autoriteit niet vooraf is nagegaan of het familie- en gezinsleven dat dit kind leidt met zijn twee ouders, van wie het afhankelijk is, in die andere lidstaat kan worden voortgezet en of de verplaatsing van het kind naar die lidstaat tegen zijn belangen indruist;

– het vereist dat aan die derdelander een afgeleid verblijfsrecht wordt verleend op het grondgebied van de lidstaat waarvan het kind onderdaan is en waar het met zijn twee ouders woont, wanneer het familie- en gezinsleven dat dit kind leidt met zijn twee ouders, van wie het afhankelijk is, niet in die andere lidstaat kan worden voortgezet en/of de verplaatsing van het kind naar die lidstaat tegen zijn belangen indruist.

12. De rechtbank heeft partijen tijdens de voortzetting van het onderzoek ter zitting op 16 juni 2026 in de gelegenheid gesteld om hun visie te geven over de gevolgen van het arrest Safi voor de onderhavige procedure.

13. Verweerder heeft erkend dat de besluitvorming een gebrek bevat omdat de beoordeling van de aanvraag om verlening van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU niet volledig is geweest. Verweerder heeft aangegeven eiseres nader te willen horen om, - gelet op het tijdsverloop sinds de verwijzing – de feiten te actualiseren en gelet op het nadere onderzoek dat verweerder zal moeten verrichten zoals dit blijkt uit de verduidelijking van het Unierecht in het arrest Safi.

14. Eiseres heeft voorafgaand aan de zitting van 16 juni 2026 geen nadere documenten overgelegd om haar stelling dat zij niet langer een verblijfsrecht in Spanje heeft, te onderbouwen. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting medegedeeld dat zij nog steeds geen reactie van de Spaanse autoriteiten heeft ontvangen op de brief van eiseres aan de Spaanse autoriteiten dat zij afstand wil doen van haar verblijfsrecht in Spanje. Gemachtigde van eiseres heeft op vragen van de rechtbank voorts medegedeeld dat zij contact heeft opgenomen met de school van de zoon van eiseres en met de gemeente Sittard-Geleen om nadere actuele informatie te verschaffen, maar dat zij nog geen reactie heeft ontvangen. Namens eiseres is verder toegelicht dat door verweerder is verzocht of de echtgenoot van eiseres ook naar de hoorzitting kan komen die op 23 juni 2026 zal plaatsvinden.

15. Eiseres heeft ter zitting van 16 juni 2026 op vragen van de rechtbank verklaard dat haar persoonlijke situatie ongewijzigd is en dat zij vanaf het vorige onderzoek ter zitting onafgebroken met haar zoon en man samenwoont en dat zij en haar man gezamenlijk voor hun zoon zorgen. De enige verandering in deze omstandigheden is dat eiseres, haar man en hun kind inmiddels in een andere aan hen toegewezen woning wonen. De zoon van eiseres, die inmiddels 11 jaar oud is, volgt nog steeds onderwijs aan dezelfde instelling voor ‘speciaal onderwijs’ en wordt nog steeds met ‘speciaal vervoer’ naar deze instelling gebracht en doorloopt op dit moment groep 7 van dit ‘speciaal basisonderwijs’. Eiseres en haar echtgenoot werken beiden niet.

16. Het Hof heeft in het arrest Safi verduidelijkt dat uit het Unierecht volgt dat verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van bedoeld document waarmee het afgeleid verblijfsrecht kan worden aangetoond, niet kan afwijzen zonder nader onderzoek te verrichten. De rechtbank overweegt dat verweerder in de gelegenheid moet worden gesteld om nader onderzoek te verrichten om zo allereerst zelf te kunnen beoordelen of alsnog tot verlening van het gevraagde document dan wel verblijfsrecht moet worden overgegaan. Het Hof verduidelijkt weliswaar bestaand Unierecht, maar in vaste nationale rechtspraak is het beleid van verweerder om een derdelander-ouder die een verblijfsrecht in een andere lidstaat heeft uitgesloten te achten van een afgeleid verblijfsrecht tot aan het arrest Safi steeds rechtmatig bevonden. De rechtbank ziet op grond van het arrest aanleiding om regie voeren over de voortgang van de door verweerder te maken beoordeling.

17. De hoorzitting is gepland op 23 juni 2026. De rechtbank verzoekt verweerder om binnen een week na 23 juni 2026 het verslag van de hoorzitting aan het dossier toe te voegen en daarbij aan te geven of op grond van deze hoorzitting aanvullend kan worden beslist op de aanvraag van eiseres. Indien verweerder deze vraag bevestigend beantwoordt, verzoekt de rechtbank verweerder om aan te geven wanneer dit aanvullende besluit zal worden genomen.

18. De rechtbank verzoekt verweerder tevens om, zoals ter zitting ook door verweerder is aangegeven, reeds nu de liaisonambtenaar in Spanje te laten nagaan of eiseres nog steeds over een verblijfsrecht in Spanje beschikt. Uit het arrest Safi volgt dat verweerder onder meer moet nagaan of het familieleven zoals eiseres, haar man en hun kind dit gezamenlijk in Nederland uitoefenen kan worden voortgezet in Spanje. De liaisonambtenaar heeft weliswaar verweerder op 21 september 2023 laten weten dat het verblijfsrecht van eiseres een permanent karakter heeft. Dit sluit evenwel niet uit dat van een dergelijk verblijfsrecht afstand kan worden gedaan. Indien komt vast te staan dat eiseres niet langer over een verblijfsrecht in Spanje beschikt zal verweerder kunnen volstaan met een nader onderzoek van zeer beperkte omvang gelet op de overwegingen van het Hof over die mogelijke situatie. De rechtbank gaat er van uit, zoals ter zitting is besproken, dat verweerder de liaisonambtenaar in kennis stelt van de inspanningen die eiseres heeft geleverd om de Spaanse autoriteiten te informeren dat zij afstand wenst te doen van haar verblijfsrecht en ook nu geen verblijfsrecht in Spanje wil effectueren. Verweerder zal de liaisonambtenaar aldus moeten informeren dat indien deze contact opneemt met de Spaanse autoriteiten, het wenselijk is dat aan de Spaanse autoriteiten kenbaar wordt gemaakt dat het onderzoek betrekking heeft op een Marokkaanse vrouw die sinds 2014 in Nederland verblijft en samenwoont met haar echtgenoot die de Nederlandse nationaliteit heeft en hun Nederlandse zoon voor wie zij gezamenlijk de zorg hebben. De liaisonambtenaar kan in dat onderzoek ook wijzen op de omstandigheid dat eiseres een brief met daarin haar wens om afstand te doen van haar verblijfsrecht in Spanje heeft gezonden aan de Spaanse ambassade en de Spaanse immigratiedienst met het verzoek om te bevestigen dat haar verblijfsrecht is geëindigd. De rechtbank acht het raadzaam dat verweerder de door eiseres overgelegde producties die deze verklaringen onderbouwen aan de liaisonambtenaar doet toekomen. Bij het nagaan of eiseres nog over een verblijfsrecht in Spanje beschikt dient verweerder tevens aan de liaisonambtenaar mede te delen dat eiseres niet werkzaam is in Nederland. De rechtbank verzoekt verweerder om het verzoek dat wordt gedaan aan de liaisonambtenaar in Spanje met daarin de concrete vraagstelling en hierboven weergegeven toelichting in het dossier te voegen en de liaisonambtenaar te verzoeken om het onderzoek voortvarend ter hand te nemen en verweerder op de hoogte te houden van diens verrichtingen, zodat verweerder deze informatie in het dossier kan plaatsen en zowel eiseres als de rechtbank steeds op de hoogte zijn van de inspanningen die worden geleverd en de tijdspanne waarin dit gebeurt.

19. De rechtbank verzoekt de gemachtigde van eiseres om de bij de school van de zoon van eiseres opgevraagde informatie zodra deze is verkregen toe te voegen aan het dossier en voor zover nodig de school mede te delen dat de rechtbank verzoekt om actuele gegevens over het welbevinden en het functioneren van de zoon op school en met name te verduidelijken welke aanvullende ondersteuning aan de zoon wordt geboden en in hoeverre deze steun bijdraagt aan de ontwikkeling van de zoon van eiseres.

20. De rechtbank verzoekt de gemachtigde van eiseres tot slot om zich, voor zover nodig, nogmaals te wenden tot de gemeente Sittard-Geleen en te rappelleren op het reeds gedane verzoek om informatie over mogelijke trajecten die eiseres en haar echtgenoot worden aangeboden om werk te verkrijgen en/of te re-integreren op de arbeidsmarkt zodat verweerder deze informatie kan betrekken bij zijn nieuw te verrichten beoordeling van de aanvraag van eiseres. De gemachtigde van eiseres kan daarbij kenbaar maken dat de rechtbank onverwijld over deze informatie wenst te beschikken en dat eiseres ‘een actuele uitdraai’ van haar eigen dossier en dat van haar echtgenoot nodig heeft om tijdens de hoorzitting die op 23 juni 2026 plaatsvindt, toelichting te geven op hun situatie en mogelijkheden tot participatie in de Nederlandse arbeidsmarkt.

21. De rechtbank verzoekt partijen elkaar en de rechtbank op de hoogte te houden van de voortgang van het onderzoek en de inspanningen die zij leveren om aan deze tussenuitspraak te voldoen en van de resultaten van deze inspanningen. Indien verweerder na de hoorzitting nader onderzoek noodzakelijk acht om de aanvraag van eiseres om de verlening van het gevraagde document te kunnen beoordelen, zal verweerder gemotiveerd moeten aangeven welk onderzoek hij geïndiceerd acht en welke termijnen hiermee mogelijk gemoeid zijn. De rechtbank heeft ter zitting besproken het vooralsnog niet nodig te achten om een onderzoek naar het belang van de zoon te (laten) verrichten en eerst te willen afwachten of verweerder op grond van de hoorzitting tot een andere beoordeling van het verzoek van eiseres komt. De rechtbank betrekt hierbij dat de nodige tijd zal zijn gemoeid met het (laten) verrichten van dit onderzoek en het onderzoek op zichzelf wellicht belastend is voor de zoon van eiseres.

22. De rechtbank heeft met partijen besproken dat de verdere voortgang van de procedure en met name de beoordeling of de voorzetting van het onderzoek ter zitting aangewezen is, in overleg met partijen zal plaatsvinden.

23. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.




Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op nader onderzoek te verrichten zoals weergegeven in overwegingen 17 en 18;
- draagt eiseres op om zich in te spannen om nadere informatie te verkrijgen zoals weergegeven in overwegingen 19 en 20;
- houdt iedere verdere beslissing aan.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Clermonts, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 juni 2026.




Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen rechtsmiddel open. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
Link naar deze uitspraak