|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:16521 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | C/09/676898 / HA RK 24-64 C/09/676898 / HA RK 24-64 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Rijkswet op het Nederlanderschap. Vaststelling Nederlanderschap minderjarige door erkenning Nederlandse vader. Artikel 1:204 oud BW. Nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en de minderjarige. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: HA RK 24-647
Zaaknummer: C/09/676898
Datum beschikking: 19 mei 2026
Vaststelling van het Nederlanderschap
Beschikking op het op 5 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder] ,
verzoekster, hierna: de moeder,
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres buiten Nederland,
advocaat: mr. P. van de Kolk in Den Haag.
Als belanghebbende worden aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de IND,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. A. Salis,
en
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. van de Kolk in Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het bericht van 22 januari 2025 van verzoekster, met bijlagen
het bericht van 24 februari 2025 van de IND, met bijlage;
het bericht van 9 april 2025 van verzoekster, met bijlagen;
het bericht van 23 september 2025 van de IND, met bijlagen;
het bericht van 22 oktober 2025 van verzoekster, met bijlagen;
het aanvullend verzoekschrift van 22 oktober 2025 van verzoekster, met bijlagen;
het bericht van 23 oktober 2025 van verzoekster, met bijlage;
het bericht van 29 december 2025 van verzoekster, met bijlage;
het bericht van [datum 3] 2026 van de IND;
het bericht van 18 februari 2026 van verzoekster, met bijlagen;
het bericht van 19 februari 2026 van verzoekster, met bijlagen;
het bericht van 16 april 2026 van de IND.
Op 21 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder (via een videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
de vader;
mr. A. Salis namens de IND.
Feiten
De vader, [de vader] , is geboren op [geboortedatum 1] 1963 in [geboorteplaats 1] . De vader verkreeg de Nederlandse nationaliteit door geboorte op grond van artikel 1 aanhef en onder a van de Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap.
De vader is op [datum 1] 1988 gehuwd met [naam 1] . Dit huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de [gemeente] op [datum 2] 2011.
De moeder, [de moeder] , is geboren op [geboortedatum 2] 1975 in [land 1] . De moeder heeft de Russische nationaliteit.
De minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) is geboren op [geboortedatum 3] 2010 in [geboorteplaats 2] , [land 2] .
Op de Russische geboorteakte van [minderjarige] , geregistreerd met nummer [nummer], staan de moeder en de vader opgenomen als de ouders.
Uit een Certificate of Paternity Determination van 19 mei 2010, geregistreerd met nummer 325, blijkt dat de vader [minderjarige] heeft erkend op 19 mei 2010.
De moeder en de vader zijn nooit met elkaar gehuwd.
De vader was ten tijde van de geboorte van [minderjarige] en de erkenning van [minderjarige] nog gehuwd met [naam 1] .
De moeder is in de periode van 12 februari 1991 tot 4 september 2024 niet gehuwd geweest.
De vader is op [datum 3] 2015 gehuwd met [naam 2] .
De moeder en de vader hebben op 27 september 2023 bij de Nederlandse ambassade in [geboorteplaats 2] een aanvraag voor een Nederlands paspoort voor [minderjarige] ingediend. De aanvraag is niet in behandeling genomen, omdat [minderjarige] niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit zou zijn, aangezien de vader ten tijde van de erkenning nog gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van [minderjarige] . Tegen die beslissing is bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij beslissing van 13 februari 2024 kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoek en het standpunt van de IND
De moeder verzoekt, zoals dat verzoek na aanvulling luidt:
voor recht te verklaren dat tussen de moeder en de vader ten tijde van de geboorte van [minderjarige] een band heeft bestaan die in voldoende mate gelijk valt te stellen met een huwelijk;
voor recht te verklaren dat tussen [minderjarige] en de vader een nauwe persoonlijke band bestaat;
vast te stellen dat [minderjarige] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
De IND concludeert tot afwijzing van de verzoeken.
De vader sluit zich aan bij de verzoeken van de moeder.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de vader van [minderjarige] in Nederland staat ingeschreven in de BRP, hij de Nederlandse nationaliteit heeft en onder meer wordt verzocht om vast te stellen dat [minderjarige] via hem de Nederlandse nationaliteit heeft, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig zijn om kennis te nemen van de verzoeken.
De rechtbank zal Nederlands recht toepassen op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
Niet in geschil is dat [minderjarige] op 19 mei 2010 door de vader rechtsgeldig is erkend naar Russisch recht.
De IND stelt zich op het standpunt dat [minderjarige] niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, omdat de vader ten tijde van de erkenning van [minderjarige] met een andere vrouw dan de moeder van [minderjarige] was gehuwd. Dat is, zo voert de IND aan, slechts anders indien de rechtbank vaststelt dat tussen [minderjarige] en de vader ten tijde van de erkenning van [minderjarige] een nauwe persoonlijke betrekking bestond of dat er ten tijde van de erkenning van [minderjarige] sprake was van een band tussen de ouders van [minderjarige] , die in voldoende mate gelijk te stellen is met een huwelijk. Volgens de IND was daarvan echter geen sprake. Het is aan de moeder om te onderbouwen en aan te tonen dat aan deze voorwaarden is voldaan. Echter heeft de moeder enkel een aantal documenten en foto’s overgelegd, zonder nadere onderbouwing. Daar komt bij dat de moeder heeft gesteld dat de vader sinds 1998 niet meer samenwoont met mevrouw [naam 1] , maar dat uit de Basisregistratie Personen blijkt dat zij tot 29 april 2010 op hetzelfde adres ingeschreven stonden. De vader stond vanaf dat moment ingeschreven in [land 3] , terwijl [minderjarige] op [geboortedatum 3] 2010 in [land 2] is geboren. Ook komt de door de moeder gestelde tijdlijn van de relatie tussen de ouders niet geheel overeen met wat de vader en [naam 2] hebben verklaard in een verblijfsprocedure bij de IND van [naam 2] . Daarin hebben zij namelijk aangegeven dat zij en de vader vanaf 2009 als gezin in [land 3] samen hebben geleefd. Volgens de IND is gelet hierop in ieder geval vanaf 2009 geen sprake meer van een band tussen de ouders van [minderjarige] die gelijk te stellen is aan een huwelijk. Daarnaast is ook onvoldoende bewijs overgelegd dat ten tijde van de erkenning van [minderjarige] sprake was van een nauwe persoonlijke band tussen [minderjarige] en de vader, zodat dit niet aannemelijk is. De erkenning is daarom nietig, waardoor [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit niet heeft verkregen.
De moeder stelt dat zij vanaf 2005 – en dus ruim voor de geboorte van [minderjarige] – een relatie met de vader had, als waren zij gehuwd. Zij reisden veel samen, hebben samen meerdere huizen gekocht en werkten nauw samen als zakenpartners. De moeder en de vader leefden vanaf 2005 duurzaam samen en zij stonden in 2023 zelfs nog beiden ingeschreven op het adres [adres] in [plaats] , [land 2] . Dat de vader destijds ook veel buiten [land 2] verbleef, doet niet af aan die met een huwelijk gelijk te stellen band tussen de ouders en was het gevolg van het feit dat hij meerdere ondernemingen had in [land 2] , [land 3] en Nederland. Vanaf 1 juli 2009 hadden de moeder en de vader samen een huurwoning in Nederland, om samen te verblijven als zij in Nederland waren. De vader heeft zich in 2010 uitsluitend om fiscale redenen in [land 3] ingeschreven. Toen [minderjarige] werd geboren was de vader in [land 2] en ook daarna verbleef hij in [land 2] . De vader kreeg verder pas eind 2011 een relatie met [naam 2] . Dat de vader ten tijde van de relatie met de moeder ook een relatie had met [naam 2] , met wie hij een kind heeft en nog steeds getrouwd is, deed aan de band tussen de ouders ook niet af. Zoals de vader zelf zegt: de moeder was tot 2012 zijn vrouw, zijn huidige vrouw was tot dat moment slechts zijn vriendin. Ook is er volgens de moeder sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [minderjarige] . De vader was voorafgaand aan, ten tijde van en na de geboorte van [minderjarige] aanwezig bij de moeder en [minderjarige] in [land 2] . De vader heeft vanaf de geboorte van [minderjarige] altijd een verzorgende rol gehad. Hij is nu nog steeds zo veel als mogelijk betrokken in haar leven, zodat altijd en dus ook ten tijde van de erkenning sprake is geweest van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [minderjarige] .
De rechtbank overweegt en beslist als volgt.
Om te beoordelen of [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, moet de rechtbank eerst beoordelen of [minderjarige] door de erkenning door de vader in [land 2] in een familierechtelijke betrekking tot de vader is komen te staan.
Artikel 10:101 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat een in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, van rechtswege in Nederland wordt erkend, tenzij sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 10:100 BW.
[minderjarige] is geboren in [land 2] en de moeder heeft de Russische geboorteakte van [minderjarige] overgelegd, voorzien van een apostille, waarop de vader als de vader is vermeld. Niet gebleken is dat deze akte niet door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt. De familierechtelijke betrekking die in deze akte is neergelegd komt in beginsel dan ook voor erkenning in Nederland in aanmerking.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of zich een van de weigeringsgronden voordoet. In dit geval komt het dan aan op beantwoording van de vraag of de erkenning van die familierechtelijke betrekking onverenigbaar is met de openbare orde op grond van artikel 10:101 BW in samenhang gelezen met artikel 10:100 lid 1 sub c BW. Dat sprake zou zijn van een andere weigeringsgrond is niet gesteld en verder ook niet gebleken.
De rechtbank is van oordeel dat van strijd met de openbare orde in dit geval geen sprake is. Uit de stukken is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat [minderjarige] is geboren uit de affectieve relatie van de moeder en de vader. Op het moment van de geboorte van [minderjarige] was verzoeker echter nog gehuwd met een andere vrouw. Tot 1 april 2014 kon erkenning van [minderjarige] door de vader in [land 2] niet van rechtswege worden erkend in Nederland. Op grond van het toen geldende recht was immers sprake van strijd met de openbare orde, omdat de vader op het moment van de erkenning nog gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van [minderjarige] (artikel 1:204 lid 1 aanhef en onder e (oud) BW). Het vóór 1 april 2014 geldende recht bracht met zich dat een erkenning door een met een ander dan de moeder gehuwde man slechts in Nederland kon worden erkend, indien door de rechtbank vastgesteld zou worden dat er ten tijde van de erkenning sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [minderjarige] dan wel dat tussen de vader en de moeder sprake was van een band die op één lijn te stellen is met het huwelijk. Per 1 april 2014 is artikel 1:204 lid 1 sub e (oud) BW komen te vervallen. Daardoor kan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10:101 lid 2 sub a BW zich nu niet meer voordoen (de omstandigheid dat een man ten tijde van de erkenning van een kind met een andere vrouw gehuwd was dan de moeder van het kind). In zoverre kan de erkenning van [minderjarige] door verzoeker worden erkend in Nederland, mits de erkenning in overeenstemming is met het Russische recht.
De rechtbank heeft in VIND Burgerzaken het volgende gevonden over erkenning door een vader naar Russisch recht: “Zijn de ouders van het kind niet met elkaar gehuwd, dan wordt als vader van het kind geregistreerd de man die gezamenlijk met de moeder een schriftelijke verklaring bij het ZAGS-kantoor indient, de man die heeft verzocht het vaderschap vast te stellen onder bepaalde omstandigheden, of de man die bij rechterlijk besluit als de vader van het kind wordt vastgesteld (artikel 48 Federale wet inzake akten van de burgerlijke stand). De verklaring kan worden ingediend vóór de geboorte (artikel 48 Familiewet) ten tijde van of na de registratie van de geboorte (artikel 50 lid 2 Federale wet inzake akten van de burgerlijke stand). Zijn de ouders van het kind niet met elkaar gehuwd, dan wordt als vader van het kind geregistreerd de man die gezamenlijk met de moeder een schriftelijke verklaring bij het ZAGS-kantoor indient, de man die heeft verzocht het vaderschap vast te stellen onder bepaalde omstandigheden, of de man die bij rechterlijk besluit als de vader van het kind wordt vastgesteld (artikel 48 Federale wet inzake akten van de burgerlijke stand). De verklaring kan worden ingediend, vóór de geboorte (artikel 48 Familiewet) ten tijde van of na de registratie van de geboorte (artikel 50 lid 2 Federale wet inzake akten van de burgerlijke stand). Vaderschap van een persoon die niet met de moeder van het kind is gehuwd, wordt bepaald aan de hand van een gezamenlijke schriftelijke verklaring van de vader en moeder van het kind bij het ZAGS-kantoor (artikelen 48 juncto 50 lid 1 Federale wet inzake akten van de burgerlijke stand). Hieruit volgt de conclusie dat toestemming – of in ieder geval instemming – van de moeder noodzakelijk is voor de erkenning van het kind door de vader.”
De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of op grond van artikel 10:95 lid 3 BW naar Russisch recht is voldaan aan de vereisten die aan de toestemming van de moeder voor de erkenning worden gesteld. Uit het Russische recht volgt dat toestemming van de moeder – of in ieder geval instemming – noodzakelijk is. De rechtbank overweegt dat uit de stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de moeder heeft ingestemd met de erkenning van [minderjarige] door de vader.
Uit het voorgaande volgt dat de Russische erkenning van [minderjarige] door verzoeker op grond van artikel 10:101 BW kan worden erkend en dat is niet is gebleken van een weigeringsgrond. Er is dus sprake van een familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de vader.
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of [minderjarige] daarmee ook het Nederlanderschap heeft verkregen.
Op grond van artikel 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) verkrijgt een minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend van rechtswege het Nederlanderschap, ongeacht of er sprake is van een erkenning die in Nederland is gedaan dan wel van een in het buitenland gedane erkenning die voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 4 RWN vindt plaats op het tijdstip van de erkenning. Uit artikel 2 lid 1 RWN volgt dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 21 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2377) overwogen dat een en ander betekent dat de gevolgen van een erkenning voor de verkrijging van het Nederlanderschap moeten worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die erkenning plaatsvindt en met inachtneming van de op dat moment in Nederland geldende wetgeving.
Het voorgaande brengt met zich dat de erkenning van [minderjarige] door de vader op 19 mei 2010 er niet zonder meer toe leidt dat [minderjarige] ook de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Alleen als aannemelijk is dat op het moment van erkenning tussen de vader en [minderjarige] een nauwe persoonlijke betrekking bestond dan wel dat op dat moment tussen de vader en de moeder sprake was van een band die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen, heeft [minderjarige] het Nederlanderschap verkregen. Ten tijde van de erkenning gold immers nog het bepaalde in artikel 1:204 lid 1 aanhef en onder e (oud) BW.
Uit de stukken en uit dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat de ouders ten tijde van de erkenning van [minderjarige] al geruime tijd een relatie met elkaar hadden, die in ieder geval tot 2012 heeft geduurd. Twee weken na de geboorte van [minderjarige] heeft de vader [minderjarige] , met instemming van de moeder, erkend. Hij staat ook als de vader vermeld op de geboorteakte. Uit de stempels in het paspoort van de vader blijkt dat de vader voorafgaand aan, ten tijde van en na de geboorte en erkenning van [minderjarige] in [land 2] was. De vader heeft daarover onvoldoende weersproken verklaard dat hij bij de moeder en [minderjarige] verbleef in het appartement dat de ouders samen hebben gekocht en waarvan zij tot op heden nog steeds samen eigenaar zijn. Door de moeder zijn verder verschillende foto’s overgelegd van de vader met [minderjarige] als pasgeboren baby. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende is gebleken dat ten tijde van de erkenning van [minderjarige] tussen de vader en [minderjarige] sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking, die tot op heden nog steeds voortduurt. Dat de vader op dat moment mogelijk al een relatie had met zijn huidige echtgenote, en de omstandigheid dat hij niet permanent bij de moeder en [minderjarige] in [land 2] verbleef omdat hij – ruim voor de geboorte van [minderjarige] maar ook daarna – in verschillende landen woonde doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [minderjarige] .
Alleen al hierom is voldaan aan de voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap. Dit brengt met zich dat [minderjarige] vanaf de datum van de erkenning door de vader in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om vast te stellen dat [minderjarige] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit daarom toewijzen, zoals na te melden in het dictum van deze beschikking.
Gelet hierop, hoeft de rechtbank niet meer te beoordelen of ten tijde van de erkenning van [minderjarige] tussen de vader en de moeder (ook) sprake was van een band die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen.
De verzoeken van de moeder om voor recht te verklaren dat tussen de moeder en de vader ten tijde van de geboorte van [minderjarige] een band heeft bestaan die in voldoende mate gelijk valt te stellen met een huwelijk en dat tussen [minderjarige] en de vader een nauwe persoonlijke band bestaan, zal de rechtbank afwijzen bij gebrek aan belang.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt vast dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2010 in [geboorteplaats 2] , [land 2] , sinds 19 mei 2010 de Nederlandse nationaliteit bezit;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, A.P. de Klerk en E.G. Nuboer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van
19 mei 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|