Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:17646 
 
Datum uitspraak:26-06-2026
Datum gepubliceerd:30-06-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL26.5621 en NL26.5622
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Derde asielaanvraag, Ivoorkust, integrale beoordeling bij opvolgende aanvraag, meewegen referentiekader, samenwerkingsplicht, iMMO-rapport, risico-inschatting herbesnijdenis
Trefwoorden:sn
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.5621 (beroep)
NL26.5622 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen



[eiseres],
geboren op [geboortedag] 1985, van Ivoriaanse nationaliteit, eiseres/ verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),

en



de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. R. van Steijn).



Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/ voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en haar verzoek om een voorlopige voorziening.


1.1.
Eiseres heeft op 19 juni 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 januari 2026 (hierna: het bestreden besluit) afgewezen als kennelijk ongegrond.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en S. Diaby als tolk in de taal Dioula. De gemachtigde van de minister is met voorafgaand bericht niet verschenen.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Voorgeschiedenis


4. Eiseres heeft op 14 oktober 2010 voor het eerst asiel aangevraagd. De afwijzende beschikking is uitgebracht op 26 maart 2012. Eiseres is hiertegen in beroep gegaan. Op
1 oktober 2013 heeft de rechtbank haar beroep ongegrond verklaard. Eiseres is hiertegen in hoger beroep gegaan. Het hoger beroep is op 27 maart 2014 kennelijk ongegrond verklaard.

5. Vervolgens heeft eiseres op 30 december 2013 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Deze is afgewezen als niet-ontvankelijk op 8 januari 2014. Eiseres is hiertegen in beroep gegaan en op 30 januari 2014 is het door haar ingediende beroep ongegrond verklaard.


Het asielrelaas


6. Eiseres heeft verklaard dat zij een aantal jaar bij haar oom en tante heeft gewoond. Hier is zij slachtoffer geworden van seksuele, fysieke en mentale mishandeling. Daarnaast is zij ook besneden. Volgens haar tante is de besnijdenis niet helemaal goed gegaan en haar tante wil daarom dat dit wordt afgemaakt. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij in 2009 of 2010 is gearresteerd, omdat zij geen identiteitsbewijs kon tonen. Zij stelt toen een week in de gevangenis te hebben gezeten en daaruit ontsnapt te zijn. In Nederland is eiseres zwanger geraakt. Zij is haar baby verloren. Dit zorgde ervoor dat de vader van het kindje, [naam 1], en zijn familie in Ivoorkust eiseres gingen bedreigen met de dood.


6.1.
Eiseres heeft de volgende documenten overgelegd:


Kennisgeving arrestatiebevel;


Arrestatiebevel;


Telegram ‘gezocht persoon’;


iMMO-rapport;


Screenshots van de geblokkeerde familieleden van [naam 1];


Bericht op WhatsApp waaruit blijkt dat eiseres is bedreigd door [naam 1];


Getuigenverklaringen over de bedreigingen door de familie van [naam 1] van twee vrienden, [naam 2] en [naam 3], die hebben getracht te bemiddelen tussen eiseres en [naam 1] respectievelijk zijn familie;




Kopie van het identiteitsbewijs van [naam 2] alias [naam 2];


De transcripten en vertaling van twee voice berichten die eiseres van de familie van [naam 1] via Whatsapp heeft ontvangen.


De aangifte van geboorte (en overlijden) van 30 januari 2021 van het kindje van eiseres;


De bevestiging tenaamstelling van het graf van het kindje van eiseres;


Een getuigenverklaring van [naam 4] aangaande de afbreking van de zwangerschap en de gevolgen die dat had voor eiseres.




Het bestreden besluit


7. Het asielrelaas bestaat volgens de minister uit vijf asielmotieven:

1. De identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De problemen met de autoriteiten;
3. De seksuele, fysieke en mentale mishandeling in de jeugd;
4. De besnijdenis;
5. De bedreigingen door [naam 1].



7.1.
De minister acht alle asielmotieven geloofwaardig, behalve de problemen met de autoriteiten. De minister acht deze problemen ongeloofwaardig, omdat dit asielmotief al bij de eerste procedure ongeloofwaardig is geacht. Tijdens de tweede aanvraag heeft eiseres documenten overgelegd die zij nu weer heeft overgelegd en ook met de inachtneming van die documenten is dit asielmotief destijds ongeloofwaardig geacht. Dat toentertijd op een andere manier werd beslist, houdt volgens de minister niet in dat de beoordeling opnieuw gedaan moet worden. Daarnaast is dit asielmotief destijds niet alleen ongeloofwaardig geacht doordat de documenten niet geauthentiseerd konden worden. De minister haalt aan dat eiseres destijds ook vaag en summier verklaarde over hoe zij aan de documenten is gekomen. Met betrekking tot het referentiekader wordt overwogen dat het feit dat het referentiekader niet op schrift is vastgesteld in de besluitvorming, op geen enkele wijze betekent dat dit niet is meegewogen. Dat uit het iMMO-rapport volgt dat eiseres tientallen kleine littekens heeft op haar benen en dat dit consistent is met het verhaal van eiseres dat dit komt door onhygiënische toestanden in de gevangenis, doet aan het bovenstaande ook niet af. Aan deze conclusie valt volgens de minister namelijk op te merken dat het label ‘consistent’ de een na laagste gradatie is binnen het Istanbul protocol. Daarbij heeft het iMMO ook aangegeven dat de littekens andere oorzaken kunnen hebben.



7.2.
De minister acht de bedreigingen door [naam 1] zelf wel geloofwaardig, maar acht niet geloofwaardig dat eiseres ook bedreigd is door zijn familieleden. Eiseres voldoet namelijk niet aan voorwaarde c van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Een screenshot van een aantal gemiste oproepen is volgens de minister ook onvoldoende om de bedreigingen van de familieleden van [naam 1] geloofwaardig te achten. Met betrekking tot de verklaringen van [naam 3] en [naam 2] stelt de minister dat deze niet kunnen dienen ter ondersteuning van de door eiseres gestelde bedreigingen.



7.3.
Volgens de minister leiden de geloofwaardig geachte asielmotieven daarnaast niet tot de conclusie dat eiseres een gegronde vrees heeft voor vervolging of dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade. Zij heeft zich na de mishandelingen in haar jeugd door haar oom en tante nog jarenlang staande weten te houden. Dat [naam 1] eiseres in Ivoorkust wel zou kunnen vinden, maar hier niet, is voor de minister ook niet te volgen.



7.4.
De minister wijst tevens het verzoek tot heroverweging van het besluit van 26 maart 2012 en van het besluit van 8 januari 2014 af. In het geval van eiseres is er volgens de minister geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.



7.5.
De minister stelt ook dat hij niet gehouden was om een vergunning op humanitaire gronden te verschaffen. Ten aanzien van hetgeen in Nederland is voorgevallen wordt overwogen dat, nu het een derde aanvraag betreft, niet getoetst wordt of eiseres op reguliere gronden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Indien eiseres hiervoor in aanmerking wenst te komen, kan zij een reguliere aanvraag indienen.


Beoordeling door de rechtbank



Problemen met de autoriteiten


8. Volgens eiseres zijn de problemen met de autoriteiten ten onrechte als ongeloofwaardig beoordeeld. De minister kon niet redeneren dat de ongeloofwaardigheid van de problemen met de autoriteiten in rechte vast is komen te staan. Daarnaast had de minister, indien hij de verklaringen van eiseres over de documenten die zien op haar detentie onvoldoende duidelijk achtte, hier nadere vragen over moeten stellen.Ook heeft de minister het referentiekader onvoldoende kenbaar betrokken bij de beoordeling en heeft hij een onjuiste beoordelingsmaatstaf gehanteerd als het gaat om het medisch steunbewijs.



8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de problemen met de autoriteiten ongeloofwaardig zijn. Zij zal dit hieronder nader toelichten.


8.1.1.
De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat als een opvolgende asielaanvraag ontvankelijk is verklaard de minister gehouden is om alle overgelegde bewijsmiddelen integraal en in samenhang te beoordelen. De minister heeft in het bestreden besluit enkel aangegeven dat de ongeloofwaardigheid van de problemen met de autoriteiten reeds in rechte vaststaat. Zoals eiseres echter naar voren brengt is in de eerdere procedures geoordeeld dat het relaas van eiseres geen “positieve overtuigingskracht” heeft en dat de door haar ingebrachte documenten geen nova zijn omdat het geen originelen documenten waren. Deze juridische kaders zijn inmiddels verlaten. De rechtbank overweegt dat indien een opvolgende aanvraag inhoudelijk wordt beoordeeld, dit meebrengt dat de minister alle bewijsmiddelen integraal en in onderlinge samenhang moet beoordelen. Dat eerdere besluiten zijn gecontroleerd door de rechter en in rechte vaststaan betekent niet dat de onderliggende feiten en omstandigheden ook vaststaan. Indien de verklaringen en bewijsmiddelen worden beoordeeld onder het thans geldende recht en op de wijze die het Hof uiteen heeft gezet in het arrest LH, kan dit een ander licht werpen op eerder aangenomen feiten en omstandigheden. De zogenoemde schotten tussen alle eerdere procedures vallen dan ook weg en de minister zal alle bewijsmiddelen integraal moeten beoordelen als ware deze overgelegd in één procedure.



8.1.2.
De rechtbank overweegt daarbij dat als er bij de minister onduidelijkheden bestaan, zoals over de verkrijging van de documenten, er een plicht rust op de minister om hier nadere vragen over te stellen en concreet te maken welke informatie ontbreekt. De minister kan daarbij niet, zoals hij in het bestreden besluit heeft gedaan, volstaan met de stelling dat er over de verkrijging van de documenten in een eerdere procedure reeds vragen zijn gesteld.



8.1.3.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat de minister kenbaar het referentiekader van eiseres bij de besluitvorming zal moeten betrekken. In het bestreden besluit heeft de minister enkel opgemerkt dat het referentiekader is betrokken bij de besluitvorming. Deze kale stelling is echter onvoldoende. Eiseres is slachtoffer geweest van verschillende vormen van seksuele, psychische en fysieke mishandeling. Eiseres is hierdoor getraumatiseerd en staat hiervoor onder behandeling. Ook uit het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag blijkt dat het voor eiseres moeilijk is om over haar ervaringen te spreken. De minister zal kenbaar rekening moeten houden met het referentiekader. De minister zal het referentiekader allereerst dienen te beschrijven en zal dit vervolgens kenbaar bij de motivering van het besluit dienen te betrekken. Enkel op deze wijze is het ook voor de rechtbank te controleren of het referentiekader op de juiste wijze is betrokken bij de beoordeling.



8.1.4.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de minister het iMMO-rapport ook gemotiveerd bij de beoordeling moet betrekken. Volgens de minister volgt uit het rapport niet dat eiseres de littekens uitsluitend in detentie kan hebben opgelopen. De rechtbank merkt op dat uit het iMMO-rapport volgt dat de littekens ‘consistent’ zijn met het relaas van eiseres over haar gevangenschap. Daarmee vormt het rapport medisch steunbewijs voor haar verklaringen. Dat de littekens ook op een andere manier ontstaan kunnen zijn doet hier niet aan af. Zoals eiseres terecht stelt kan er immers niet van haar verwacht worden dat zij aantoont dat de gestelde detentie de enige mogelijke oorzaak is van de littekens.


De bedreigingen door de familieleden van [naam 1]


9. Eiseres brengt tevens naar voren dat het onjuist is dat de bedreigingen door de familie van [naam 1] als ongeloofwaardig zijn beoordeeld. De minister heeft de overgelegde stukken onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken. Daarnaast miskent de minister de bewijspositie van eiseres. Verklaringen hoeven niet met documenten te worden gestaafd wanneer de vreemdeling niet in staat is dergelijk bewijs te leveren.




9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de bedreigingen door de familieleden van [naam 1] ongeloofwaardig zijn. Zij zal dit hieronder nader toelichten.


9.1.1.
Volgens de minister heeft eiseres niet gedetailleerd genoeg verklaard over wie haar precies zou hebben bedreigd, wanneer deze bedreigingen plaatsvonden en waaruit deze concreet bestonden. De minister heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat eiseres de gestelde bedreigingen ook niet voldoende heeft onderbouwd met de door haar overgelegde stukken.



9.1.2.
De rechtbank merkt hier allereerst over op dat zoals reeds onder 8.1.3. is overwogen de minister het referentiekader van eiseres niet kenbaar heeft betrokken bij zijn beoordeling van de verklaringen van eiseres. De minister had zich zonder dit te doen niet op het standpunt kunnen stellen dat haar verklaringen over de bedreigingen door de familie van [naam 1] onvoldoende gedetailleerd zijn.



9.1.3.
Wat betreft de beoordeling van de minister van de overgelegde stukken, merkt de rechtbank op dat er niet van eiseres verwacht mag worden dat zij al haar verklaringen kan onderbouwen met (objectieve) documenten, temeer nu eiseres zich in een lastige bewijspositie bevindt. Zij stelt immers dat zij voornamelijk via de telefoon, dus auditief, is bedreigd. Daarnaast is de minister onvoldoende op de overgelegde stukken ingegaan door alleen te benoemen dat uit de stukken niet duidelijk wordt van wie de berichten komen en in welke context deze geschreven dan wel ingesproken zijn. Eiseres heeft inderdaad geen objectief bewijs overgelegd. Zij heeft echter wel verschillende stukken overgelegd die qua inhoud bij elkaar aansluiten. Zo heeft zij screenshots van de nummers die zij heeft geblokkeerd en van een bedreigend WhatsApp bericht overgelegd. Bovendien heeft zij getuigenverklaringen van twee vrienden, genaamd [naam 2] en [naam 3], over de bedreigingen door de familie van [naam 1] overgelegd. In deze verklaringen staat dat deze vrienden geprobeerd hebben te bemiddelen tussen eiseres en de familie van [naam 1], maar dat dit niet gelukt is en dat de familie van [naam 1] aangeeft dat eiseres de Shariawetgeving heeft overtreden, een heks is en gedood zou moeten worden. In de aanvullende zienswijze van
6 januari 2025 heeft eiseres daarnaast ook nog twee vertaalde transcripten van voiceberichten van familieleden van [naam 1] overgelegd die zij heeft ontvangen vóórdat zij het betreffende nummer blokkeerde. Eiseres heeft hierbij ook aangeboden om de originele voiceberichten aan de minister op te sturen. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende is ingegaan op bovengenoemde stukken.


Risico-inschatting herbesnijdenis


10. Volgens eiseres heeft de minister het risico op herbesnijdenis ook onvoldoende beoordeeld. De minister heeft het iMMO-rapport, de verklaringen van eiseres, de concrete familiedreiging en de actuele landeninformatie niet kenbaar en in samenhang bij deze beoordeling betrokken.




10.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de conclusie dat er geen gegronde vrees voor herbesnijdenis bestaat onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij zal dit hieronder nader uiteenzetten.


10.1.1.
Met betrekking tot het risico op herbesnijdenis stelt de minister dat deze vrees reeds in eerdere procedures niet aannemelijk is geacht en daarmee in rechte vaststaat. Volgens de minister is er geen sprake van nieuwe informatie die tot een andere beoordeling kan leiden. De minister stelt dat reeds eerder is overwogen dat eiseres zich gedurende lange tijd aan besnijdenis heeft kunnen onttrekken, zelfstandig heeft geleefd en afkomstig is uit [plaats], waar een relatief laag percentage vrouwen wordt besneden. Volgens de minister valt daarom niet in te zien dat eiseres zich bij terugkeer niet opnieuw aan besnijdenis zou kunnen onttrekken.



10.1.2.
De rechtbank is het met eiseres eens dat de minister met deze motivering miskent dat de feitelijke uitgangspositie wezenlijk is gewijzigd door het iMMO-rapport. In eerdere procedures werd uitgegaan van de situatie dat eiseres niet besneden was en werd haar vrees beoordeeld als een risico op toekomstige besnijdenis. Inmiddels neemt de minister op basis van het iMMO-rapport aan dat eiseres reeds slachtoffer is geweest van FGM. De minister kon daarom niet volstaan met een verwijzing naar eerdere procedures.



10.1.3.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat de minister zijn stelling dat er geen gegronde vrees voor herbesnijdenis is, onvoldoende heeft onderbouwd met landeninformatie. De minister stelt zich op het standpunt dat uit landeninformatie blijkt dat de meerderheid van de vrouwen en meisjes afkomstig uit [plaats] niet is besneden. De rechtbank merkt echter op dat uit de bron waar de minister naar verwijst volgt dat 24,6% van de vrouwen en meisjes in [plaats] te maken hebben gehad met FGM. De verwijzing naar deze bron kan daarom volgens de rechtbank niet dienen als een dragende motivering voor de conclusie dat er geen sprake is van een gegronde vrees voor herbesnijdenis.



10.1.4.
De rechtbank volgt ook het standpunt van eiseres dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om de individuele omstandigheden van eiseres kenbaar te betrekken bij de beoordeling van het risico op herbesnijdenis. Uit het gehoor opvolgende aanvraag volgt dat de tante van eiseres heeft gezegd dat de eerdere besnijdenis niet goed is uitgevoerd en dat deze opnieuw en volledig moet worden verricht. Deze verklaringen zijn niet kenbaar betrokken bij de risicobeoordeling. De rechtbank merkt hierbij op dat deze verklaringen ook bekeken moeten worden in het licht van de door eiseres overgelegde landeninformatie. Eiseres heeft namelijk gewezen op een rapport waarin beschreven staat dat FGM in Ivoorkust sociaal-cultureel verankerd is en primair wordt bepaald door traditie en familie. In het rapport staat bijvoorbeeld dat juist vrouwelijke familieleden, zoals grootmoeders, tantes en moeders, een centrale rol spelen bij het opleggen van (her)besnijdenis. Voorts staat er beschreven dat de toegang tot bescherming in de praktijk wordt beperkt door sociale en familiale druk. Dat bescherming van de autoriteiten niet mogelijk is volgt overigens ook uit het eigen beleid van de minister.


De arresten Quotal en Ebilum


11. Op zitting heeft de gemachtigde van eiseres gewezen op de nieuwe arresten Quotal en Ebilum waaruit volgt dat de nationale rechter bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van een asielrelaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade, alsook over de gegrondheid van een asielverzoek. De gemachtigde heeft op zitting ook aangegeven dat, naar zijn mening, deze zaak zich op dit moment niet leent voor finale geschilbeslechting. De gemachtigde heeft hierbij wel het verzoek gedaan om een finale beoordeling te geven waar dit mogelijk is, bijvoorbeeld als het gaat om de geloofwaardigheid van de bedreigingen door de familieleden van [naam 1].




11.1.
De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om over te gaan tot finale geschilbeslechting, ook niet als het gaat om de geloofwaardigheid van de bedreigingen door de familieleden van [naam 1]. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de hiervoor genoemde arresten aan de rechtbank de bevoegdheid geven zelf een geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten, maar dat daartoe geen verplichting bestaat. De rechtbank acht het opportuun de minister nog een kans te bieden om tot een betere motivering te komen, waarbij alle relevante omstandigheden integraal en in samenhang beoordeeld worden. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank op dit moment geen meerwaarde om nu al een eigen oordeel te vormen over de geloofwaardigheid van de gestelde bedreigingen, nu dat slechts één van de asielmotieven betreft en dit afbreuk zou doen aan de vereiste integrale beoordeling.


Overige beroepsgronden


12. Het beroep is reeds gegrond, omdat de bovengenoemde beroepsgronden slagen. De overige beroepsgronden worden nu niet besproken, aangezien die verband houden met de beroepsgronden die reeds slagen.




Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen en daarbij rekening houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

14. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

15. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802, - omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.



Beslissing

De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.5621,

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.5622,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,
in alle zaken,

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.G.T. de Hoop, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.



Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, 1 oktober 2013, AWB 12/10352.


Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), 27 maart 2014, 201309909/1/V1.


Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, 30 januari 2014, AWB 14/599 en AWB 14/598.


Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.


Istanbul Protocol. Handboek over effectief onderzoek en documentatie van marteling en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of straf.


Vreemdelingenwet 2000.


Algemene wet bestuursrecht.


Op grond van de samenwerkingsplicht uit artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU.


Eiseres heeft hiertoe onder andere verwezen naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3728, r.o. 6.2 en de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 10 augustus 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9018.


Hof van Justitie van de EU, 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478, C-921/19, (LH), punten 42 en 44. Dit oordeel is door de Afdeling overgenomen in de uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208.


Hof van Justitie van de EU, 13 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:494, C-563/22 (SN en LN), punten 42 – 58.


Op grond van de samenwerkingsplicht uit artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn.


Artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw.


Artikel 31, zesde lid, sub c, van de Vw.


Bestreden besluit, pagina 6.


Female genitale mutilation.


FGM in Côte D’Ivoire: Short Report, March 2020, pagina 2.


Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 16.


Cedoca, COI Focus, CÔTE D’IVOIRE Les mutilations génitales féminines (MGF), 5 februari 2023 (update).


Paragraaf C9/18.5.1 van de Vc (Vreemdelingencirculaire 2000).


Hof van Justitie van de EU, 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal).


Hof van Justitie van de EU, 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum).
Link naar deze uitspraak