|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:1784 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL25.63840 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Dublin, Spanje, buiten zitting, 8:54 Awb, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep kennelijk ongegrond. | | Trefwoorden | : | fruitteelt | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63840
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 29 december 2025 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.63841. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 22 oktober 2025 bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 27 november 2025 aanvaard op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
Zienswijze
5. Eiser voert allereerst aan dat hij verwijst naar hetgeen hij reeds in de voorliggende procedure naar voren heeft gebracht. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo dat de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser betoogt dat ten aanzien van Spanje niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Spanje komt zijn verplichtingen niet na ten aanzien van asielzoekers, Dublinclaimanten en statushouders die zijn teruggekeerd naar Spanje. Daarom is overdracht aan Spanje in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser doet een beroep op het arrest Jawo en meent dat op grond hiervan bescherming moet worden geboden aan degenen die bij uitzetting in extreme armoede zullen raken. Gezien de opvangcapaciteit in Spanje zal eiser, zonder garanties, geen opvang krijgen. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat Spanje zich schuldig maakt aan indirect refoulement. De minister moet de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich trekken, omdat er in Spanje onvoldoende opvangplekken beschikbaar zijn voor asielzoekers. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de analyse van “Refugees International” van 27 juli 2020, het AIDA-rapport “Country Report: Spain 2019 Update” van april 2020 en naar het rapport van de “Spanish Commission for Refugees” van 12 maart 2020. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van het “Senior High Court” van het Verenigd Koninkrijk. Ter illustratie van het overvolle Spaanse asielsysteem verwijst eiser naar het op 9 augustus 2020 gedateerde NOS-artikel “Incidenten leggen kwetsbaarheid migranten in Spaanse groente- en fruitteelt bloot”. Eiser betoogt verder dat asielzoekers die op grond van de Dublinverordening aan Spanje worden overgedragen moeite hebben om toegang te krijgen tot opvang en de asielprocedure. Hij verwijst daarvoor naar het AIDA-rapport “Country Report: Spain, 2023 Update” van 10 juli 2024 en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 april 2024. Daarnaast betoogt eiser dat de minister zich er onvoldoende van heeft vergewist of uit algemene informatie blijkt dat er in Spanje mogelijk sprake is van structurele tekortkomingen in de behandeling van asielzoekers. Daarvoor verwijst hij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2024 en de uitspraak van rechtbank Roermond van 12 juli 2024. Ook is onduidelijk hoe de minister heeft beoordeeld of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn op grond waarvan de minister de asielaanvraag aan zich dient te trekken. Tot slot voert eiser aan dat de minister de overdracht aan Spanje moet staken, omdat er een inbreukprocedure tegen Spanje loopt. Uit de jarenlange en structurele gerapporteerde problemen en de gestarte inbreukprocedure blijkt dat Spanje op dit moment niet volledig aan zijn Unierechtelijke opvangverplichtingen voldoet. Er bestaat volgens eiser dus gegronde vrees dat bij een overdracht aan Spanje de Richtlijnen niet zullen worden nageleefd.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister er in beginsel vanuit mag gaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Spanje niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen daarmee. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Zo heeft de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2021 overwogen dat, hoewel de opvangvoorzieningen in Spanje vatbaar zijn voor verbeteringen, niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest te vallen. In de hiervoor onder 6.1. genoemde Afdelingsuitspraak van 27 juli 2023 is het AIDA-rapport “Country Report: Spanje 2022 Update” besproken en in de Afdelingsuitspraak van 24 juni 2024 het door eiser aangehaalde rapport “Country Report: Spain 2023 Update”. De Afdeling heeft geoordeeld dat deze AIDA-rapporten geen wezenlijk ander beeld schetsen van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij de uitspraak van 8 juli 2021 is betrokken. Hetzelfde heeft de Afdeling overwogen in haar uitspraak van 25 november 2025 ten aanzien van het recente AIDA-rapport “Country Report: Spain 2024 Update” van 30 april 2025. Dit betekent dat de minister er in beginsel vanuit mag gaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Spanje niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, wel een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eisers verwijzing naar de analyse van “Refugees International”, het rapport van de “Spanish Commission for Refugees” en het NOS-artikel “Incidenten leggen kwetsbaarheid migranten in Spaanse groente- en fruitteelt bloot” maken dat oordeel niet anders, nu deze stukken niet recent zijn en dateren van vóór de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraken. In de door eiser genoemde jurisprudentie ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er in Spanje sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen. Mocht eiser hiermee toch problemen ondervinden, dan is het aan hem om hierover te klagen bij de (hogere) Spaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen hierover onmogelijk is of bij voorbaat zinloos.
6.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat de gestarte inbreukprocedure tegen Spanje niet afdoet aan de conclusie dat ten aanzien van Spanje uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025 en de aan die uitspraak ten grondslag liggende uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 22 augustus 2025.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser, ondanks meerdere keren in de gelegenheid te zijn gesteld, niet is verschenen op het aanmeldgehoor en dus geen persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht die ertoe zouden kunnen leiden dat overdracht aan Spanje leidt tot onevenredige hardheid. Ook in de zienswijze en de beroepsgronden is daarvan geen sprake, anders dan de omstandigheden die hiervoor al zijn beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft daarom in redelijkheid kunnen afzien van toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.
Indirect refoulement
8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Spanje vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024. Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 6.2 en 6.3. is overwogen kan ten aanzien van Spanje nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Spanje een risico is op indirect refoulement.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Europese Unie.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
ECLI:NL:RBDHA:2024:4989.
ECLI:NL:RBDHA:2024:4267.
ECLI:NL:RBDHA:2024:10838.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraken van 27 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2880, van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548 en van 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5353.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2021:1481.
ECLI:NL:RVS:2025:5661.
ECLI:NL:RVS:2025:4183 en ECLI:NL:RBDHA:2025:15746.
Europese Hof van Justitie.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|