Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:1876 
 
Datum uitspraak:04-02-2026
Datum gepubliceerd:06-02-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL24.34432
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Regulier; artikel 8 evrm; pleegkinderenbeleid; artikel 3.28 Vb 2000; B7/3.7.2 Vc 2000; beroep ongegrond.
Trefwoorden:akkerbouw
levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.34432

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en


de minister van Asiel en Migratie


(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).



Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij zijn pleegvader (referent) en pleegmoeder (de echtgenote van referent). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van eisers mvv-aanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de aangevraagde mvv. Eiser heeft geen onaanvaardbare toekomst in Sri Lanka. Daarvan is volgens het beleid van de minister namelijk pas sprake als gezinsleven bestaat tussen eiser en zijn pleegouders zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Ook moeten de pleegouders eiser minimaal een jaar in Sri Lanka hebben verzorgd en opgevoed, en in die periode de voogdij over hem hebben verkregen. Daarvan is geen sprake. Verder is niet gebleken dat de Sri Lankaanse autoriteiten instemmen met het verblijf van eiser in het gezin van de pleegouders in Nederland. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, zijn echtgenote, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het besluit

3. Eiser was ten tijde van het bestreden besluit minderjarig en heeft de Sri Lankaanse nationaliteit. Hij beoogt verblijf bij referent en zijn echtgenote in Nederland. Referent is de pleegvader van eiser en heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn echtgenote is de pleegmoeder en tante van eiser. Zij heeft ook de Sri Lankaanse nationaliteit en verblijft sinds 2017 in Nederland. De minister heeft beoordeeld of aan eiser een mvv kan worden verleend op grond van het pleegkinderenbeleid. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aan de voorwaarden voor verlening van de mvv is voldaan. Hij legt hieraan ten grondslag dat eiser geen onaanvaardbare toekomst heeft in Sri Lanka. Vervolgens heeft de minister beoordeeld of de afwijzing in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hij heeft zich op het gesteld standpunt dat daarvan geen sprake is.


Heeft de minister het bestreden besluit onbevoegd genomen?

4. Eiser betoogt dat het bestreden besluit een gebrek kent omdat dit besluit onbevoegd is genomen. Het bestreden besluit is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, terwijl de bevoegdheid om op de aanvraag te beslissen op dat moment lag bij de minister van Asiel en Migratie.


4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Vast staat dat het bestreden besluit is ondertekend namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, terwijl op dat moment de minister van Asiel en Migratie de bevoegde bewindspersoon was voor zover het ging om aangelegenheden op het terrein van asiel en migratie. Voor de rechtbank staat echter voldoende vast dat de minister het bestreden besluit heeft genomen en dat enkel de wijze van ondertekenen nog niet was aangepast aan de nieuwe situatie. Daarmee is geen sprake van een bevoegdheidsgebrek, maar slechts van een kennelijke verschrijving in de ondertekening.


Kan de minister zich op het standpunt stellen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het pleegkinderenbeleid?

5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het pleegkinderenbeleid, omdat hij een aanvaardbare toekomst heeft in Sri Lanka. Eiser behoort namelijk feitelijk nog tot het gezin van zijn pleegouders. Voor het bestaan van de pleegouder-relatie is niet leidend het moment van indiening van de mvv-aanvraag of het moment van het verzoek om toekenning van de voogdij, maar de feitelijke situatie en de wijze waarop de pleegouders invulling hebben gegeven aan de relatie met het pleegkind. Het gezinsleven met eiser is na de aankomst van de pleegmoeder van eiser in Nederland op afstand voortgezet, waarbij de pleegouders de zorg- en opvoedingstaken, met inbegrip van de financiële en emotionele zorg, voor eiser vervullen. Dat eiser vanwege het vertrek van zijn pleegmoeder bij zijn grootouders moet verblijven, betekent niet dat een einde is gekomen aan het gezinsleven. Eisers grootouders zijn ook niet in staat om voor eiser te zorgen. Verder hebben de Sri Lankaanse autoriteiten in januari 2022 de voogdij aan de pleegouders toegekend. Uit de betreffende uitspraak blijkt dat de autoriteiten bekend zijn met het verblijf van de pleegouders in Nederland. Bovendien blijkt uit de beschikking dat eisers grootouders niet in staat worden geacht om voor eiser te zorgen, nu de voogdij niet aan hen is toegewezen.



5.1.
Aan een minderjarige vreemdeling die als pleegkind in Nederland wil verblijven bij een gezin kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend als hij in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft. Aangenomen wordt dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd als hij in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort. Ook moet het kind minimaal één jaar in het land van herkomst zijn verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor het kind te zorgen. Een kind behoort en behoorde ook al in het buitenland tot het gezin van de pleegouders als tussen het kind en de pleegouders sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister neemt gezinsleven tussen het kind en de pleegouders aan als uit de feiten en omstandigheden volgt dat er hechte persoonlijke banden tussen hen zijn.



5.2.
In aanvulling op de voorwaarde hiervoor (geen aanvaardbare toekomst) kan de verblijfsvergunning alleen worden verleend als de pleegouders die het kind minimaal een jaar hebben verzorgd en opgevoed in die periode de voogdij over het kind hebben gekregen, de voogdij van de pleegouders over het kind is geregeld door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst en zij instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de pleegouders in Nederland.



5.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld eiser geen onaanvaardbare toekomst heeft in Sri Lanka, omdat hij feitelijk niet meer tot het gezin van de pleegouders behoort. De minister stelt niet ten onrechte dat geen sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn pleegouders in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat er geen hechte persoonlijke banden zijn tussen hen. De minister heeft er terecht op gewezen dat de pleegmoeder weliswaar van het derde tot het negende levensjaar van eiser met hem heeft samengewoond, maar niet meer sinds haar komst naar Nederland in 2017. Ook heeft referent nooit met eiser samengewoond, aangezien hij al lange tijd in Nederland woonde. Dat referent en de pleegmoeder eiser in 2018 en 2023 nog hebben bezocht, maakt dit oordeel niet anders. Dat zijn namelijk maar twee bezoeken in een periode van zes jaar waarin zowel referent als de pleegmoeder niet samenwoonden met eiser. Verder heeft eiser geen stukken overgelegd die onderbouwen dat zijn pleegouders sinds het vertrek van de pleegmoeder regelmatig contact hebben met hem of meebetalen aan de kosten van zijn levensonderhoud. Eiser heeft toegelicht dat zijn pleegouders geld overmaken naar de broer van de pleegmoeder, die het aan de grootvader van eiser geeft, maar de minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat dit geld daadwerkelijk voor eiser wordt gebruikt. Verder heeft de minister niet hoeven volgen dat eisers grootouders in Sri Lanka niet (zelfstandig) in staat zouden zijn om voor hem te zorgen. De pleegouders hebben tijdens het gehoor van 18 april 2024 namelijk zelf verklaard dat eisers grootouders inkomsten uit akkerbouw hebben en daarvan kunnen leven. De omstandigheid dat aan de pleegouders met de beschikking van 12 januari 2022 de voogdij over eiser is toegewezen, heeft de minister ook onvoldoende mogen vinden om hechte persoonlijke banden aan te nemen. Dat de pleegouders de voogdij hebben over eiser, zegt op zichzelf niets over de feitelijke invulling van de dagelijkse zorg. Dat de grootouders niet in staat worden geacht om voor eiser te kunnen zorgen omdat de voogdij niet aan hen is toegekend, heeft de minister ook niet hoeven volgen. De minister heeft er terecht op gewezen dat de aanvraag namens referent en de pleegmoeder is ingediend, en niet namens de grootouders. De Sri Lankaanse autoriteiten hebben dus geen beoordeling gemaakt over de geschiktheid van de grootouders als voogden.



5.4.
Daarnaast heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ook niet voldoet aan de voorwaarde dat de pleegouders hem minimaal een jaar in Sri Lanka hebben verzorgd en opgevoed, en in die periode de voogdij over hem hebben gekregen. Daarvan kan geen sprake zijn geweest, nu de pleegouders hebben verklaard dat zij in 2019, 2020, 2021 en 2022 niet in Sri Lanka zijn geweest. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat het onredelijk is om deze voorwaarde tegen te werpen, gelet op de jarenlange verzorging van eiser door de pleegmoeder, en het voortzetten van die zorg op afstand. De rechtbank volgt de gemachtigde van eiser hierin niet. De minister wijkt alleen van het beleid af als er sprake is van bijzondere omstandigheden. De omstandigheden die eiser heeft genoemd, zijn al betrokken in de beoordeling of aan de voorwaarden van het beleid is voldaan.



5.5.
Verder heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de Sri Lankaanse autoriteiten instemmen met het verblijf van eiser in het gezin van de pleegouders in Nederland. Dat de voogdij over eiser aan de pleegouders is toegewezen, betekent namelijk niet dat ook instemming is verleend voor het vertrek en verblijf van eiser bij referent en de pleegmoeder in Nederland.


Is de afwijzing van de mvv in strijd met artikel 8 van het EVRM?

6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn pleegouders. Tussen hen bestaan namelijk wel degelijk hechte persoonlijke banden. Eiser heeft met zijn pleegmoeder in gezinsverband samengewoond in Sri Lanka. Voordat de pleegmoeder van eiser naar Nederland kwam, voorzag zij feitelijk in de dagelijkse verzorging en opvoeding van eiser. Sindsdien hebben eiser en zijn pleegouders contact gehouden met sociale media en zijn zij bij hem op bezoek geweest in Sri Lanka. De minister heeft de omstandigheden dat pleegouders de voogdij hebben over eiser en hem financieel ondersteunen ten onrechte onvoldoende geacht.



6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond zo dat eiser betoogt dat tussen hem en zijn pleegouders sprake is van gezinsleven, zodat de afwijzing van de mvv in strijd is met het recht op eerbiediging van dat gezinsleven, zoals opgenomen in artikel 8 van het EVRM. Zoals de rechtbank onder 5.3 heeft overwogen, stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat er geen sprake is van gezinsleven tussen eiser en de pleegouders. Dit brengt mee dat het besluit om aan eiser geen mvv te verlenen niet in strijd is het recht op eerbiediging van het gezinsleven.





Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.


Zie artikel 3.28 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).


Op grond van artikel 3.28 van het Vb 2000 en paragraaf B7/3.7.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).


Stcrt. 2024, nr. 22497.


Vergelijk ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:765, rechtsoverweging 3.1.


Dit staat in artikel 3.28 van het Vb 2000.


Dit staat in paragraaf B7/3.7.2.1. van de Vc 2000.


Dit staat in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 en WI 2020/16, p. 7.


Dit staat in paragraaf B7/3.7.2.2. van de Vc 2000.


Gehoor van 18 april 2024, pagina 4.
Link naar deze uitspraak