Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:19451 
 
Datum uitspraak:14-07-2026
Datum gepubliceerd:14-07-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.53892
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Somalië / vrees voor genitale verminking / gegrond
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.53892
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam 1] , eiseres 1,
geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [nummer 1]
en haar twee minderjarige kleindochters


[naam 2]
, eiseres 2,
geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [nummer 2]
en


[naam 3]
, eiseres 3,
geboren op [geboortedatum 3] ,
V-nummer: [nummer 3] ,
allen van Somalische nationaliteit,
tezamen: eiseressen
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner)

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S. Yousef).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eiseressen als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven omdat nader onderzocht dient te worden of eiseressen 2 en 3 al of niet besneden zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiseressen hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 3 november 2025 deze aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.


2.1.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.



2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseressen, de gemachtigde van eiseressen, de voogd van eiseres 2 en 3, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.




Overwegingen


Het asielrelaas

3. Eiseres 1 legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres 1 woonde in het dorp Aqabduco in Somalië. Al-Shabaab heeft daar al ongeveer zestien jaar de macht. Op 20 december 2021 zijn leden van Al-Shabaab bij eiseres 1 thuis langsgekomen om haar kinderen mee te nemen voor de strijd. Op dat moment is haar zoon Mustaf thuisgekomen waarop men hem wilde meenemen. Eiseres 1 heeft dit geweigerd waarop zij werd geschopt en haar zoon werd doodgeschoten. De volgende ochtend is eiseres 1 samen met haar twee kleindochters vertrokken naar een ver familielid en substamgenoot in Gubadley, waar haar andere kinderen al een dag eerder naartoe waren gegaan. Daar heeft de familie een jaar en twee maanden verbleven. De laatste twee maanden kreeg ze telefonische bedreigingen van Al-Shabaab. Zij gaven aan dat zij de familie zouden opsporen en doden. Daarop heeft eiseres besloten samen met haar kleindochters Somalië te verlaten.


Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseressen bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:



De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseressen.


Problemen met Al-Shabaab vanwege het willen meenemen van de kinderen van eiseres 1, zijnde de ooms en tantes van eiseressen 2 en 3, waarbij een van hen werd gedood.




4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat beide asielmotieven geloofwaardig zijn, maar dat deze niet kunnen leiden tot vergunningverlening. Hiertoe wordt allereerst overwogen dat eiseressen niet voldoen aan het risicoprofiel alleenstaande vrouwen omdat zij voor bescherming en opvang kunnen terugvallen op een ver familielid en een vriendin van eiseres 1 van wie zij steun hebben gekregen tijdens hun verblijf in Gubadley. Daarnaast zijn er waarschijnlijk andere subclangenoten op wie zij een beroep kunnen doen en is gebleken dat eiseres 1 zelf kan werken om in hun levensonderhoud te voorzien. Daarnaast lopen eiseressen bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade omdat zij hun vrees om door Al-Shabaab vermoord te worden niet aannemelijk hebben gemaakt. Eiseressen hoeven niet terug te keren naar Aqabduco, omdat zij een vestigingsalternatief hebben in Mogadishu, zodat aan de gestelde voorwaarden van artikel 3.37d van het VV 2000 wordt voldaan. Uit hun verklaringen is namelijk gebleken dat zij voor het vertrek meer dan een jaar zonder problemen hebben verbleven in Gubadley, zijnde een subwijk in het Heliwaa district van Mogadishu. Mogadishu staat onder controle van de overheid en er is geen objectieve informatie beschikbaar waaruit blijkt dat Al-Shabaab eiseressen in Mogadishu zou kunnen achterhalen. Voor Mogadishu wordt een relatief lager niveau van geweld aangenomen wat betekent dat er individuele omstandigheden moeten zijn die maken dat het risico op willekeurig geweld wordt verhoogd. Daarvan is niet gebleken. De telefoontjes die eiseres 1 stelt te hebben ontvangen doen niet af aan de veiligheid voor eiseressen nu niet gebleken is dat Al-Shabaab over de middelen beschikt om hen in Mogadishu te traceren en daadwerkelijk te benaderen. Verder is er geen sprake van een reëel risico op ernstige schade bij binnenkomst in of reis naar Mogadishu en kan van eiseressen redelijkerwijs verwacht worden dat zij zich in dat deel van het land vestigen. Eiseressen hebben eerder in Mogadishu verbleven en hebben daar een netwerk waar zij op terug kunnen vallen. Bovendien is de Hawiye-clan ruim vertegenwoordigd in Moghadishu. Tot slot is niet gebleken dat eiseressen in Mogadishu niet naar normale maatstaven zullen kunnen leven en heeft hun eerdere verblijf daar niet geleid tot een humanitaire noodsituatie.


Beroepsgrond over vrees voor genitale verminking

5. Eiseressen hebben verschillende beroepsgronden naar voren gebracht. Eén daarvan betreft de beroepsgrond dat eiseressen 2 en 3 bij terugkeer naar Somalië hebben te vrezen voor genitale verminking. De rechtbank zal in deze uitspraak alleen deze beroepsgrond beoordelen en overweegt in dit verband het volgende.

6. Op 23 juni 2026 hebben eiseressen een verklaring overgelegd van dr. S. Iest-Onrust, gynaecoloog (n.p.). Zij heeft eiseressen 2 en 3 onderzocht en het volgende geconstateerd:


“Je hebt normale vrouwelijke genitalia (er is een normale clitoris, normale labia en normale vagina opening.)


Mogelijk is er een kleine incisie geweest, maar de anatomie is volledig intact.”




6.1.
Naar aanleiding van deze verklaring stellen eiseressen zich op het standpunt dat zij, nu zij niet zijn besneden, bij terugkeer naar Somalië hebben te vrezen voor genitale verminking.

7. Ter zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de minister de verklaring zo leest dat de arts niet geconstateerd heeft dat ze niet besneden zijn. Er is een kleine incisie geconstateerd en er zou sprake zijn geweest van een kleine besnijdenis. Daarnaast merkt de minister op dat in de verklaring achter het woord gynaecoloog de afkorting ‘n.p.’ is toegevoegd. Dat de gynaecoloog in kwestie niet meer praktiserend is, maakt volgens de minister dat niet duidelijk is welke waarde aan deze verklaring kan worden gehecht.

8. De voogd van eiseres 2 en 3 heeft ter zitting toegelicht dat zij deze gynaecoloog heeft benaderd omdat zij gespecialiseerd is in vrouwenbesnijdenis. Voorafgaand aan het onderzoek heeft zij de gynaecoloog n.p. verteld dat de meisjes besneden zijn, omdat eiseres 1 en de minister daarvan aanvankelijk zijn uitgegaan. De gynaecoloog n.p. heeft echter geen besnijdenis dan wel incisie vastgesteld en aangegeven dat de anatomie volledig intact is.

9. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat eiseressen hun vrees bij terugkeer niet aannemelijk hebben gemaakt, op basis van de verklaring van de gynaecoloog n.p. niet meer houdbaar is.



9.1.
De rechtbank is in dit verband eerst van oordeel dat aan het enkele feit dat er achter de gynaecoloog n.p. staat, niet maakt dat aan de verklaring geen waarde kan worden gehecht. Dat de arts niet meer werkzaam is als gynaecoloog maar als arts voor gynaecologische klachten in een huisartsenpraktijk doet, naar het oordeel van de rechtbank, geen afbreuk aan haar deskundigheid.



9.2.
De rechtbank volgt de minister evenmin in het standpunt dat de gynaecoloog n.p. in haar verklaring heeft aangegeven dat er sprake is van een kleine incisie. Zij constateert dat er mogelijk een kleine incisie is geweest maar dat de anatomie volledige intact is. De rechtbank volgt de verklaring van eiseressen dat het woord ‘mogelijk’ door de gynaecoloog n.p. is opgeschreven, omdat de voogd dat op basis van wat haar is verteld, aan de gynaecoloog n.p. heeft aangegeven. Hieruit blijkt derhalve niet dat de gynaecoloog n.p. dit zelf heeft vastgesteld. Integendeel: uit de verklaring blijkt immers dat de anatomie volledig intact is. Bovendien, stel dat er in het verleden een kleine incisie zou zijn geweest, dan is deze thans niet meer zichtbaar. In beide situaties hebben eiseressen 2 en 3 bij terugkeer naar Somalië derhalve te vrezen voor genitale verminking. De rechtbank is van oordeel dat over de omstandigheid of eiseressen 2 en 3 al of niet besneden zijn geen onduidelijkheid mag bestaan en dat eerst nader onderzoek als ook een juridische beoordeling hiervan door minister noodzakelijk is. Deze beroepsgrond slaagt.




Conclusie en gevolgen

10. Uit hetgeen hiervoor overwogen is volgt dat het beroep gegrond is. De overige beroepsgronden behoeven naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking meer. De rechtbank laat deze derhalve onbesproken.

11. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit neemt waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. De rechtbank overweegt verder dat de minister in het nieuw te nemen besluit ook weer een standpunt dient in te nemen over de door eiseressen andere gestelde vrees bij terugkeer.

12. Eiseressen krijgen een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.





Beslissing

De rechtbank:



verklaart de beroepen gegrond;


vernietigt de bestreden besluiten van 3 november 2025;


draagt de minister op binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen van eiseressen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.868,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Vreemdelingenwet 2000


Voorschrift Vreemdelingen 2000.


Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Link naar deze uitspraak