Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:2103 
 
Datum uitspraak:20-01-2026
Datum gepubliceerd:16-02-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 24/4483
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het college geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om de in de tussenuitspraak van 11 september 2025 geconstateerde gebreken te herstellen. In de tussenuitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het college onvoldoende heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd of het te bouwen bouwwerk in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet voldoende onderbouwd dat het door de zonnepanelen in het kasdek onmogelijk is om tuinbouwgewassen te kweken.
Trefwoorden:glastuinbouw
omzetbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/4483

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.R. Plug),

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp
(gemachtigde: J.C. van Eeden).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: vereniging Glastuinbouw Nederland uit Zoetermeer (derde-partij).

Samenvatting

1. De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het college geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om de in de tussenuitspraak van 11 september 2025 geconstateerde gebreken te herstellen. In de tussenuitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het college onvoldoende heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd of het te bouwen bouwwerk in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet voldoende onderbouwd dat het door de zonnepanelen in het kasdek onmogelijk is om tuinbouwgewassen te kweken.



Procesverloop

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van die tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Voor het verdere procesverloop verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. In de tussenuitspraak van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen, verlengd tot uiterlijk 19 december 2025. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.


2.1.
Bij e-mailbericht van 17 december 2025 heeft eiseres de rechtbank verzocht om het beroep tot een nader te bepalen termijn aan te houden. Bij e-mailbericht van 18 december 2025 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de termijn om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen is verlengd tot uiterlijk 19 december 2025 en dat deze termijn voor het college geldt. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat als het college de termijn verlengd zou willen zien, het aan het college is om daartoe tijdig een verzoek te doen. Ook heeft de rechtbank daarbij aangegeven dat zij in de door eiseres genoemde omstandigheden geen aanleiding ziet om een verlengingsverzoek toe te wijzen. De bestuurlijke lus is bedoeld om geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen, niet om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke oplossing te bereiken door een nieuwe omgevingsvergunningaanvraag in te dienen en het beroep in te trekken als die vergunning vervolgens verleend wordt. De termijn zou dan bovendien voor onbepaalde tijd verlengd moeten worden, hetgeen afbreuk doet aan de efficiënte geschilbeslechting, wat het doel is van de bestuurlijke lus.



2.2.
In reactie hierop heeft het college vervolgens op 18 december 2025 verzocht om de termijn om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen te verlengen. Onder verwijzing naar het e-mailbericht van de rechtbank van 18 december 2025, heeft de rechtbank het verlengingsverzoek van het college afgewezen.



2.3.
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 22 december 2025 gesloten.




Beoordeling door de rechtbank

3. Voor een beschrijving van de feiten en de eerder ingenomen standpunten van partijen, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraken van 11 september 2025 en 20 oktober 2025.

4. De rechtbank blijft bij alles wat is overwogen en beslist in die tussenuitspraken, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank namelijk volgens vaste jurisprudentie in beginsel niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in een tussenuitspraak.

5. In de tussenuitspraak van 11 september 2025 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het college onvoldoende heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd of het te bouwen bouwwerk in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet voldoende onderbouwd dat het door de zonnepanelen in het kasdek onmogelijk is om tuinbouwgewassen te kweken. De rechtbank heeft het college de gelegenheid gegeven om de geconstateerde gebreken te herstellen.

6. De rechtbank stelt vast dat het college niet binnen de gegeven (verlengde) termijn van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, omdat het in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak van 11 september 2025. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

7. Eiseres verzoekt om vergoeding van zijn proceskosten. Het gaat om kosten van rechtsbijstand en reiskosten om de zitting bij te wonen. Daarnaast heeft zij verzocht om vergoeding van de advieswerkzaamheden van VEK Adviesgroep in het kader van de bestuursrechtelijke procedure, waaronder het opstellen van het rapport van 26 juni 2024. Blijkens de factuur van 4 december 2024 en de bijgevoegde specificatie zijn de kosten begroot op € 2.887,37 exclusief btw.


7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding voor rechtsbijstand bedraagt daarom in totaal € 1.868,-. De door eiseres gevraagde reiskosten om de zitting bij te wonen van € 5,68 komen ook voor vergoeding in aanmerking.



7.2.
De kosten van inschakeling van een deskundige komen voor vergoeding in aanmerking als deze inschakeling redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. De inschakeling van de deskundige acht de rechtbank redelijk. Eiseres heeft een factuur overgelegd waaruit blijkt dat door de deskundige van VEK Adviesgroep in totaal 21,25 uur aan advisering is besteed met een uurtarief van € 135,-, vermeerderd met reiskosten van in totaal € 18,62. Het gehele gedeclareerde bedrag komt voor vergoeding in aanmerking. Vermeerderd met de verschuldigde omzetbelasting van 21% komt in totaal een bedrag van € 3.493,72 aan deskundigenkosten voor vergoeding in aanmerking.



7.3.
Gelet op het bovenstaande komt een bedrag van in totaal € 5.367,40 voor vergoeding in aanmerking.





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 april 2024;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van de tussenuitspraak van 11 september 2025 en deze uitspraak;
- veroordeelt het college tot betaling van € 5.367,40 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:








Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Link naar deze uitspraak