Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:21330 
 
Datum uitspraak:30-06-2026
Datum gepubliceerd:31-07-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/705757 / KG ZA 26-54 C/09/705757 / KG ZA 26-54
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Kort geding, plaatsing au-pair in huis of kinderopvang.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
echtscheiding
 
Uitspraak
Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/705757 / KG ZA 26-545


Vonnis in kort geding van 30 juni 2026


in de zaak van



[de moeder]
,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te ’s-Gravenhage,

tegen:



[de vader]
te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.




1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de vader overgelegde conclusie van antwoord met eis in reconventie, met producties;
- de op 16 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de advocaat van de moeder pleitnotities zijn overgelegd.



1.2
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.





2De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.


2.1
Partijen zijn gehuwd op [dag] 2019 te [plaats 1] . Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats] .



2.2
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.



2.3
Bij beschikking van deze rechtbank van 21 april 2026 zijn voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover hier van belang, inhoudende dat:
- voor de kinderen voorlopig een week-op-week-af-regeling zal gelden, waarbij de vader in de oneven weken de zorg voor de kinderen heeft en de moeder in de even weken, met als wisselmoment vrijdag 14.00 uur;
- in de zomervakantie van 2026 voorlopig de kinderen in de eerste, de vierde en de vijfde week bij de moeder zijn en in de tweede, derde en zesde week bij de vader zijn;
- de vader niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoeken om vervangende toestemming.





3Het geschil


in conventie



3.1
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, de vader te veroordelen om binnen een dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, de aan de dagvaarding als productie 9 gehechte formulier, te ondertekenen en deze tezamen met een kopie van haar geldige identiteitsbewijs persoonlijk te overhandigen aan de gemachtigde van de moeder, zulks op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag voor iedere dag dat gedaagde het getekende formulier tezamen met een kopie van zijn geldige identiteitsbewijs niet heeft overhandigd, dan wel een zodanige ingangsdatum en dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren te bepalen. Daarnaast vordert zij te bepalen dat als de vader het door hem getekende formulier zoals hiervoor genoemd niet binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, ondertekend en tezamen met zijn identiteitsbewijs aan de gemachtigde van de moeder heeft overhandigd, dan wel de plaatsing van een au-pair bij de moeder via het bureau [bedrijf 1] BV om andere redenen niet doorgaat, dit vonnis zal gelden als vervangende volmacht, als bedoeld in artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ten aanzien van alle in productie 9 verzochte (rechts)handelingen. De moeder vordert daarnaast de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure.



3.2
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Partijen hebben sinds de geboorte van [minderjarige 2] in hun huwelijk altijd een au-pair in huis gehad. Het contract met de huidige au-pair loopt per 31 juli 2026 af. Nu heeft de moeder de vierde au-pair voor een jaar aangevraagd bij [bedrijf 1] BV en dit contract kan op 1 augustus 2026 aanvangen. De moeder stelt dat het geen beslissing is tussen de ouders als uitoefening van het gezamenlijk gezag. Partijen wonen weliswaar nog samen in de echtelijke woning, maar de moeder wenst zelfstandig het contract met de au-pair te verlengen, waarbij de au-pair enkel in de week dat de kinderen bij de moeder zijn, de opvang voor de kinderen zal verzorgen. In de week dat de kinderen bij de vader zijn, kan de vader dit zelf anders vormgeven. Door geen toestemming te verlenen aan de moeder zodat zij zelfstandig het contract met [bedrijf 1] BV kan verlengen, handelt de vader onrechtmatig. De moeder heeft aangegeven de volledige kosten voor de au-pair te willen dragen. Zij stelt dat kinderopvang zoals de vader wenst duurder is en dit kan zij niet betalen. De moeder heeft de voorkeur voor een au-pair omdat dit haar flexibiliteit geeft in haar contact met de kinderen zoals partijen dit in de afgelopen jaren hebben gedaan, in tegenstelling tot kinderopvang met vaste dagen per week.



3.3
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.


in reconventie




3.4
De vader vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat aan de vader vervangende toestemming wordt verleend om de kinderen in te schrijven op de kinderopvang [bedrijf 2] te [plaats 2] , met bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van alle ontbrekende wilsverklaring(en) van de moeder benodigd voor het inschrijven en plaatsing van de kinderen op voornoemde kinderopvang, althans een beslissing te nemen welke de voorzieningenrechter redelijk acht. Daarnaast vordert de vader te bepalen dat de moeder in de kosten van dit geding wordt veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad.



3.5
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De vader stelt dat partijen hebben afgesproken dat zij zouden stoppen met het inschakelen van een au-pair omdat zij uit elkaar gaan. Partijen zijn bezig met de echtscheiding en er zullen straks twee huishoudens komen. De vader verkeert in die situatie niet in de omstandigheid dat hij, net als de moeder, een au-pair kan inschakelen. Hij kan de kosten niet dragen en niet zorgen voor huisvesting voor de au-pair. Daarom acht hij het wenselijk dat de kinderen nu naar de kinderopvang gaan gedurende vier dagen in de week. In de echtscheidingsprocedure verzoekt de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen en het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen bij hem te beleggen. Er dient volgens hem een zorgregeling te komen waarbij de vader 60% van de tijd met de kinderen doorbrengt en de moeder 40%. Een au-pair moet worden ingeschreven op het adres van de kinderen en de vader wil niet dat de kinderen bij de moeder worden ingeschreven. Het kostenargument van de kinderopvang betwist de vader. Als de moeder zich nu uitschrijft van het adres van de echtelijke woning, komt hij in aanmerking voor toeslagen. Dit zal in de toekomst als partijen twee huishoudens hebben ook het geval zijn en hier heeft de man, gelet op het feit dat hij minder geld verdient dan de moeder, belang bij. Daarnaast vindt de vader het van belang voor de ontwikkeling van de kinderen dat zij naar een kinderopvang gaan.



3.6
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.





4De beoordeling van het geschil


in conventie en in reconventie


4.1
Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie zullen deze hieronder gezamenlijk worden besproken.


Spoedeisend belang




4.2
De vader heeft betoogd dat de moeder niet kan worden ontvangen in haar vorderingen, omdat het spoedeisend belang zou ontbreken. De voorzieningenrechter gaat hieraan voorbij en zal de moeder ontvangen in haar vorderingen. Er is sprake van een voldoende spoedeisend belang, omdat het contract met de huidige au-pair eindigt op 31 juli 2026 en de moeder per 1 augustus 2026 een nieuwe au-pair wil huisvesten. Ook de vader kan in zijn vordering in reconventie worden ontvangen.


Inhoudelijke beoordeling




4.3
De voorzieningenrechter zal hieronder beoordelen of, zoals de moeder stelt en de vader betwist, de vader onrechtmatig handelt door niet zijn medewerking te willen verlenen aan de plaatsing van een nieuwe au-pair. Daarnaast zal de voorzieningenrechter de vordering van de moeder en de vordering van de vader beoordelen in het licht van artikel 1:253a BW, omdat het geschil tussen partijen over het aangaan van een nieuw contract met [bedrijf 1] BV bureau voor de plaatsing van een nieuwe au-pair of het in plaats daarvan inschakelen van andere kinderopvang naar het oordeel van de voorzieningenrechter (ook) kan worden aangemerkt als geschil over de uitoefening van gezamenlijk gezag. Het gaat hier immers om de vraag hoe de zorg voor de kinderen moet worden vormgegeven tijdens de werktijden van de ouders, terwijl de ouders nog steeds gezamenlijk één huishouden vormen. Voor gezagsgeschillen geldt dat de rechter een zodanige beslissing zal nemen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.



4.4
De moeder heeft betoogd dat een au-pair voor haar noodzakelijk is om haar werk te kunnen uitoefenen. Dit geeft haar de meeste flexibiliteit en daardoor kan zij het meeste tijd met de kinderen doorbrengen naast haar werk. Dat een au-pair de voorkeur van de moeder heeft en zij op deze wijze het meest flexibel en comfortabel de kinderopvang kan organiseren, is goed te begrijpen. Dat daartoe een noodzaak bestaat, is door de vader betwist en is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. De stelling van de moeder dat uitsluitend zij het contract met de au-pair aangaat en de au-pair in huis neemt, miskent dat partijen nog steeds samen in de echtelijke woning verblijven en de zorg voor de kinderen gelijk delen. Plaatsing van een au-pair in een huishouden vereist uiteraard de instemming van beide ouders die deel uitmaken van dat huishouden. De vader heeft een te respecteren belang om zijn instemming te onthouden.



4.5
Het is duidelijk dat de situatie tussen partijen op niet al te lange termijn zal veranderen: zij gaan binnenkort twee gescheiden huishoudens vormen waardoor in ieder geval vanaf dat moment een andere wijze van kinderopvang nodig zal zijn. Van belang is dat, ook als de ouders niet meer samen in een woning wonen, zij beiden uitvoering kunnen blijven geven aan een gelijkwaardige co-ouderschapsregeling, zoals dat nu ook het geval is. Beide ouders werken en kunnen hun zorgtaken niet uitoefenen zonder kinderopvang. Het huisvesten van een en dezelfde au-pair in twee huishoudens is echter niet mogelijk en de vader heeft aangegeven niet in de omstandigheden te verkeren zelf ook een au-pair in te kunnen schakelen. Dit kan hij financieel niet dragen en hij zal een au-pair ook niet kunnen huisvesten. Bovendien zijn er een alternatieve wijzen van kinderopvang mogelijk en zijn de ouders niet afhankelijk van het inschakelen van een nieuwe au-pair. De vader heeft ook al een concreet alternatief aangedragen. Uit de stukken blijkt dat [minderjarige 2] na de zomervakantie, vanaf 31 augustus 2026, naar een kinderdagverblijf kan gaan en [minderjarige 1] naar de BSO. De moeder stelt dat kinderopvang (anders dan een au-pair) te duur is, maar dit maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de vader onder de huidige omstandigheden moet meewerken aan een au-pair in een gedeeld huishouden. Deze hogere kosten hangen samen met de huidige situatie waarin partijen nog gezamenlijk in de woning verblijven en is tijdelijk van aard.



4.6
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter handelt de vader niet onrechtmatig door, in de gegeven omstandigheden, niet mee te werken aan het aangaan van een nieuw contract met [bedrijf 1] BV voor de plaatsing van een nieuwe au-pair. De voorzieningenrechter vindt de plaatsing van een nieuwe au-pair voor opnieuw een jaar in deze situatie ook niet in het belang van de kinderen het meest wenselijk. Voor de kinderen is van belang dat ouders zo spoedig mogelijk afspraken gaan maken over hoe de opvang georganiseerd moet worden als partijen niet meer in een huis wonen en dat zij de kinderopvang na de zomervakantie 2026 zoveel mogelijk daarop gaan afstemmen.



4.7
De conclusie van voorgaande is dat de voorzieningenrechter de vorderingen van de moeder in conventie zal afwijzen.



4.8
De vordering van de vader in reconventie zal de voorzieningenrechter eveneens afwijzen. Het voorstel van de vader om de kinderen in te schrijven bij [bedrijf 2] [plaats 2] heeft hij namelijk niet met de moeder besproken en is pas voor het eerst in deze procedure door de vader naar voren gebracht. Uit de door de vader overgelegde overeenkomst met [bedrijf 2] [plaats 2] volgt dat hij heeft geopteerd voor vier dagen per week kinderopvang voor beide kinderen. Zoals reeds overwogen is het van groot belang dat de kinderopvang op een wijze wordt georganiseerd waaronder beide ouders uitvoering kunnen blijven geven aan de co-ouderschapsregeling. In de week dat de kinderen bij de moeder zijn, heeft zij mogelijk meer kinderopvang nodig dan vier dagen, wellicht in de vorm van een oppas aan huis. Dit voorstel van de vader leent zich er in ieder geval niet voor om af te dwingen in deze kortgedingprocedure. Partijen moeten samen een manier vinden en afspraken met elkaar maken over hoe zij de kinderopvang in de huidige situatie van een gedeeld huishouden, en in de toekomstige situatie van twee gescheiden huishouden, vorm zullen gaan geven. Er is in ieder geval alternatieve kinderopvang beschikbaar, waar ouders in nader overleg gebruik van zullen kunnen maken.


proceskosten




4.9
In de omstandigheid dat partijen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen proceskosten draagt.






5De beslissing

De voorzieningenrechter:


in conventie en in reconventie



5.1
wijst de vorderingen af;



5.2
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;



Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Vliet en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.


LEM
Link naar deze uitspraak