|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:21430 | | | | | Datum uitspraak | : | 01-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | C/09/707694 / FA RK 26-63 C/09/707694 / FA RK 26-63 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Beschikking van de rechtbank op grond van de Paspoortwet | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/707694 / FA RK 26-6341
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Beschikking van de rechtbank op grond van de Paspoortwet
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Zoetermeer,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over de minderjarige
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
met onbekende woon- of verblijfplaats,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G. Alkilic uit Den Haag,
[de pleegmoeder]
en [de pleegvader],
de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader,hierna ook samen te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Op 22 juni 2026 heeft de rechtbank het verzoek met bijlagen ontvangen.
1.2.
Het verzoek is behandeld ter zitting met gesloten deuren op 1 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam] , namens de gecertificeerde instelling;
de vader met zijn advocaat;
de pleegmoeder, mede namens de pleegvader.
2. De moeder is opgeroepen via een advertentie in de Staatscourant, maar niet binnen de daarvoor geldende oproeptermijn. Zij is niet verschenen op de zitting. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat het belang van het kind zoals vastgelegd in artikel 3 IVRK bij een spoedige beslissing in dit geval zwaarder weegt dan de oproeptermijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat de moeder in de procedure die gelijktijdig plaatsvond en waarin de oproeptermijn wel in acht is genomen ook niet is verschenen.
3De feiten
3.1.
[de minderjarige] en de moeder hebben de Poolse nationaliteit. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit.
3.2.
In het gezagsregister is aangetekend dat de vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
3.3.
[de minderjarige] verblijft bij de pleegouders.
3.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 juli 2026 de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 6 juli 2027.
4Het verzoek
4.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een reisdocument ten behoeve van [de minderjarige] en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting is het verzoek aangevuld, in die zin dat subsidiair gedeeltelijke gezagsuitoefening in het kader van de uithuisplaatsing wordt verzocht, als dat nodig is om het document via de Poolse ambassade te kunnen aanvragen.
4.2.
Voor de inschrijving bij de huisarts en voor vakanties buiten Nederland is het noodzakelijk dat [de minderjarige] een geldig - in haar geval Pools - identiteitsbewijs heeft. Dit moet worden aangevraagd bij de Poolse ambassade. De moeder moet als gezaghebbende ouder ook toestemming geven voor de aanvraag, maar zij is voor de gecertificeerde instelling (en anderen) onbereikbaar. Op 17 maart 2026 is er voor het laatst contact met haar geweest, waarbij zij is geïnformeerd over de aanvraag en toestemmingsformulieren zijn meegegeven. Zij zou dit weer meenemen op de vervolgafspraak op 25 maart 2026, maar zij is niet komen opdagen. Sindsdien is de moeder onbereikbaar, ondanks pogingen van de gecertificeerde instelling om contact met haar te krijgen via verschillende bekende telefoonnummers, e-mailadressen, en via de vader, de grootmoeder moederszijde en vriendinnen van de moeder.
5De standpunten
5.1.
De vader staat achter het verzoek. Hij heeft toegelicht bezig te zijn met de naturalisatie van [de minderjarige] voor het (mede) verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit, maar dat is nog niet gelukt. De vader heeft ook verklaard dat hij toestemming verleent.
5.2.
De pleegouders hebben geen blijk gegeven van bezwaar.
6De beoordeling
Bevoegdheid
6.1.
Omdat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland ligt, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het voorliggende verzoek. De rechter in de rechtbank Den Haag is bevoegd omdat de gezaghebbende vader woont in het arrondissement van deze rechtbank (afgeleide woonplaats).
Juridisch kader
6.2.
Op grond van de Paspoortwet kan de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert aan de rechtbank vragen om toestemming te verlenen, die de (verklaring van) toestemming van een gezaghebbende ouder vervangt, voor de aanvraag van een reisdocument voor de betreffende minderjarige die onder toezicht staat. De rechtbank neemt een beslissing die in het belang van het kind wenselijk is. Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur of de territoriale geldigheid van het aangevraagde reisdocument wordt beperkt.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de vervangende toestemming voor de aanvraag van een Pools reisdocument op grond van artikel 36 van de Paspoortwet moet worden verleend en overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] beschikt momenteel niet over een geldig reisdocument en de moeder weigert (althans laat na) haar toestemming te geven voor de aanvraag. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij op korte termijn over een geldig identiteitsbewijs beschikt. Dit geldt met name voor situaties waarin zij medische zorg nodig heeft. De identificatieplicht in de zorg geldt immers vanaf de geboorte.
6.4.
Het verzoek ziet niet op de toestemming van de vader, want hij is bereid die te verlenen. De rechtbank ziet geen aanleiding de geldigheidsduur of de territoriale geldigheid te beperken.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing blijft gelden als iemand in hoger beroep gaat.
7De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verleent toestemming aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden – welke toestemming die van de moeder Magdalena Gęsika vervangt – ten behoeve van de aanvraag van een reisdocument voor de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] ;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 door mr. R.G. de Lange-Tegelaar, kinderrechter, in aanwezigheid van T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2026.
Gecombineerd met zaken C/09/705625 / JE RK 26-885, C/09/707667 / JE RK 26-1101 en C/09/707668 / JE RK 26-1102, waarop afzonderlijk is beslist.
Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.
Zaaknummer C/09/705625 / JE RK 26-885.
Artikel 1:265e, eerste lid, sub c, Burgerlijk Wetboek.
Artikel 7 Brussel II-ter (Verordening (EU) 2019/1111) en artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering jo. 1:12 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 36 Paspoortwet.
Artikel 36 Paspoortwet.
Vgl. ECLI:NL:RBROT:2025:14094. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|