|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:22112 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 12227249 RP VERZ 26-50617 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | WWZ. Ontbinding arb.ovk. ogv verwijtbaar handelen of nalaten. Wn heeft zorgvuldige inkoopprocedure doorkruist door aan concurrenten offertes te verstrekken, terwijl aanbesteding ook niet bij het takenpakket van wn behoort. Daarnaast heeft wn bedrijfsgevoelige informatie gedeeld met externe marktpartij. Tot slot heeft wn zich zich onbehoorlijk gedragen en geuit tegenover een collega. Voldragen grond. Handelen wn niet ernstig verwijtbaar; motief voor handelen was niet eigen gewin, maar intentie wg beter te bedienen. Dus geen billijke vergoeding, wel transitievergoeding. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer / rekestnummer: 12227249 \ RP VERZ 26-50617
Beschikking van 20 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
REGIONAAL REINIGINGSBEDRIJF AVALEX,
te Delft,
verzoekende partij,
hierna te noemen: werkgever,
gemachtigde: mrs. T. Koomen en S.C. Goedhart,
tegen
[werknemer]
,
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: mr. W.A. van Mourik.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen,
- het verweerschrift met bijlagen,
- de nagekomen bijlagen van werkgever,
- de mondelinge behandeling van 3 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is ambtshalve bij vervroeging bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Werknemer, geboren [geboortedatum] 1973, is sinds 1 januari 2021 in dienst bij werkgever. De functie van werknemer is Wagenparkbeheerder met een loon van € 5.033,00 bruto per maand exclusief IKB.
2.2.
Werkgever is een bedrijfsvoeringsorganisatie en bestaat uit een samenwerkingsverband zoals bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Dit betekent dat beleidsmatige keuzes thuishoren bij de gemeenten en dat werkgever zich richt op de uitvoering. De taken en verantwoordelijkheden van werkgever zijn vastgelegd in de Gemeenschappelijke regeling Avalex 2018. Werkgever verzorgt het inzamelen en (laten) verwerken van huishoudelijk afval en grondstoffen in opdracht van de diverse gemeenten uit de regio.
2.3.
Bij brief van 30 december 2025 heeft werkgever werknemer een schriftelijke waarschuwing gegeven vanwege – kort gezegd – een verlopen APK-keuring van een voertuig en de constatering dat de keuring van de hijsinstallatie van het betreffende voertuig was verlopen. Daarnaast was vastgesteld dat bij de aanhangers die zijn uitgerust met ladingzekeringssystemen met haken en kettingen sprake was van achterstallig onderhoud en van defecte materialen. In die brief heeft werkgever haar twijfels uitgesproken over de geschiktheid van werknemer als wagenparkbeheerder en hem daarom een verbetertraject opgelegd. In dit verbetertraject zou ook aandacht moeten worden besteed aan onderwerpen als manier van communiceren, houding en gedrag in relatie tot het onderwerp integriteit. Van werknemer werd verwacht dat hij een plan van aanpak voor het verbetertraject aanleverde.
2.4.
Op 13 januari 2026 heeft werknemer een woordenwisseling met een collega. Die collega heeft daarvan melding gemaakt bij zijn leidinggevende en daarover gemeld dat hij werd belaagd door werknemer en uitgemaakt voor matennaaier en verrader.
2.5.
Werkgever heeft werknemer op 15 januari 2026 geschorst als ordemaatregel op grond van artikel 11.4 van de Cao SGO.
2.6.
Na de schorsing is uit intern onderzoek gebleken dat werknemer op 27 november 2024 twee getekende offertes van twee afzonderlijke marktpartijen heeft doorgestuurd aan een aan hen concurrerende marktpartij.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, meer subsidiair vanwege combinatie van omstandigheden (i-grond). Werkgever heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat werknemer in strijd met de gedragsregels heeft gehandeld door vertrouwelijke informatie aan derden te verstrekken en een collega op onprofessionele wijze heeft benaderd. Daarnaast heeft werknemer de veiligheid van andere werknemers in gevaar gebracht door zijn kerntaken als wagenparkbeheerder niet zorgvuldig uit te voeren, waardoor er meerdere wagens en of hijsinstallaties niet aan de wettelijke keuringen voldeden.
3.2.
Werknemer verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Werknemer voert aan – samengevat – dat een deugdelijke juridische grondslag ontbreekt. De gestelde tekortkomingen zien op eventueel disfunctioneren en die grondslag is niet benoemd en er is geen verbetertraject geweest. De andere gronden worden betwist. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt werknemer om toekenning van een billijke vergoeding. Daarnaast verzoekt werknemer om uitbetaling van de 144 vakantie-uren over 2024, uitbetaling van 117 uren aan tijd-voor-tijd over 2024, alsmede een verklaring voor recht dat de opgebouwde verlofuren over 2025 en 2026 behouden blijven tot dat deze worden uitbetaald.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.3.
Van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW is ten aanzien van het onderhavige verzoek niet gebleken.
4.4.
Aan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft werkgever primair ten grondslag gelegd dat sprake is verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter is van oordeel dat het handelen van werknemer als verwijtbaar in de zin van de wet moet worden aangemerkt en dat sprake is van een voldragen grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.5.
Werkgever is als bedrijfsvoeringsorganisatie aanbestedingsplichting. Zij heeft haar inkoopbeleid zo ingericht dat zij wensen doorgeeft aan Vervoer en Materieel (V&M) van de gemeente Rotterdam. V&M selecteert vervolgens een aantal marktpartijen die aan die wensen kunnen voldoen. De marktpartijen hebben vervolgens contact met V&M en werkgever in het kader van de specifieke wensen. Vervolgens vraagt V&M de offertes uit bij de marktpartijen. Zodra de offertes binnen zijn maakt V&M een leaseofferte op en die wordt aan werkgever verstrekt. De onderliggende offertes van de marktpartijen worden als bijlage meegestuurd. Een dergelijke procedure is bedoeld om de algemene beginselen van het inkoopbeleid te kunnen waarborgen, zoals gelijke behandeling en transparantie naar marktpartijen. Werknemer heeft deze zorgvuldige procedure doorkruist met het rechtstreeks verstrekken van twee offertes van concurrerende partijen aan een derde concurrerende partij. Hij heeft die handeling niet betwist. Hij heeft daarover op zitting verklaard dat hij vergeten was om de bedragen bij die offertes te verwijderen. Verder heeft hij die offertes verstrekt om een voorbeeld te geven hoe die (derde) partij moest offreren. De kantonrechter acht het niet relevant of werknemer nu vergeten was om de bedragen te verwijderen of niet, omdat die omstandigheid niet van belang is voor de beoordeling of werknemer met zijn handelwijze in strijd heeft gehandeld met de gedragsregels. Immers, ook het verstrekken van offertes zonder bedragen aan een derde concurrerende partij levert een inbreuk op van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie. Bovendien viel deze handeling buiten zijn taakomschrijving in het kader van de aanbestedingsprocedure zoals hiervoor beschreven. Het verweer van werknemer dat V&M geen verstand heeft van zijladers omdat de gemeente Rotterdam die niet gebruikt wordt gepasseerd. Werkgever heeft bestreden dat V&M die kennis niet heeft. V&M verzorgt de inkoop voor meerdere gemeentes waaronder ook gemeentes die gebruik maken van zijladers. Daarbij komt dat het niet aan werknemer is om te beslissen of V&M voldoende kennis heeft om een aanbesteding te begeleiden als dit de voorgeschreven wijze van inkopen is. Binnen de aanbestedingsprocedure is het aan V&M om contact te leggen en eventueel een toelichting te verstrekken over de wijze waarop een offerte moet worden ingekleed. Dat werknemer dit alleen maar ten goede heeft bedoeld voor werkgever maakt dit niet anders. Werkgever heeft als aanbestedende dienst integer te handelen naar haar marktpartijen. Werknemer is in het verlengde daarvan eveneens gehouden zich integer te gedragen. Met zijn handelwijze heef hij dit niet gedaan.
4.6.
Daarnaast heeft werknemer in december 2025 een interne agenda-uitnodiging doorgestuurd naar een externe marktpartij met daarin bedrijfsgevoelig informatie. Dat deze e-mail per ongeluk is doorgestuurd valt moeilijk te begrijpen, omdat er meerdere handelingen nodig zijn voordat een agenda-uitnodiging doorgestuurd kan worden. Zo moet de uitnodiging eerst geopend worden, waarna voor de optie ‘doorsturen’ moet worden gekozen. Vervolgens moet in de adresbalk het nieuwe e-mailadres worden ingevuld. Hoe dit volgens werknemer is gegaan heeft hij pas op de zitting enigszins nader omschreven, maar de kantonrechter acht dat niet overtuigend. Ook hier geldt dat werknemer in strijd met de gedragsregels informatie met een derde heeft gedeeld die niet over die informatie behoorde te beschikken.
4.7.
Verder is er het incident op 13 januari 2026 met zijn collega waar werknemer zich onbehoorlijk heeft gedragen en geuit tegenover die collega. Dat beide partijen continu aan het schreeuwen waren, zoals werknemer op zitting heeft verklaard, vindt onvoldoende steun in de verklaring van de desbetreffende collega of in de verklaring van een omstander die het incident heeft waargenomen.
4.8.
Tot slot zijn er nog twee incidenten benoemd door werkgever maar die acht de kantonrechter niet relevant voor de beoordeling voor de grond (ernstig) verwijtbaar handelen. Die incidenten zien immers op het al dan niet disfunctioneren van werknemer. Voor die incidenten heeft werknemer verklaringen gegeven en is hem bovendien geen redelijke mogelijkheid geboden dat eventuele disfunctioneren te verbeteren door een verbetertraject te volgen.
4.9.
De eerste drie genoemde incidenten in onderling verband en samenhang beschouwd zijn voldoende zwaarwegend om de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van verwijtbaar handelen. De vraag is vervolgens of de verweten handelingen ernstig verwijtbaar zijn. Bij de beoordeling van die vraag stelt de kantonrechter voorop dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat de wetgever de lat voor ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de werknemer hoog heeft gelegd. De regering heeft benadrukt dat het criterium ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten’ door de rechter met de nodige terughoudendheid moet worden toegepast. De rechtspraak van de Hoge Raad bevestigt dat de lat voor ernstig verwijtbaar handelen zeer hoog ligt. Zelfs in geval van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet behoeft nog geen sprake te zijn van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer.
4.10.
Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen en rekening houdend met de duur van het dienstverband van werknemer en dat niet gebleken is dat zich naast deze incidenten nog meer (soortgelijke) incidenten hebben voorgedaan, is de kantonrechter van oordeel dat de verweten gedragingen niet kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen. Daarbij acht de kantonrechter met name van belang dat niet is gebleken dat werknemer uit eigen gewin de offertes en informatie heeft doorgestuurd, maar uitsluitend met de intentie werkgever beter te bedienen. Hoewel de onder 4.5, 4.6 en 4.7 vastgestelde gedragingen werknemer kunnen worden aangerekend en in zoverre aan hem verwijtbaar zijn, kan niet gesproken worden van ernstige verwijtbaarheid.
4.11.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Omdat op grond van vorenstaande overwegingen van ernstige verwijtbaarheid geen sprake is, dient de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst te worden vastgesteld op 1 september 2026.Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.
Betalen transitievergoeding
4.12.
Omdat de ontbinding niet is gegrond op ernstige verwijtbaarheid is werkgever de transitievergoeding aan werknemer verschuldigd. De hoogte van de transitievergoeding € 10.985,08 bruto en de wijze waarop die is berekend heeft werkgever niet bestreden. De gevraagde transitievergoeding is gebaseerd op einde dienstverband per 1 september 2026, zodat deze toewijsbaar is. Het verzoek om werkgever te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 oktober 2026.
Geen billijke vergoeding
4.13.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.14.
Anders dan werknemer heeft aangevoerd is de kantonrechter van oordeel dat werkgever voldoende gegronde redenen had om werknemer op 15 januari 2026 te schorsen. Werknemer was een gewaarschuwd man bij brief van 30 december 2025. Daarin heeft hij een officiële waarschuwing ontvangen en is hem medegedeeld dat hij een verbetertraject moest ondergaan waarbij ook zijn gedrag en communicatie als aandachts- en verbeterpunt werd genoemd. Vervolgens heeft werknemer zich op 13 januari 2026 niet professioneel gedragen richting een collega door wie hij – volgens werknemer – onder meer de officiële waarschuwing heeft ontvangen. Daarbij heeft hij de termen “matennaaier” en “verrader” geroepen. Werkgever heeft werknemer vervolgens bij brief van 15 januari 2026 geschorst. Dat de gronden voor de schorsing (grotendeels) anders zijn dan de primaire ontbindingsgrond maakt de schorsing nog niet onterecht. Anders dan werknemer heeft betoogd heeft werkgever niet zonder objectieve grondslag aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Zie daarvoor de onder 4.5 t/m 4.7 genoemde gronden. Dat werkgever in het traject na de schorsing mogelijk andere stappen had kunnen zetten maakt nog niet dat het handelen van werkgever als ernstige verwijtbaar of in strijd met goed werkgeverschap kan worden gekwalificeerd. De grond voor enige billijke vergoeding ontbreekt en daarom zal de gevraagde vergoeding worden afgewezen.
4.15.
Werkgever hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.
Vervallen verlofuren
4.16.
Werknemer heeft verzocht de in december 2025 afgeboekt verlofuren (144 vakantie-uren en 117 tijd-voor-tijduren) uit te betalen. Hoewel werkgever, onder verwijzing naar de werktijdenregeling Avalex 2024, heeft betwist die verlofuren verschuldigd te zijn aan werknemer, heeft werknemer op de zitting onweersproken gesteld dat hij in 2022 met de (oud-)directeur een individuele regeling heeft getroffen. Die regeling houdt in dat zijn vakantierechten behouden blijven. De kantonrechter zal daarom uitgaan van deze afwijkende regeling, wat betekent dat de vordering tot uitbetaling van die afgeboekte verlofuren zal worden toegewezen.
4.17.
De gevraagde verklaring voor recht om de opgebouwde verlofuren over 2025 en 2026 te mogen houden zal worden afgewezen. Werknemer heeft daarbij geen belang meer. De arbeidsovereenkomst wordt immers ontbonden en in het kader van de eindafrekening zullen de nog openstaande opgebouwde verlofuren moeten worden afgerekend.
4.18.
Voor zover werknemer om verstrekking van diverse documenten heeft verzocht zal dat verzoek worden afgewezen. Werknemer heeft dat verzoek niet onderbouwd, behalve met de stelling dat hij niet iets kan bewijzen indien het bewijs bij de werkgever ligt. Het probleem is echter dat werknemer niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Het is de kantonrechter onduidelijk gebleven welke stellingen hij heeft ingenomen die eventueel bewezen zouden moeten worden met de opgevraagde documenten.
4.19.
De proceskosten komen voor rekening van werknemer, omdat werknemer overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van werkgever worden begroot op € 1.148,00 (€ 139,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2026,
5.2.
veroordeelt werkgever om aan werknemer een transitievergoeding te betalen van € 10.985,08 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt werkgever om aan werknemer de 144 vakantie-uren en de 117 tijd-voor-tijduren te betalen,
5.4.
veroordeelt werknemer in de proceskosten van € 1.148,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als werknemer niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.
Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:669 lid 1 BW.
Artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder e BW
HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2626
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484
Artikel 7:671b lid 9 sub a BW
Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|