Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:24134 
 
Datum uitspraak:12-08-2026
Datum gepubliceerd:08-09-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.58055
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Asiel - Jezidi uit Sinjar - De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom Jezidi's uit Sinjar niet als risicoprofiel worden aangemerkt. Als gevolg is ook eisers individuele asielrelaas niet op de juiste manier getoetst. In een nieuw besluit zal verweerder mee moeten nemen dat eiser persoonlijk zeer ernstige discriminatie en daden van vervolging heeft meegemaakt. - Beroep gegrond, besluit vernietigd
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58055

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),

en



de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).


Inleiding



1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 7 februari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 november 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.


1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Ahmed als tolk en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?


2. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser is etnisch Jezidi en woonde in de [provincie] in het [district] . In augustus 2022 heeft eiser Irak verlaten en is hij via Turkije naar Griekenland gereisd, waar hij op 18 oktober 2022 een vluchtelingenstatus heeft verkregen. In januari 2023 is eiser Nederland ingereisd en op
7 februari 2023 heeft hij hier asiel aangevraagd.

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag discriminatie, vernedering, uitsluiting en onderdrukking als Jezidi ten grondslag. Hij heeft met zijn gezin in 2014 de genocide meegemaakt die IS tegen de Jezidi’s heeft gepleegd en is toen gevlucht. Zijn nichtje van zeven maanden oud is daarbij om het leven gekomen. Van 2014 tot 2017 heeft eiser met zijn gezin in vluchtelingenkamp Khanke verbleven, daarna is hij met zijn gezin teruggekeerd naar zijn vorige woonplaats. Bij de geboorte van eisers jongste dochter in 2019 heeft het medisch personeel haar in een prullenbak gegooid en tegen eiser en zijn vrouw gezegd dat hun dochter dood was, terwijl zij wel in leven was. In 2019 is eiser ook bij een bezoek aan Mosul door de politie vastgehouden en mishandeld omdat hij op straat wat dronk tijdens de ramadan. Eiser heeft daarnaast veel moeite gehad om paspoorten voor zijn gezin te verkrijgen, om werk te krijgen, en om toegang tot medische zorg voor zijn vrouw te krijgen. Eiser vreest ook te worden gestraft omdat hij over de discriminatie heeft verklaard. Eiser legt verder aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat het nu in [district] niet veilig is omdat er gevechten en bombardementen plaatsvinden.

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:


de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en


discriminatie omdat eiser Jezidi is.



5. Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Verweerder heeft vervolgens beoordeeld of eiser vanwege zijn asielrelaas een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Irak. Volgens verweerder is dat niet het geval. Uit de Algemeen Ambtsberichten (AAB) over Irak uit oktober 2021 en november 2023 blijkt namelijk niet meer dat Jezidi’s vanwege hun geloof het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Ook is er geen sprake van vervolging van Jezidi’s in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder merkt Jezidi’s daarom niet langer aan als risicoprofiel/risicogroep. Eisers vrees voor discriminatie is onvoldoende zwaarwegend, omdat niet is gebleken dat hij daardoor zo ernstig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Ook het feit dat eiser in Griekenland een vluchtelingenstatus heeft gekregen maakt niet dat eisers aanvraag in Nederland moet worden ingewilligd. Eiser heeft in Griekenland een status gekregen alleen omdat hij Jezidi is, maar Nederland neemt niet aan dat hij op basis hiervan vluchteling is. Ook het willekeurige geweld maakt niet dat eisers aanvraag moet worden ingewilligd. Verweerder heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd met als bestemming Irak.


Wat vindt eiser in beroep?


6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft miskend dat Jezidi’s slachtoffer zijn van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat ook eiser zelf structureel discriminatie heeft meegemaakt, waardoor zijn bestaan in Irak onmogelijk is geworden. Verweerder heeft Jezidi’s ten onrechte niet aangemerkt als risicoprofiel. Verder zijn de gebeurtenissen rondom de geboorte van eisers dochter en zijn bezoek aan Mosul niet zwaar genoeg meegewogen in de besluitvorming. Van eiser mag ook niet worden gevraagd dat hij zich aanpast door bijvoorbeeld niet tijdens de ramadan op straat te drinken, omdat dit zijn vrijheid van religie inperkt. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende betrokken dat eiser in Griekenland internationale bescherming heeft gekregen. Verweerder heeft ook de veiligheidssituatie in [district] niet juist beoordeeld, onder andere door de humanitaire omstandigheden onvoldoende te betrekken. Eiser wijst op rapporten waaruit blijkt dat de situatie onveilig en instabiel is en dat Jezidi’s een groter risico lopen.


Wat is het oordeel van de rechtbank?


7. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en zal dit oordeel hieronder uitleggen.


De positie van Jezidi’s in Irak

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de groep Jezidi’s niet langer als risicoprofiel wordt aangemerkt omdat zij niet meer omwille van hun geloof het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Evenmin is er sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder verwijst hiervoor naar het AAB en de nota Landenbeleid Irak van 27 mei 2024. Hierin wordt gewezen op de Iraakse grondwet die vrijheid van godsdienst voor elke Iraakse burger garandeert. Daarnaast worden er vanuit de autoriteiten inspanningen geleverd om Jezidi’s terug te laten keren naar hun oorspronkelijke leefgebied. Verder bestaan er initiatieven voor compensatie aan IS-slachtoffers in de vorm van financiële steun, teruggave van een stuk grond en toegang tot (geestelijke) gezondheidszorg.


8.1.
De rechtbank is, in lijn met de uitspraak van de meervoudige kamer van de zittingsplaats Rotterdam en eerdere uitspraken gedaan door deze zittingsplaats, van oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom Jezidi’s uit [district] niet als risicoprofiel worden aangemerkt. Zo was de godsdienstvrijheid voor Jezidi’s al ruim vóór de wijziging van het landenbeleid in de grondwet vastgelegd. Niet valt in te zien dat hoe dit een positieve wijziging van de situatie oplevert. Daarnaast volgt uit het AAB dat, hoewel er initiatieven zijn voor terugkeer naar [district] , feitelijke terugkeer beperkt blijft vanwege de onveilige situatie in [district] . De veiligheids- en bestuurlijke situatie in [district] is chaotisch omdat het district verdeeld is tussen verschillende – statelijke en niet-statelijke – gewapende actoren. Ook zijn de verwoesting van infrastructuur en huizen en het gebrek aan kansen op levensonderhoud en basisvoorzieningen obstakels voor terugkeer. De herstelbetalingen worden in een traag tempo uitgevoerd en er waren moeilijkheden met de procedures om in aanmerking te komen voor de herstelbetalingen.
De rechtbank vindt daarnaast van groot belang dat uit de landeninformatie volgt dat Jezidi’s binnen en buiten het [district] -gebied dagelijks forse discriminatie en sociale uitsluiting ondervinden. Zowel structurele achterstelling, zoals beperkte toegang tot werk, huisvesting en diensten, als openlijke vijandigheid, zoals haatzaaiende campagnes, online berichtgevingen die aanzetten tot geweld en stigmatisering, komen voor. Ook vindt de rechtbank van belang dat Jezidi’s uit [district] met de genocide in 2014 al de meest vreselijke vorm van discriminatie hebben meegemaakt. Een gegronde vrees voor vervolging kan ook gestoeld zijn op een cumulatie van ervaringen. Het voortbestaan van discriminatie na de genocide kan daarom relevant zijn voor het aannemen van een (bepaalde mate van) risico op vervolging, ook als die discriminatie op zichzelf niet zodanig is dat iemand onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
Verweerder lijkt daarnaast een te strenge maatstaf te hanteren voor het aanwijzen van een groep als risicoprofiel. In de beslisnota over het landenbeleid voor Irak lijkt verweerder te suggereren dat er in algemene zin sprake moet zijn van een risico op ernstige schade of gegronde vrees voor vervolging om een groep als risicoprofiel aan te merken. Maar uit het eigen beleid van verweerder volgt dat verweerder een risicoprofiel kan aanwijzen als er sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie de autoriteiten geen bescherming kunnen bieden. Dat is een aanzienlijk lagere lat dan de lat die verweerder in de beslisnota lijkt te hanteren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft uitgelegd waarom er ondanks de zorgwekkende landeninformatie niet vanuit wordt gegaan dat Jezidi’s in [district] op structurele wijze in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten dan wel derden.



8.2.
Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom Jezidi’s uit [district] niet als risicoprofiel worden aangemerkt, is ook eisers individuele asielrelaas niet op de juiste manier getoetst. Het behoren tot een risicoprofiel kan immers van invloed zijn op de asielbeoordeling. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, moet verweerder de individuele omstandigheden namelijk beoordelen afgezet tegen de positie van de groep en de algemene (veiligheids)situatie in het land van herkomst. Dat is in eisers geval niet gebeurd. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen.



8.3.
Zoals hiervoor omschreven, is het beroep al gegrond omdat verweerder zijn beleid niet goed heeft gemotiveerd. In het nieuw te nemen besluit zal verweerder dit gebrek moeten herstellen en vervolgens een individuele beoordeling moeten maken van het risico dat eiser loopt bij terugkeer. De rechtbank onderstreept hiertoe dat eiser persoonlijk zeer ernstige discriminatie en daden van vervolging heeft meegemaakt en dat de gebeurtenissen al als geloofwaardig zijn aangemerkt. Voor de nieuwe beoordeling zal in ieder geval relevant zijn:


dat eiser zelf de genocide in 2014 heeft meegemaakt;


dat eisers dochter door medisch personeel dood is verklaard, terwijl zij nog in leven was, en dat zij in een prullenbak zou zijn achter gelaten als de zus van eiser niet had ingegrepen;


dat eiser zelf is opgepakt en mishandeld door de politie omdat hij zich niet hield aan een islamitisch voorschrift (namelijk om te vasten tijdens de ramadan); en


dat eiser moeite heeft gehad bij het verkrijgen van identificerende documenten, werk en medische zorg.


Verweerder heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat de gebeurtenissen schokkend zijn, maar dat niet is gebleken dat deze kenmerkend zijn voor de structurele discriminatie tegen Jezidi’s. Gelet op eisers relaas en de in deze uitspraak geschetste situatie van Jezidi’s, is dit standpunt voor de rechtbank niet zonder meer begrijpelijk. De rechtbank wijst er ook op dat als iemand in het verleden reeds is blootgesteld aan of bedreigd met vervolging of aan ernstige schade, dat wordt beschouwd als een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is of het risico op ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.

9. Nu het beroep gegrond is, zal de rechtbank het bestreden besluit, waaronder het terugkeerbesluit, vernietigen. De rechtbank komt niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden.




Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.


10.1.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.



10.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing

De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 18 november 2025;


draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag binnen acht weken na verzending van deze uitspraak, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.J. Schaap, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)”, doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.


Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 (oud).


Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (oud).


Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (oud).


Zie onder andere de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2026, (ECLI:NL:RBDHA:2026:13702) en van 16 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:21154).


UNHCR, ‘Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status and Guidelines on International Protection’, paragraaf 53 en 55.


Paragraaf C3/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc).


Paragraaf C3/2.4 van de Vc.


Zie artikel 4, vierde lid, van de Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad (de Kwalificatieverordening).


De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Link naar deze uitspraak