|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:2477 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL25.30345 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Mvv bij partner. Geen sprake van rechtsgeldig huwelijk. Juistheid huwelijksbevestiging. Inschrijving huwelijk in BPR. Ondertekening bestreden besluit. beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30345
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van een mvv voor eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een mvv bij zijn partner (referente). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 29 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren met kennisgeving afwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister stelt dat eiser de feitelijke gezinsband tussen hem en referente niet aannemelijk heeft gemaakt. Ondanks dat er documenten met betrekking tot het huwelijk zijn overgelegd, is het huwelijk niet rechtsgeldig in het land waar het huwelijk is voltrokken. Hierdoor wordt het huwelijk niet erkent door de Nederlandse Staat. Ook is niet gebleken dat er sprake is van een partnerschapsrelatie. Eiser heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij samen heeft gewoond en of dan wel vanaf wanneer hij een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Daarnaast hebben eiser en referente tegenstrijdig verklaard over verschillende belangrijke momenten in hun gestelde relatie. Tenslotte mag van partners worden verwacht dat zij hun relatie kunnen onderbouwen met bewijsstukken. Ook dit is onvoldoende gebeurd. Omdat er over de conclusie geen twijfel bestaat, heeft de minister eisers bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Ondertekening bestreden besluit
4. Eiser voert aan dat het besluit niet is ondertekend en het besluit een zorgvuldigheidsgebrek bevat. Hij wijst op een uitspraak van de Afdeling van 6 november 2023. Eiser voert aan dat hij hierdoor is zijn belangen is geschaad. Hij kan namelijk niet meer achterhalen wie de beslisambtenaar is geweest en of deze ambtenaar ook bevoegd was. Ook uit de beslissing zelf blijkt niet wie de beslissing heeft genomen. Uit het besluit blijkt niet dat de ambtenaar die in het besluit genoemd wordt, ook het besluit (namens de minister) heeft genomen.
4.1.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2023, waar eiser naar verwezen heeft, volgt dat een besluit kenbaar en toetsbaar moet zijn. Een vreemdeling moet kunnen controleren of het besluit door een bevoegd persoon genomen is. Deze controle was in het geval van de uitspraak van 6 november 2023 niet mogelijk, omdat de handtekening onder het bestreden besluit ontbrak. In dat geval ging het echter om een ‘kaal’ terugkeerbesluit genomen door de AVIM. Dat is een ander besluitvormingskader dan het in deze procedure toepasselijke kader. In dit geval is er geen sprake van een ondertekeningsmandaat in de zin van artikel 10:11 van de Awb, maar van een – regulier – afdoeningsmandaat in de zin van artikel 10:1 van de Awb. In de situatie die nu voorligt is ondertekening niet verplicht. Daarbij heeft de minister terecht gesteld dat onderaan het besluit de naam van de beslismedewerker staat die het besluit genomen heeft. In het colofon van het besluit staat bovendien dat de beslismedewerker werkzaam is bij de Directie Asiel & Bescherming, A&B Leiden, Team 2. Het is voor eiser dan ook mogelijk om te controleren of het besluit door een bevoegd persoon is genomen. Ook zonder handtekening is het besluit voldoende kenbaar en toetsbaar voor eiser. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een gebrek. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van een rechtsgeldig huwelijk?
5. Eiser voert aan dat zijn huwelijk rechtsgeldig is. Hij verwijst naar het Syrische gelegaliseerde huwelijksuittreksel en de huwelijksbevestiging die is afgegeven door de Sharia rechtbank van Afrin, Syrië. Eiser beroept zich op artikel 10:31, vierde lid van het BW waarin staat dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. Daar is in het geval van eiser sprake van. Bovendien is het huwelijk ingeschreven in de BRP.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen hem en referente. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.2.
Op grond van artikel 10:31, eerste lid, van het BW, wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk als rechtsgeldig erkend, indien dit huwelijk ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden aldaar rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden. De rechtbank stelt vast dat beide partijen ervan uit gaan dat het huwelijk zou zijn voltrokken in Griekenland. Niet betwist is dat een religieus huwelijk in Griekenland pas wordt erkend op het moment dat partijen eerst in ondertrouw zijn gegaan. Ook dient het huwelijk binnen veertig dagen te worden geregistreerd. Uit de verklaringen van referente blijkt dat het huwelijk niet geregistreerd is. Daarnaast hebben eiser en referente geen Griekse documenten overgelegd waaruit blijkt dat ze in ondertrouw zijn gegaan, of dat het huwelijk ondanks de verklaringen wel op de juist wijze is geregistreerd. De documenten die wel door eiser zijn overgelegd, de Syrische gelegaliseerde huwelijksuittreksel en de huwelijksbevestiging, maken deze conclusie niet anders. Het beroep van eiser op artikel 10:31 van het BW slaagt dan ook niet.
5.3.
De rechtbank oordeelt verder dat de minister op goede gronden heeft gesteld dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de huwelijksbevestiging, omdat eisers verklaringen niet met de inhoud van dit document overeenkomen. Eiser heeft namelijk verklaard dat bij het gestelde huwelijk op 28 maart 2020 in Athene, Griekenland, geen officieel document is opgesteld, omdat referent geen identiteitsbewijs zou hebben. In de huwelijksbevestiging is echter opgetekend dat eiser en referent verklaard hebben dat er op 28 maart 2020 wel een huwelijksakte is opgemaakt. Daarbij heeft de minister het bevreemdend mogen vinden dat op de huwelijksbevestiging staat aangegeven dat eiser en referent op 24 oktober 2021 zijn verschenen voor de rechtbank van Afrin (Syrië), terwijl zij hebben verklaard dat deze huwelijksvaststelling op afstand heeft plaatsgevonden en dat zij hier zelf niet bij aanwezig waren. De stelling van eiser dat er sprake zou zijn van standaardbouwstenen waardoor het onduidelijk is of het rechtbankdocument expliciet vermeldt welke huwelijkspartijen aan- en/of afwezig waren, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en onvoldoende redengevend om tot een ander oordeel te komen.
5.4.
De rechtbank overweegt verder dat de inschrijving in de BRP niet tot een ander oordeel leidt. De minister heeft er terecht op gewezen dat de inschrijving in de BRP niet maakt dat hij moet uitgaan van een rechtsgeldig huwelijk aangezien de registratie van een gesteld huwelijk in de BRP slechts is gebaseerd op verklaringen van referente en eiser die onder ede zijn afgelegd. Aan de registratie in de BRP komt dus geen doorslaggevend belang toe.
Is eiser ten onrechte niet gehoord?
6. Eiser voert aan dat hij, ondanks nadrukkelijk verzoek, ten onrechte niet is gehoord.
6.1.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van het horen in bezwaar mag worden afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en op hetgeen eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan die maatstaf voldaan. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom is afgezien van horen. Eiser heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die niet al bekend waren tijdens het nemen van het primaire besluit. Daarnaast heeft er al eerder een gehoor plaatsgevonden met zowel eiser als referent en heeft eiser de mogelijkheid gehad om uitleg te geven over de feitelijke gezinsband. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat hij kon afzien van het horen van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Eisers gronden treffen dan ook geen doel. De afwijzing van de aanvraag van een machtiging voorlopig verblijf blijft daarom in stand. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4082.
Algemene wet bestuursrecht.
Dat sprake is van een afdoeningsmandaat volgt uit het Mandaatbesluit IND Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022.
Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2025:25945, ECLI:NL:RBDHA:2025:19683 en ECLI:NL:RBNHO:2025:5113.
Burgerlijk Wetboek.
Basisregistratie personen.
Dit volgt uit artikel 1367 van het Grieks Burgerlijk Wetboek.
Dit volgt uit artikel 29 e.v. Wet 344/1976.
Zie p. 8 van het gehoor van referente.
Zie p. 13 van het gehoor van eiser.
Zie ook ECLI:NL:RVS:2017:2160, ECLI:NL:RBDHA:2018:1576 en ECLI:NL:RBLIM:2021:7782. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|