|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:24991 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 31-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | AWB 24/5714 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Visum kort verblijf, beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | landbouwer | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/5714
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [naam 1]),
en
De Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).
Procesverloop
1.1.
Bij besluit van 22 februari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 13 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
2.1.
Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 17 februari 2023 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf, met als doel familiebezoek, ingediend. Hij wenst op bezoek te gaan bij [naam 1], referent.
2.2.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen, omdat: - het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond;
- hij niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten; en
- omdat er redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten.
2.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond en dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van Nederland (en de andere lidstaten) voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Marokko dat voldoende is gewaarborgd dat eiser tijdig zal terugkeren naar Marokko, aldus verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser is het oneens met het bestreden besluit en voert aan dat hij bij zijn aanvraag alle documenten heeft overgelegd die van hem zijn gevraagd. In bezwaar is gevraagd welke documenten verweerder specifiek wil hebben zodat hij die nog kan overleggen. Referent heeft ook aangegeven bereid te zijn om garant te staan om eisers reis en verblijf te financieren. Ook zou ze eiser bij aankomst en vertrek kunnen aan- en afmelden bij het lokale politiebureau.
3.1.
Een visum kan onder andere worden geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over onder meer het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. Verweerder heeft daarbij een ruime beoordelingsmarge. De rechtbank kan het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen (zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, zaak C-84/12, Koushkaki, ECLI:EU:C:2013:862).
In het kader van de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het tijdig verlaten van het grondgebied van de lidstaten, moet verweerder kijken naar de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, waaronder met name zijn sociale en economische binding met het land van herkomst. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om Nederland tijdig te verlaten; de redelijke twijfel over dat voornemen volstaat. Zie voormeld arrest in de zaak van Koushkaki (punten 68 en 69).
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser voldoende sociale binding met Marokko heeft om op grond daarvan tijdige terugkeer gewaarborgd te achten. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiser een 45-jarige, ongehuwde man is die geen kinderen heeft. Eiser heeft dus geen sociale band met Marokko in de vorm van een eigen gezin, waarvoor eiser de verantwoordelijkheid draagt. Dat eiser een moeder en vijf broers en zussen heeft in Marokko maakt dat eiser wel een zekere sociale binding heeft maar niet zodanig dat aangenomen moet worden dat de sociale binding van eiser met Marokko zo sterk is dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Niet is gebleken dat eiser de zorg heeft voor directe familieleden. De enkele stelling van eiser dat hij voor zijn moeder zorgt is daarvoor onvoldoende. Er is immers niet gebleken dat de moeder van eiser hulpbehoevend is en ook niet dat eiser degene is die haar daadwerkelijk verzorgt. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat, als eiser die zorg al zou verlenen, niemand anders deze hulp over zou kunnen nemen. Verder is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser zouden dwingen tijdig naar Marokko terug te keren.
3.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser met de overgelegde stukken ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een dusdanig sterke economische binding met Marokko heeft dat zijn terugkeer op grond daarvan voldoende gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft betrokken dat eiser heeft aangegeven landbouwer te zijn en een ‘Attestation de Profession’ heeft overgelegd van 16 januari 2023 waarin wordt verklaard dat hij landbouwer is van beroep. Ook heeft eiser een bankverklaring en bankafschrift van Banque Populaire overgelegd over de periode van 6 oktober 2022 tot 18 januari 2023, met op 18 januari 2022 een saldo van 39.552 DHS
(omgerekend € 3.929,-). Verweerder wijst er op dat op het bankafschrift verschillende stortingen te zien zijn, maar niet is aangetoond dat deze stortingen betalingen zijn voor verrichte arbeid. Deze stortingen worden daarom niet aangemerkt als uit werk gegenereerd loon. Eiser heeft niet aangetoond dat hij een regelmatig en substantieel inkomen genereert en dat hij zelfstandig in zijn eigen onderhoud kan voorzien. De enkele stelling van eiser dat hij terug dient te keren voor zijn werk, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat eiser tijdig terug zal keren naar Marokko. Eiser heeft geen stukken overgelegd die
aantonen dat hij gebonden is aan een vaste baan waarvoor hij dient terug te keren.
3.4.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Marokko dat voldoende is gewaarborgd dat eiser tijdig zal terugkeren naar Marokko. Op die grond kon verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afwijzen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|