Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:25253 
 
Datum uitspraak:28-07-2026
Datum gepubliceerd:11-09-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 25/515
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wet hersteloperatie toeslagen. Evident geen recht op kinderopvang, dus geen recht op compensatie, ondanks institutionele vooringenomenheid.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
kinderopvangtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/515

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),

en



de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Krari).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om compensatie toe te kennen voor de jaren 2010 en 2014.


1.1
Verweerder heeft in het primaire besluit van 13 december 2022 het verzoek om compensatie afgewezen voor de jaren 2010 tot en met 2014. In het bestreden besluit van
10 december 2024 (bestreden besluit I) is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.



1.2
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.



1.3
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Verweerder is daarbij in de gelegenheid gesteld de rechtbank van nadere informatie te voorzien dan wel een nader standpunt in te nemen met betrekking tot het jaar 2010. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.



1.4
Op 24 december 2015 (bestreden besluit II) heeft verweerder met betrekking tot het jaar 2010 een herziene beslissing op bezwaar genomen en de bezwaren van eiseres gegrond verklaard.



1.5
De rechtbank heeft partijen per brief van 11 februari 2026 laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd.



1.6
Met de brief van 31 maart 2026 heeft de rechtbank partijen ervan op de hoogte gesteld dat er een rechterswissel zal plaatsvinden. Partijen zijn daarom in de gelegenheid gesteld om een nadere zitting te verzoeken. Omdat geen van de partijen daarna om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een nadere zitting achterwege gelaten.




Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?

2. Eiseres heeft zich op 19 juni 2020 bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 tot en met 2014.

3. Verweerder heeft onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor compensatie en geconcludeerd dat eiseres voor de jaren 2010 tot en met 2014 niet in aanmerking komt voor
toepassing van de compensatieregeling, de hardheidscompensatie of de opzet/grove schuld tegemoetkoming (o/gs-tegemoetkoming).

4. De Commissie van Wijzen (CvW) heeft in haar advies van
17 november 2022 bevestigd dat de compensatieregeling niet van toepassing is voor de jaren 2010 tot en met 2014.

5. In het primaire besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de CvW, het verzoek om compensatie afgewezen.

6. In het bestreden besluit I zijn de bezwaren van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie, ongegrond verklaard.

7. Op 22 mei 2025 heeft verweerder een primair besluit genomen met betrekking tot de jaren 2005 tot en met 2009 en 2015 tot en met 2019. In dit primaire besluit is het verzoek om compensatie toegewezen voor het jaar 2008.


Wat vindt eiseres in beroep?

8. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit I en vindt dat recht bestaat op compensatie voor de jaren 2010 en 2014, omdat eiseres in die jaren doelgroeper was en gebruik heeft gemaakt van de kinderopvang. Eiseres vindt daarnaast dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.


Wat vindt verweerder in beroep?

9. Voor de jaren 2010 en 2014 is sprake geweest van vooringenomen handelen, maar eiseres heeft voor die jaren evident geen recht op kinderopvangtoeslag en dus ook geen recht op compensatie. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is geen sprake.


Wat is het oordeel van de rechtbank?


2010

10. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat zij voor het jaar 2010 alsnog in aanmerking is gebracht voor compensatie. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II. Nu het bestreden besluit I deels door het bestreden besluit II is vervangen, heeft eiseres in zoverre geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I. Het beroep van eiseres, voor zover dat is gericht tegen het jaar 2010, zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
11. Met betrekking tot het bestreden besluit II, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres is bij brief van 20 januari 2026 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de herziene beslissing op bezwaar van 24 december 2025. In reactie daarop heeft eiseres aangegeven geen aan- of opmerkingen te hebben. Nu er geen inhoudelijke gronden zijn aangevoerd met betrekking tot deze beslissing en verweerder met deze herziene beslissing op bezwaar volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres voor wat betreft het jaar 2010, heeft eiseres geen processueel belang meer bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het bestreden besluit II. Gelet op het voorgaande zal ook dit beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.


2014

12. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van eiseres bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 sprake is geweest van vooringenomenheid. Als vooringenomenheid wordt vastgesteld, dan is de compensatieregeling van toepassing. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt echter dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan eiseres toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Volgens verweerder was in het geval van eiseres voor het jaar 2014 sprake van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Zij voldeed in dat jaar namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 1.6 van de Wet kinderopvang (Wko). Eiseres ontving immers een bijstandsuitkering en er zijn geen aanwijzingen dat zij in dat jaar een re-integratietraject heeft gevolgd en geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen.

13. Op grond van artikel 1.6, eerste lid, van de Wko bestaat alleen aanspraak op kinderopvangtoeslag indien de ouder in het betreffende jaar arbeid verrichte, studeerde of onder de doelgroepen van het UWV of de gemeente viel en in dat kader deelnam aan een traject gericht op arbeidsinschakeling. Het achterliggende idee is dat zolang een ouder geen doelgroeper is, de ouder zelf voor de kinderen kan zorgen en er in beginsel geen gebruik van kinderopvang gemaakt hoeft te worden. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in het jaar 2014 doelgroeper is geweest en dat haar kinderen naar de kinderopvang gingen. Naar het oordeel van de rechtbank bevinden zich in het dossier echter geen stukken waaruit kan worden afgeleid dat eiseres in het jaar 2014 heeft gewerkt, een traject heeft gevolgd (mede) gericht op arbeidsinschakeling of een opleiding heeft gevolgd. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Het ligt daarom op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat zij een zogenaamde doelgroeper was. Reeds hierom is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres over het jaar 2014 geen compensatie krijgt.

14. Nu niet is gebleken dat eiseres een doelgroeper is geweest, is de vraag of de kinderen naar een geregistreerde kinderopvang zijn geweest in zoverre niet meer relevant. De rechtbank overweegt echter, ten overvloede, dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in het jaar 2014 gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang.

15. Naar het oordeel van de rechtbank is voor dit jaar niet gebleken dat sprake is van schending van het zorgvuldigheids- of het motiveringsbeginsel.
Conclusie en gevolgen

16. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen de bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk is voor zover het daarbij gaat om het jaar 2010. Het beroep tegen het bestreden besluit I is ongegrond voor zover dat ziet op het jaar 2014.

17. Gelet op het voorgaande is er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 53 en de proceskosten vergoedt. Verweerder heeft eiseres bij het bestreden besluit II al een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarprocedure. De hoogte van de proceskostenvergoeding in beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).






Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk, voor zover betrekking hebbend op het jaar 2010;
- verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond, voor zover betrekking hebbend op het jaar 2014;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 53 moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.C. van Genderen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
28 juli 2026.














griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 72.


Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.
Link naar deze uitspraak