Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:26863 
 
Datum uitspraak:15-09-2026
Datum gepubliceerd:15-09-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL26.34848
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:De minister heeft in de zaak van eiseres geen voornemen- en zienswijzeprocedure gevolgd, zoals gebruikelijk was vóór de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit ook niet hoefde te doen. Uit de wet volgt dat vanaf 12 juni 2026 voor alle asielaanvragen – ook die van vóór 12 juni 2026 – geen voornemen hoeft te worden uitgebracht. Alleen in geval van lopende asielaanvragen waarin al een voornemen is uitgebracht, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op het moment waarop het voornemen is uitgebracht. Daarvan is in het geval van eiseres geen sprake. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat in het geval van eiseres toch een voornemen had moeten worden uitgebracht. Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag gaat toch gegrond. Uit het besluit waarin de asielaanvraag van eiseres is afgewezen, blijkt onvoldoende hoe de minister de verklaringen van eiseres heeft beoordeeld. Niet duidelijk is welke verklaringen van eiseres precies geloofwaardig worden geacht en welke niet. Daarbij heeft de minister niet alle asielmotieven uit de verklaringen van eiseres gehaald en als zodanig beoordeeld. De minister moet dit alsnog doen in een nieuw besluit.
Trefwoorden:landbouwgrond
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.34848

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Oukil),

en

de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: K. Kanters).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Zo voert zij aan dat het niet uitbrengen van een voornemen in strijd is met het rechtszekerheids- en rechtsgelijkheidsbeginsel. Verder voert zij aan dat zij niet kan terugkeren naar Eritrea, omdat zij daar eerder is mishandeld door de autoriteiten en vreest dat dit weer zal gebeuren. Daarbij voert zij aan dat zij Eritrea door middel van omkoping heeft verlaten. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Dit omdat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat de minister de verklaringen van eiseres op een juiste manier heeft beoordeeld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2. staat het procesverloop van deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de gronden van beroep zoals hiervoor vermeld. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.




Procesverloop

2. Eiseres heeft op 3 april 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 juni 2026 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.


2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, T. Wahta als tolk en de gemachtigde van de minister.




Feiten


Het asielrelaas

3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij stelt [eiseres] te zijn, afkomstig uit Eritrea. Zij heeft de Eritrese nationaliteit en Tigrinja etniciteit. Eiseres stelt dat zij in 2023 door de Eritrese autoriteiten is mishandeld, omdat een van haar dochters ( [A.] ) de militaire dienstplicht ontdook. Zij vreest bij terugkeer naar Eritrea opnieuw te worden mishandeld, omdat een andere dochter ( [B.] ) inmiddels ook de dienstplicht ontduikt.


Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:


identiteit, nationaliteit en herkomst;


mishandeling door de autoriteiten in 2023.


De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de asielmotieven geloofwaardig zijn. De minister vindt het niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Eritrea heeft te vrezen voor de overheid. Daarvoor vindt de minister van belang dat de Eritrese autoriteiten eiseres een uitreisvisum hebben gegeven en zij Eritrea legaal heeft verlaten. Verder vindt de minister van belang dat nergens uit blijkt dat zij bij terugkeer naar Eritrea opnieuw door de politie geslagen zal worden of dat de politie haar wil oppakken. De minister concludeert daarom dat niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister komt dan ook tot de conclusie dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.



Beoordeling door de rechtbank


Moest de minister een voornemen uitbrengen?

5. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen voornemen heeft hoeven uitbrengen voordat hij het bestreden besluit nam.


5.1.
Eiseres heeft op 3 april 2024 een asielaanvraag ingediend. Op 12 juli 2024 heeft zij een aanmeldgehoor gehad. Na een succesvol beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag, krijgt eiseres op 23 april 2026 een brief van de minister. Daarin staat dat haar asielaanvraag wordt behandeld in de verlengde asielprocedure. Op 19 mei 2026 heeft eiseres correcties en aanvullingen gegeven op het aanmeldgehoor. Vervolgens heeft eiseres op 20 mei 2026 een nader gehoor gehad, waarop zij op 3 juni 2026 correcties en aanvullingen heeft gegeven. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact en ook de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking getreden. Vervolgens heeft de minister op 22 juni 2026 de asielaanvraag van eiseres afgewezen.



5.2.
De rechtbank stelt vast dat in de zaak van eiseres geen voornemen- en zienswijzeprocedure heeft plaatsgevonden, zoals gebruikelijk was vóór 12 juni 2026. Door de inwerkingtreding van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 is met ingang van 12 juni 2026 de nationale voornemenprocedure afgeschaft. In de Memorie van Toelichting bij de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026 staat dat hiermee is beoogd om de Nederlandse asielprocedure zoveel mogelijk in lijn te brengen met die van andere Europese lidstaten. Daarbij wordt onder andere genoemd dat het Unierecht niet verplicht tot het voeren van een voornemenprocedure. Ook wordt genoemd dat de minister niet de verplichting heeft om de aanvrager te informeren over de intentie om een aanvraag af te wijzen. De aanvrager moet wel naar behoren gehoord zijn omtrent de asielmotieven én in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen te maken met als doel de mogelijkheid te bieden een onjuistheid recht te zetten of feiten betreffende de persoonlijke situatie aan te voeren. Verder volgt uit de Memorie van Toelichting dat de nieuwe procedureregels uit het wetsvoorstel per direct ingaan (uitzonderingen daargelaten). Sinds 12 juni 2026 volgt uit artikel 39 van de Vreemdelingenwet 2000 dat op de asielaanvraagprocedure de voornemen- en zienswijzeprocedure niet (langer) van toepassing is. De onderliggende artikelen uit het Vreemdelingenbesluit 2000 die zagen op de voornemen- en zienswijzeprocedure voor de asielaanvraagprocedure zijn ook niet meer van toepassing. Dit betekent dat vanaf 12 juni 2026 voor alle asielaanvragen – ook die van vóór 12 juni 2026 – geen voornemen hoeft te worden uitgebracht. Alleen in geval van lopende asielaanvragen waarin al een voornemen is uitgebracht, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op het moment waarop het voornemen is uitgebracht, voor zover dat betrekking heeft op de voornemen- en zienswijzeprocedure. Op grond van de wet- en regelgeving geldend ten tijde van het bestreden besluit was de minister dus niet verplicht om een voornemen uit te brengen.



5.3.
De rechtbank ziet in het beroep van eiseres op het rechtszekerheids- en rechtsgelijkheidsbeginsel en haar verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 21 juli 2026, geen aanleiding voor het oordeel dat in het geval van eiseres toch een voornemen had moeten worden uitgebracht.


5.3.1.
In de hiervoor genoemde uitspraak oordeelt de rechtbank dat zij het (ontbreken van) overgangsrecht ten aanzien van de voorschriften voor de ingangsdatum en geldigheidsduur van een verleende asielvergunning niet aanvaardbaar acht vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en rechtsbescherming. In die concrete zaak zou namelijk de asielvergunning niet ingaan op de datum van de aanvraag met een geldigheidsduur van vijf jaar, maar op de dag na de verlening daarvan met een geldigheidsduur van drie jaar. Dat is een andere situatie dan hier aan de orde. In de zaak van eiseres gaat het over een afwijzende asielaanvraag, waar de vraag over de ingangsdatum en geldigheidsduur van de asielvergunning niet speelt.



5.3.2.
Verder overweegt de rechtbank dat uit de brief van de minister van 23 april 2026 kan worden afgeleid dat in aanloop naar het Asiel- en Migratiepact tijdelijk meer zaken om proceseconomische redenen in de verlengde asielprocedure zijn behandeld. Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft eiseres bij de behandeling van haar asielaanvraag een aanmeld- en nader gehoor gehad. Zij heeft op beide gehoren haar correcties en aanvullingen ingediend. Verder heeft zij beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en beroepsgronden ingediend. Tijdens de zitting heeft zij haar beroepsgronden toegelicht en heeft zij kunnen reageren op wat de minister in het verweerschrift en op de zitting naar voren heeft gebracht. Zij is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om een onjuistheid recht te zetten of feiten betreffende haar persoonlijke situatie aan te voeren. Verder heeft eiseres niet geconcretiseerd wat zij in een voornemen- en zienswijzeprocedure anders of meer naar voren zou willen brengen dan zij nu heeft gedaan. Voor zover eiseres stelt dat zij in de zienswijze naar voren had kunnen brengen dat zij haar visum heeft verkregen door middel van omkoping, overweegt de rechtbank dat de stellingen van eiseres over waarom zij dit niet eerder naar voren heeft gebracht – bijvoorbeeld in het nader gehoor of in de correcties en aanvullingen – door de rechtbank in beroep zullen worden beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.


Heeft eiseres Eritrea legaal verlaten?

6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij Eritrea illegaal is uitgereisd en hierom een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. De rechtbank legt dat hieronder uit.




6.1.
Niet in geschil is dat eiseres met een visum Eritrea is uitgereisd. Eiseres stelt voor het eerst in beroep dat zij haar visum via omkoping heeft gekregen. Zij verwijst hiervoor naar informatie op de website van de Immigration and Refugee Board of Canada. Ook heeft zij vier afbeeldingen ingediend van geldtransacties waaruit zou volgen dat haar zoon aan haar geld heeft overgemaakt om de omkoping van het visum te regelen.



6.2.
De rechtbank overweegt dat de stelling van eiseres dat zij haar visum via omkoping heeft verkregen niet overeenkomt met de door haar afgelegde verklaringen hierover. Zo heeft eiseres tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat zij Eritrea legaal en zonder problemen heeft verlaten. Tijdens het nader gehoor heeft zij verklaard dat zij geen problemen heeft gehad tijdens het aanvragen of verkrijgen van het visum. Op de vraag of zij problemen heeft gehad tijdens de uitreis, antwoordt zij dat zij alleen haar huis en bezittingen moest registreren. Eiseres heeft in haar correcties en aanvullingen deze verklaringen niet gecorrigeerd of aangevuld. De rechtbank ziet in de verklaringen van eiseres dan ook geen onderbouwing van de stelling dat eiseres het visum door middel van omkoping heeft verkregen en Eritrea illegaal heeft verlaten.



6.3.
Dat niet van de verklaringen van eiseres kan worden uitgegaan, volgt de rechtbank niet. De verslagen van de gehoren geven geen blijk dat de minister geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader (leeftijd, lage geschooldheid) van eiseres. Allereerst is van belang dat eiseres niet heeft geconcretiseerd op welke wijze onvoldoende rekening is gehouden met haar referentiekader en hoe zij hierdoor in haar belangen is geschaad. Verder is van belang dat tijdens de gehoren vragen zijn gesteld over het verkrijgen van het uitreisvisum en de uitreis. De antwoorden die eiseres heeft gegeven bieden geen aanleiding voor de conclusie dat de minister geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Ook heeft de minister in de antwoorden van eiseres geen aanleiding hoeven zien om nadere vragen te stellen. Haar antwoorden zijn voldoende duidelijk en concreet. De door eiseres in beroep aangehaalde informatie en overgelegde stukken, bieden evenmin aanleiding om niet langer uit te gaan van de door haar afgelegde verklaringen. De beroepsgrond slaagt niet.


Heeft de minister de verklaringen van eiseres over haar asielrelaas goed beoordeeld?

7. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt hoe de minister de verklaringen van eiseres heeft beoordeeld. Niet duidelijk is welke verklaringen van eiseres precies geloofwaardig worden geacht en welke niet. De rechtbank legt dat hieronder uit.



7.1.
Uit het aanmeldgehoor en nader gehoor blijkt dat eiseres het volgende heeft verklaard over haar asielmotief:


‘Wat is de reden of wat zijn de redenen dat u Eritrea hebt verlaten?



Mijn dochter [A.] is door de autoriteiten meegenomen. Ik vind dat oneerlijk. Nu zijn ze achter [B.] aangegaan. Ik kan het niet toelaten dat ze mijn kinderen de dienstplicht in sturen. Als ik terugkeer word ik zelf aangehouden omdat [B.] niet is meegegaan naar de dienstplicht.



Zijn er nog andere redenen waarom u niet terug kunt naar Eritrea?



Mijn huis is verzegeld en mijn landbouwgrond is afgepakt.’




7.2.
Uit het bestreden besluit volgt dat de minister gelooft dat eiseres in 2023 is mishandeld door de Eritrese overheid. Hierover heeft zij verklaard dat zij een brief had gekregen van de autoriteiten waarin stond dat haar dochter ( [A.] ) zich moest melden voor de militaire dienstplicht. Eiseres werd hiervoor verantwoordelijk gehouden en moest haar dochter overdragen. Eiseres is met de brief naar de lokale autoriteiten gegaan. Daar werd herhaald dat zij haar dochter moest overdragen. Toen [A.] uiteindelijk door de autoriteiten werd gevonden, werd eiseres door de autoriteiten geslagen omdat zij haar dochter zou hebben geholpen met onderduiken. Daarna is eiseres uit Eritrea vertrokken.



7.3.
De rechtbank overweegt dat de minister over de brief (met betrekking tot [A.] ) stelt dat hierin niet stond dat eiseres de consequenties zou dragen als zij haar dochter niet zou overdragen. Volgens de minister strookt dit met de verklaringen van eiseres, omdat zij met deze brief naar de autoriteiten is gegaan en daarbij geen problemen heeft ondervonden. Hieraan verbindt de minister de conclusie dat niet aannemelijk is dat eiseres heeft te vrezen voor de autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat deze conclusie niet zo kan worden getrokken. Eiseres heeft verklaard dat zij – nadat [A.] door de autoriteiten is gevonden – is mishandeld door de autoriteiten. Zoals volgt uit de verklaringen van eiseres, was dit nadat zij met de brief bij de lokale autoriteiten was geweest. Nu de minister geloofwaardig vindt dat eiseres is mishandeld door de autoriteiten, kan op basis van haar probleemloze bezoek aan de autoriteiten voorafgaand aan die mishandeling niet de conclusie worden getrokken dat er daarom goede redenen zijn om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich bij terugkeer niet opnieuw zal voordoen.



7.4.
Verder overweegt de rechtbank dat eiseres, zoals hiervoor onder 7.1. is te lezen, als asielmotief heeft gegeven dat zij bij terugkeer naar Eritrea vreest om opnieuw te worden mishandeld door de autoriteiten. Ditmaal omdat zij wordt gezocht vanwege haar dochter [B.] , die ook de militaire dienstplicht ontduikt. Dit heeft zich afgespeeld na het vertrek van eiseres uit Eritrea en eiseres is hier na haar vertrek achter gekomen. Eiseres heeft een brief gekregen die bij haar buurvrouw in Eritrea is bezorgd. In de brief staat dat eiseres zich moet melden bij de ‘ [naam] ’. Daarbij merkt eiseres op dat zij hetzelfde heeft meegemaakt met haar dochter [A.] . Verder heeft zij verklaard dat dit ook de reden is dat haar woning is verzegeld en haar landbouwgrond is afgepakt.



7.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister wat hiervoor onder 7.4. is vermeld – vrees voor mishandeling door de overheid omdat haar dochter ( [B.] ) de dienstplicht ontduikt – ten onrechte niet heeft aangemerkt als asielmotief en als zodanig heeft beoordeeld. Het is onvoldoende duidelijk gebleven of de minister al dan niet gelooft dat [B.] de dienstplicht ontduikt. Dit is wel relevant, omdat dit belangrijk is voor de vraag of eiseres een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea. Daarbij kan niet onopgemerkt blijven dat de minister de verklaringen van eiseres gelooft over de mishandeling in 2023 vanwege de dienstplichtontduiking van haar dochter [A.] . Verder is relevant dat de minister niet betwist dat eiseres nog meer kinderen heeft die de militaire dienstplicht ontduiken, naast [A.] en [B.] . Ook is niet duidelijk hoe de minister dit heeft meegenomen in de beslissing.



7.6.
De minister heeft weliswaar een standpunt ingenomen over aspecten die raken aan de verklaringen van eiseres over haar vrees om opnieuw te worden mishandeld vanwege de dienstplichtontduiking van [B.] . Zo heeft de minister in het bestreden besluit een standpunt ingenomen over de gestelde brief die eiseres zou hebben ontvangen waarin staat dat zij zich moet melden bij de ‘ [naam] ’. Ook heeft de minister (eerst) in het verweerschrift een standpunt ingenomen over de verzegeling van het huis van eiseres. De door de minister ingenomen standpunten maken echter niet duidelijk of de minister al dan niet gelooft dat [B.] de militaire dienstplicht ontduikt en hoe de overwegingen van de minister zich verhouden tot de algemene landeninformatie. De rechtbank merkt daarbij op dat de verklaringen van eiseres steun vinden in wat in het Algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2025 staat. Hierin staat onder andere dat familieleden van dienstplichtontduikers door de autoriteiten onder druk kunnen worden gezet om dienstplichtigen zich te laten melden. Naast arrestatie, ondervraging, dreigementen, gevangenneming en uitzetting uit hun woonhuizen, kon dit ook gebeuren door beperking van hun toegang tot de gesubsidieerde voedselvoorziening, beslaglegging op oogst of bezittingen en geldboetes. Het proces waarin de autoriteiten tot welke soort repercussies of pressiemiddelen overgingen, wordt beschreven als arbitrair. Gelet hierop kan ook niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat nu in de gestelde brief met betrekking tot [B.] niets zou zijn vermeld over het moeten overdragen van kinderen in het kader van de dienstplicht, er daarom goede redenen zijn om aan te nemen dat de eerdere vervolging of ernstige schade zich bij terugkeer niet opnieuw zal voordoen.




Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister de verklaringen van eiseres niet goed heeft beoordeeld. De minister heeft niet alle asielmotieven uit de verklaringen van eiseres gehaald. Zo heeft de minister niet beoordeeld of hij al dan niet gelooft dat [B.] de dienstplicht ontduikt en eiseres hierom heeft te vrezen voor de autoriteiten. Ook heeft de minister niet duidelijk gemaakt hoe hij dit afzet tegen de geloofwaardig bevonden eerdere mishandeling in 2023 en de openbare informatie die hierover bekend is. De minister moet dit alsnog doen. Hij moet een nieuw besluit nemen en de verklaringen van eiseres over haar asielmotieven opnieuw beoordelen en in onderlinge samenhang bezien. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de minister, zoals op de zitting is erkend, in het bestreden besluit ook ten onrechte de gestelde verzegeling van het huis van eiseres en het afpakken van haar landbouwgrond niet als asielmotief heeft aangemerkt. Dit moet de minister ook in het nieuwe besluit betrekken. Dat geldt ook voor het bepaalde in artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening.

9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. Dit betekent dat het besluit niet in stand kan blijven en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Dit omdat de uitkomst nog niet vast staat. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.



Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 22 juni 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 15 september 2026



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Kamerstukken II, 2025-2026, 36 871, nr. 3, p. 47.


Kamerstukken II, 2025-2026, 36 871, nr. 3, p. 120 en 121.


Artikel IX, eerste lid, van de van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en
migratiepact 2026.


ECLI:NL:RBDHA:2026:20524.


Onder verwijzing naar het advies van 12 december 2025 van (de Afdeling advisering van) de Raad van State inzake de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026, Staatscourant 2026 nr. 25.


De rechtbank verwijst ter illustratie naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3362, rechtsoverweging 3.2.)


Pagina 14 van het rapport aanmeldgehoor.


Pagina 7 van het rapport nader gehoor.


Pagina 16 van het rapport aanmeldgehoor.


Pagina 5 van het rapport nader gehoor.


Pagina 6 van het rapport nader gehoor.


Pagina 12 en 13 van het rapport nader gehoor.


Artikel 4, vierde lid, van Verordening (EU) 2024/1347 (Kwalificatieverordening) en zie pagina 4 van het verweerschrift.


Zie pagina 33 van het Algemeen ambtsbericht Eritrea, december 2025.


Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening en zie ook pagina 4 van het verweerschrift.
Link naar deze uitspraak