Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:27835 
 
Datum uitspraak:27-08-2026
Datum gepubliceerd:01-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:K/4502/12294002
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:kort geding; loonvordering; bestaan van arbeidsverhouding?
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
glastuinbouw
levensonderhoud
loonbelasting
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
DEN HAAG


RvdB b

Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Den Haag

Zaaknummer: 12294002 \ RL EXPL 26-14201


Vonnis in kort geding van 27 augustus 2026


in de zaak van



[eisende partij]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. E. van Lent,

tegen


PMR DIENSTEN B.V.,
gevestigd te De Lier, gemeente Westland,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PMR,
gemachtigde: mr. P.H.J. Körver.




1De procedure


1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:


de dagvaarding van 17 juli 2026 met 9 producties;


het bericht met producties 10 en 11 van [eisende partij] ;


het bericht met 1 productie van PMR;


de akte van [eisende partij] ;


de (antwoord)akte van PMR.





1.2.
Op 30 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eisende partij] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens PMR is verschenen de heer [naam 1] , bijgestaan door haar advocaat.





2De feiten


2.1.

[eisende partij] is een Syrische vluchteling die verblijft in een COA-opvang in [plaats] . Via een participatietraject vanuit het COA kunnen mensen die verblijven in een COA-opvang deelnemen aan de maatschappij door het onder andere doen van betaald werk. [eisende partij] had interesse in een betaalde baan, zag een vacature van PMR en heeft dit doorgegeven aan een medewerker van het participatietraject.


2.2.
De medewerker van het participatietraject heeft vervolgens gesproken met de heer [naam 2] van PMR over de gesignaleerde vacature en is naar de locatie gegaan om de werkplek te beoordelen. Daarna zijn wervingen in gang voor andere potentiële werknemers die al dan niet op deze COA-locatie wonen. In het kader van die werving is er op 10 november 2025 een bijeenkomst gehouden op de COA-locatie in [plaats] . PMR en bewoners van de COA-locatie hebben toen met elkaar kennis kunnen maken. Meerdere bewoners van de COA-locatie hadden interesse in het werk bij PMR.



2.3.
Op 21 november 2025 heeft een medewerker van het participatietraject een voorstel gestuurd aan [naam 2] en [naam 3] van PMR. Het voorstel houdt volgens die medewerker in dat [eisende partij] op vrijwillige basis zou starten, zodat hij de ‘kneepjes van het vak kon leren’. Op diezelfde dag heeft de medewerker ook gesproken met [naam 3] en heeft hij het voorstel geaccepteerd. Toen heeft [naam 3] ook aangegeven dat hij [eisende partij] op dinsdag 25 november 2025 kwam ophalen om naar de werklocatie te gaan en proefwerkzaamheden te verrichten.



2.4.
Vanaf 15 december 2025 is [eisende partij] nagenoeg dagelijks naar de werklocatie gegaan. Hij ging met zijn e-bike of met het openbaar vervoer naar de locatie toe. Hij heeft verschillende werkzaamheden verricht, zoals: oogsten en opruimen van Spaanse pepers, leren heftruck rijden, spullen klaarmaken voor veilingen en schoonmaken.



2.5.
Op 25 januari 2026 is er een arbeidsovereenkomst getekend tussen [eisende partij] en PMR. Daarin staat dat [eisende partij] op 26 januari 2026 in de functie van medewerker glastuinbouw in dienst is getreden bij PMR. De overeengekomen arbeidsduur is 0 tot 38 per week. Volgens de arbeidsovereenkomst moet het loon na afloop van iedere 4-weekse periode worden betaald aan de werknemer.



2.6.
De arbeidsovereenkomst eindigt op 24 december 2026. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Glastuinbouw (hierna: “de cao”) van toepassing. Op basis van de cao moet PMR over ieder gewerkt uur ook betalen: een vakantietoeslag van 8,33% en vergoeding voor niet-opgenomen verlofuren van 9,77%.



2.7.

[eisende partij] heeft op 6 februari 2026 een whatsappbericht gestuurd met de vraag of hij PMR een e-mail moet sturen met een overzicht van de door hem gewerkte uren tussen 15 december en 30 januari 2026. Door PMR is daarop gereageerd met “Oke is goed”. Op diezelfde dag heeft [eisende partij] via e-mail het urenoverzicht gestuurd aan PMR.



2.8.
Na 4 mei 2026 heeft [eisende partij] zijn werkzaamheden gestaakt. Tot dat moment heeft hij voor PMR in de periode 15 december 2025 tot en met 30 januari 2026 174 uur gewerkt. In de periode 2 februari 2026 tot en met 4 mei 2026 heeft [eisende partij] 475,5 uren gewerkt. Voor de gewerkte uren uit de laatstgenoemde periode heeft hij € 3.528,34 netto ontvangen. Een bedrag van € 3.000,- heeft hij contant ontvangen en het restant via een bancaire overschrijving. Een deel van zijn loon en niet-opgenomen verlofuren over de periode 2 februari 2026 tot en met 4 mei 2026 is onbetaald gebleven.



2.9.
Op 7 mei 2026 heeft [eisende partij] aan PMR een sommatie gestuurd vanwege het uitblijven van loonbetaling.



2.10.
Op 15 juni 2026 heeft de gemachtigde van [eisende partij] PMR gesommeerd om het achterstallig loon, de vakantietoeslag en vergoeding voor niet-opgenomen verlofuren binnen vier dagen te betalen. Ook is PMR toen gesommeerd om loonspecificaties te verstrekken over de periode 15 december 2025 tot en met 4 mei 2026. PMR heeft kort na ontvangst van deze sommatie telefonisch contact gehad met de gemachtigde van [eisende partij] . Op 10 juni 2026 is dit telefoongesprek voortgezet. Daarna heeft PMR niet meer gereageerd en is betaling uitgebleven.





3Het geschil


3.1.

[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van PMR tot betaling van € 8.914,51 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens te late betaling van 50% over het hiervoor genoemde bedrag, vermeerderd met rente en kosten, en PMR te veroordelen tot afgifte van correcte loonstroken over de periode 15 december 2025 tot en met 4 mei 2026 en verstrekking van een correcte eindafrekening en jaaropgave.



3.2.

[eisende partij] baseert zijn vordering op het volgende. Tussen partijen is vanaf 15 december 2025 een mondelinge arbeidsovereenkomst tot stand gekomen en op basis daarvan heeft [eisende partij] werkzaamheden verricht voor PMR. Voor die gewerkte uren heeft [eisende partij] geen loon, vakantietoeslag of uitbetaling van niet-opgenomen verlofuren ontvangen. Ook nadat partijen een schriftelijke overeenkomst zijn aangegaan op 25 januari 2026, heeft [eisende partij] gewerkt voor PMR maar daar niet (volledig) voor betaald gekregen. PMR is op basis van de arbeidsovereenkomst en de cao daar wel toe verplicht.



3.3.
PMR is het niet eens met de vordering. Volgens haar bestond er geen arbeidsovereenkomst tussen partijen in de periode 15 december 2025 tot 25 januari 2026. Tussen hen is afgesproken dat [eisende partij] op vrijwillige basis werkzaamheden zou verrichten en dat hij een reiskostenvergoeding zou ontvangen. Er bestaat daarom geen reden tot betaling van enig bedrag buiten de reiskostenvergoeding. PMR erkent dat een deel van het loon en dergelijke over de periode 2 februari 2026 tot en met 4 mei 2026 niet is betaald. Volgens PMR heeft zij € 4.978,34 betaald. Als een wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:265 BW wordt toegewezen, moet deze volgens PMR worden gematigd.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling


Het beoordelingskader van de rechter in kort geding



4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe hoog de verwachting is dat de vordering in een gewone (bodem)procedure wordt toegewezen. Bij een vordering zoals betaling van een geldsom, moet de kantonrechter volgens vaste rechtspraak terughoudend beoordelen. Dat heeft er onder meer mee te maken dat in een kortgedingprocedure geen ruimte is voor diepgaand onderzoek naar bestreden feiten of voor bewijslevering. Ook moet de kantonrechter bij de afweging van de belangen van partijen het risico van onmogelijkheid van terugbetaling meenemen, voor het geval de bodemrechter anders zou beslissen. Aan deze vereisten is in dit geval niet volledig voldaan. Hierna wordt dat uitgelegd.



4.2.
Met het ontvangen loon voorziet iemand doorgaans in zijn/haar levensonderhoud. Een loonvordering is daarom naar haar aard vrijwel altijd spoedeisend. In dit geval is weliswaar voldoende gebleken dat [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde betaling. Maar partijen verschillen van mening over de vraag of (een deel van) het loon is betaald. Zoals hierna zal blijken, is voor een gedeelte van de vordering nadere bewijslevering nodig. Omdat bij een kort geding geen plaats is voor nadere bewijslevering, is dat deel van de vordering van [eisende partij] niet toewijsbaar.


Heeft [eisende partij] recht op loon over de periode van 15 december 2025 tot en met 25 januari 2026?




4.3.

[eisende partij] stelt dat hij in de weken voorafgaand aan de ondertekening van de schriftelijke arbeidsovereenkomst ook recht heeft op loon. PMR betwist dat.



4.4.
Dat [eisende partij] vanaf 15 december 2025 nagenoeg elke doordeweekse dag bij PMR heeft gewerkt staat niet ter discussie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft PMR toegelicht welke werkzaamheden [eisende partij] heeft verricht. Zo heeft [eisende partij] Spaanse pepers geoogst en opgeruimd, heftruck leren rijden, spullen klaargemaakt voor veilingen en schoonmaakwerkzaamheden verricht. PMR heeft verder verklaard dat van [eisende partij] werd verwacht dat hij dit allemaal goed in de vingers kreeg, zodat hij het kon uitleggen aan de nieuwe werknemers, die ook allemaal afkomstig waren uit dezelfde COA-locatie. [eisende partij] sprak namelijk de taal en kende de cultuur van de andere, nieuwe werknemers. Hij vormde, aldus PMR, de schakel tussen de Syrische mensen en PMR om zaken uit te leggen en het werk goed te kunnen laten verrichten. Voor PMR was het dus belangrijk dat [eisende partij] de communicatie- c.q. verbindingstaken verrichtte.



4.5.
PMR stelt dat er in die tijd sprake was van ‘leren’ en/of ‘meelopen’ en dat [eisende partij] dat op vrijwillige basis zou doen basis. De kantonrechter overweegt daarover dat een leerperiode of inwerkperiode in beginsel niet meebrengt dat een werknemer geen recht heeft op loon. PMR heeft ook niet voldoende onderbouwd waarom dat in dit geval anders zou zijn. [eisende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk gemotiveerd betwist dat in die weken slechts sprake was van meelopen of leren. Hij stelt dat hij gemiddeld één of twee keer per nieuwe werkactiviteit een uitleg heeft ontvangen en daarna zelfstandig aan het werk is gegaan. De kantonrechter leidt daaruit af dat PMR ook in die weken heeft geprofiteerd van de werkzaamheden van [eisende partij] . PMR heeft daar onvoldoende tegenover gesteld om de conclusie dat onbetaalde arbeid gerechtvaardigd was. Daarbij is van belang het vooral om productiewerk ging waarvoor geen opleiding of bijzondere ervaring nodig is en dat relatief snel is aan te leren. PMR heeft zich overigens ook zelf op het standpunt gesteld dat betaling voor het werk wel op zijn plaats was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft PMR verklaard dat [eisende partij] voor het gedane werk “iets moest krijgen”. Over de betaling heeft PMR eerder aan de medewerker van het COA geschreven “daar komen we wel uit” en ook dat [eisende partij] zijn uren moest bijhouden. Ook daaruit blijkt dat het de bedoeling was dat [eisende partij] betaald zou worden voor zijn werk en niet alleen een reiskostenvergoeding zou krijgen. Als het de bedoeling was een lager loon zou gelden dan het cao-loon dan had het op de weg van PMR gelegen om dat concreet te maken hoeveel dat dan zou zijn, maar dat heeft zij niet gedaan. De kantonrechter ziet al met al geen reden waarom [eisende partij] over de gewerkte uren geen betaling zou hoeven krijgen.



4.6.
Voor de hoogte van het loon gaat de kantonrechter uit van het bedrag dat vanaf 25 januari 2026 is betaald omdat niet is gebleken dat de werkzaamheden na 25 januari 2026 wezenlijk anders waren dan daarvoor. In de arbeidsovereenkomst een uurloon van € 15,09 bruto, maar over de periode 2 februari 2026 tot en met 4 mei 2026 is steeds € 16,00 bruto per uur betaald. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een uurloon van € 16,- bruto per uur.


PMR moet het loon, vakantietoeslag, niet-opgenomen verlofuren betalen over de periode 15 december tot en met 30 januari 2026 betalen.




4.7.
PMR heeft geen verweer gevoerd tegen de door [eisende partij] opgegeven gewerkte uren in de periode 15 december 2025 tot en met 30 januari 2026. De kantonrechter gaat daarom uit van in totaal 174 gewerkte uur in de hiervoor genoemde periode. Het staat vast dat PMR voor de gewerkte uren geen loon, vakantietoeslag of niet-opgenomen verlofuren heeft betaald.



4.8.

[eisende partij] heeft aangevoerd dat hij in dat kader nog € 2.784 bruto te goed heeft van PMR, vermeerderd met vakantietoeslag van 8,33% per gewerkt uur en een vergoeding voor niet-opgenomen verlofuren van 9,77%. PMR heeft dit niet weersproken. De kantonrechter zal PMR daarom veroordelen tot betaling van € 2.784 bruto wegens achterstallig loon, vermeerderd met vakantietoeslag van 8,33% per gewerkt uur, een vergoeding voor niet-opgenomen verlofuren van 9,77%.



4.9.

[eisende partij] maakt weliswaar ook aanspraak op de reiskostenvergoeding van € 144,- netto, maar heeft dat niet gevorderd. Daarom kan de kantonrechter dit bedrag niet toewijzen.


PMR moet ook loon en de vergoeding voor niet-opgenomen verlofuren over de periode 2 februari 2026 tot en met 4 mei 2026 betalen




4.10.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft PMR een toelichting gegeven op (een deel van) de door haar gedane loonbetaling. Ook heeft zij kwitanties meegenomen waaruit zou blijken welke bedragen contant zijn uitgekeerd.



4.11.
Partijen zijn het erover eens dat [eisende partij] in totaal € 7.197,78 netto tegoed had voor de door hem gewerkte uren. Volgens [eisende partij] moet daar ook nog een bedrag van € 60,66 bruto worden toegevoegd, omdat PMR ten onrechte 3,5 gewerkte uren in week 17 niet heeft meegenomen in haar berekening (productie 1 PMR). De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat over het aantal gewerkte uren en dat het voornoemde inderdaad had moeten worden meegenomen. Dit bedrag komt daarom voor toewijzing in aanmerking.



4.12.

[eisende partij] erkent dat hij in totaal € 3.528,34 netto heeft ontvangen, eenmalig € 528,34- via de bank en zes keer een contante betaling van € 500,-. De kantonrechter zal daarom als nog te betalen bedrag € 3.669,44 als uitgangspunt nemen. PMR erkent dat zij daarvan nog € 2.219,44 netto moet betalen. Het restant bedrag € 1.450,- stelt zij contant te hebben betaald en heeft dit onderbouwd door overlegging van twee digitaal ongedateerde en onleesbare kwitantie. [eisende partij] betwist dat hij deze kwitanties heeft ondertekend en dat hij in totaal € 1.450,- contant zou hebben ontvangen. Zolang niet vaststaat dat de handtekening op de kwitantie van [eisende partij] is, heeft dit stuk geen bewijskracht (artikel 159 lid 2 Rv). In dat geval moet PMR de echtheid van de handtekening bewijzen.



4.13.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft PMR de fysiek meegenomen kwitanties getoond. De kantonrechter heeft [eisende partij] en zijn gemachtigde de gelegenheid gegeven om samen met PMR de door haar fysiek meegenomen kwitanties te onderzoeken. Dit onderzoek kon zowel plaatsvinden tijdens de mondelinge behandeling als in de schorsing daarvan. [eisende partij] heeft van die mogelijkheden geen gebruik gemaakt.



4.14.
Of PMR al dan niet € 1.450,- contant heeft betaald, kan niet anders worden vastgesteld dan door bewijsvoering van de geplaatste handtekening op de kwitanties. In een kort geding is echter geen plaats voor nadere bewijsvoering en is het daardoor ook niet voldoende aannemelijk dat een bodemrechter dit deel van vordering in een gewone (bodem)procedure toewijst. Om die reden zal de kantonrechter de vordering tot betaling van het achterstallig loon toewijzen tot het door PMR erkende bedrag van € 2.219,44.



4.15.
PMR heeft niet weersproken dat [eisende partij] geen vergoeding heeft gekregen voor de niet-opgenomen verlofuren. De vordering tot betaling van € 1.029,26 bruto zal daarom worden toegewezen.



4.16.
Dit brengt de kantonrechter tot de conclusie dat PMR een bedrag van € 2.219,44 netto moet betalen wegens achterstallig loon. Uiteraard moet PMR daarover de verschuldigde loonbelasting en sociale premies afdragen. Daarom zal PMR worden veroordeeld tot betaling van het bruto equivalent dat hoort bij € 2.219,44 netto.
Ook moet PMR een bedrag betalen van € 1.029,26 bruto wegens onbetaalde niet-opgenomen verlofuren, beide betrekking hebbende over de loonperiode van 2 februari tot en met 4 mei 2026.


Toewijzing van de vordering in een bodemprocedure is in hoge mate aannemelijk




4.17.
Dat de vorderingen tot betaling van het hiervoor onder 4.16 en 4.24 genoemde bedragen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen, is in hoge mate aannemelijk. Tegen die achtergrond, en gelet op de omstandigheid dat [eisende partij] als (oud-)werknemer in verhouding tot PMR in een afhankelijke positie verkeert en de toegewezen bedragen nodig zijn voor zijn levensonderhoud, weegt het bestaan van een eventueel restitutierisico niet zo zwaar dat dat tot afwijzing van de vordering zou moeten leiden.


PMR moet loonstroken over de periode 15 december 2025 tot en met 30 januari 2026 en jaaropgave afgeven




4.18.
De vordering van [eisende partij] tot afgeven van de loonstroken over de periode 15 december 2025 tot en met 30 januari 2026, en de jaaropgaven van 2025 en 2026 zal worden toegewezen. De termijn waarbinnen PMR dit moet doen zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.




Wettelijke verhoging uit artikel 7:625 BW van 30%




4.19.
PMR heeft niet weersproken dat zij (een deel van) het loon en de niet-opgenomen verlofuren te laat heeft betaald. PMR heeft geen reden gegeven waarom zij later heeft betaald dan dat zij verplicht was op basis van de arbeidsovereenkomst. De vordering tot toepassing van wettelijke verhoging uit artikel 7:625 BW over het toegewezen bedrag zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter bepaalt dat de wettelijke verhoging uit artikel 7:625 BW zal worden vastgesteld op 30%.


PMR moet daarom ook proceskosten betalen




4.20.
PMR is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. In dat geval betaalt [eisende partij] een lager griffierecht. Nu uit de dagvaarding volgt dat [eisende partij] explootkosten heeft gemaakt, zal PMR ook worden veroordeeld tot betaling daarvan. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:









- dagvaarding


€


155,67







- griffierecht


€


93,00







- salaris gemachtigde


€


577,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


969,67













5De beslissing

De kantonrechter:


5.1.
veroordeelt PMR om aan [eisende partij] te betalen:


i) een bedrag van € 2.784 bruto wegens achterstallig loon, vermeerderd met vakantietoeslag van 8,33% per gewerkt uur, een vergoeding voor niet-opgenomen verlofuren van 9,77%, een en ander betrekking hebbende op de periode 15 december 2025 tot en met 30 januari 2026;


ii) het bruto equivalent behorend bij een bedrag van € 2.219,44 netto wegens achterstallig loon betrekking hebbende over de loonperiode van 2 februari tot en met 4 mei 2026;


iii) een bedrag van € 60,66 bruto wegens achterstallig loon van 3,5 gewerkte uren in week 17 van 2026;


iv) een bedrag van € 1.029,26 bruto wegens onbetaalde niet-opgenomen verlofuren, betrekking hebbende over de loonperiode van 2 februari tot en met 4 mei 2026,





5.2.
de hiervoor genoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 30% over het aldaar genoemde bedrag, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf het moment waarop de betaling had moeten plaatsvinden, tot de dag waarop het volledig is betaald,



5.3.
veroordeelt PMR om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eisende partij] de loonstroken over de periode 15 december 2025 tot en met 30 januari 2026 en de jaaropgaven van 2025 en 2026 te verstrekken,



5.4.
veroordeelt PMR in de proceskosten van € 969,67 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met de kosten van betekening als PMR niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.M.G. van den Boorn en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
Link naar deze uitspraak