|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:2956 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 24/9582 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Aanvraag visum kort verblijf afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | perceel | | | veeteelt | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/9582
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.A.K. Rahman),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. E. van der Meulen).
Samenvatting
1. Deze zaak gaat over een aanvraag voor een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat er volgens verweerder redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om terug te keren naar Marokko. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert hiertoe aan dat hij voldoende sociale en economische binding heeft met Marokko. Hierdoor bestaat er volgens eiser geen redelijke twijfel over zijn voornemen om terug te keren naar Marokko. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank of verweerder in redelijkheid heeft kunnen twijfelen aan het voornemen van eiser om tijdig terug te keren. De rechtbank komt tot de conclusie dat dat het geval is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 2 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Bij besluit van 4 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering wegens ziekte, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is geboren op 16 juni 1990 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 4 december 2023 een visum voor kort verblijf aangevraagd om zijn broer [naam referent] (referent) in Nederland te bezoeken.
3.1.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor visumverlening in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b) van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode). Verweerder heeft (dus) redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Er is volgens verweerder namelijk niet gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Marokko dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.
Juridisch kader
4. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode, voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:
b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
4.1.
Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening.
4.2.
Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
Heeft verweerder in redelijkheid kunnen twijfelen aan het voornemen van eiser om tijdig terug te keren?
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Eiser heeft, anders dan verweerder stelt, wel voldoende sociale en economische binding met Marokko. Eiser woont al zijn hele leven in Marokko en is volledig geïntegreerd in het leven daar. Eiser draagt in Marokko ook de zorg voor zijn medisch geïndiceerde moeder en zijn zus. Bovendien houdt eiser zich in Marokko bezig met landbouw en veeteelt. Eiser heeft ook foto’s van zijn boerenbedrijf overgelegd waar dit uit blijkt. Met deze werkzaamheden voorziet eiser in zijn inkomen en ten behoeve van die werkzaamheden huurt hij ook een perceel. Transacties vinden in Marokko echter grotendeels met contant geld plaats. Hierdoor kan eiser niet (met rekeningoverzichten) aantonen dat hij inkomen genereert met voornoemde werkzaamheden. Dit mag verweerder dan ook niet van hem verlangen. Het standpunt van verweerder dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, is gebaseerd op de niet geconcretiseerde aanname dat Marokko een risicoland is wat illegale immigratie betreft. Dit wringt des te meer nu Marokko en de Europese Unie op 13 juni 2013 een ‘Mobility Partnership’ hebben afgesloten waarbij versoepelingen van het visumbeleid zijn toegezegd aan Marokkaanse onderdanen. Tot slot wijst eiser erop dat referent zich garant heeft gesteld en dat referent in het verleden niet onbetrouwbaar is gebleken.
5.1.
Met inachtneming van de terughoudende toetsing is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser voldoende sociale en economische binding heeft met Marokko en dat daarom getwijfeld wordt aan het voornemen van eiser om tijdig terug te keren.
5.1.1.
Ten aanzien van de sociale binding met Marokko overweegt de rechtbank dat verweerder van belang heeft kunnen achten dat eiser ongehuwd is en geen kinderen heeft, zodat hij geen gezin heeft waarvoor hij verantwoordelijkheid draagt. Verweerder heeft tevens van belang kunnen achten dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn moeder vanwege medische klachten zorg nodig heeft en dat hij de zorg draagt voor haar en zijn zus. Verweerder heeft de in dat verband door eiser overgelegde ‘Declaration de Soutien Familial’ onvoldoende kunnen achten. Dit is immers niets anders dan een schriftelijke verklaring van eiser dat hij de zorg draagt voor zijn moeder en zijn zus. Wat betreft de stelling van eiser dat hij al zijn hele leven in Marokko woont en volledig geïntegreerd is in het leven daar heeft verweerder zich tot slot op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen heeft in Marokko.
5.1.2.
Ten aanzien van de economische binding overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende onderbouwd heeft kunnen vinden dat eiser een regelmatig en substantieel inkomen genereert met zijn gestelde werkzaamheden in de landbouw en veeteelt. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat uit de overgelegde bewijsstukken slechts blijkt dat eiser een stuk grond huurt. Verweerder heeft ook de door eiser overgelegde foto’s onvoldoende kunnen achten, omdat hieruit niet (per se) volgt dat eiser zich in het dagelijks leven daadwerkelijk bezighoudt met landbouw en veeteelt. Datzelfde geldt voor de overgelegde rekeningoverzichten, nu daaruit niet blijkt waar de bedragen van de stortingen betrekking op hebben. De (niet onderbouwde) stelling dat transacties in Marokko grotendeels met contant geld plaatsvinden maakt dit niet anders. Gelet op overweging 4.1 is het immers aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Niet valt in te zien dat eiser geen andere informatie had kunnen verstrekken om aannemelijk te maken dat hij inkomen genereert met zijn werkzaamheden.
5.1.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen twijfelen aan het voornemen van eiser om tijdig terug te keren. Dat het standpunt van verweerder is gebaseerd op de niet geconcretiseerde aanname dat Marokko een risicoland is wat illegale immigratie betreft, is door eiser niet onderbouwd of toegelicht. De rechtbank kan dit standpunt daardoor niet volgen. De omstandigheid dat referent zich garant heeft gesteld en de stelling dat referent zich in het verleden niet onbetrouwbaar heeft getoond, hebben verweerder – in het licht van wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de sociale en economische binding – ook niet tot een andere conclusie hoeven leiden. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat Marokko en de Europese Unie op 13 juni 2013 een ‘Mobility Partnership’ hebben afgesloten. Uit het door eiser overgelegde document blijkt namelijk niet van concrete toezeggingen over versoepelingen van het visumbeleid. Bovendien neemt dit niet weg dat eiser aan de geldende voorwaarden voor visumverlening dient te voldoen.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder eiser moeten horen in bezwaar?
6. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van horen in bezwaar.
6.1.
Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen in bezwaar afzien. In dit geval heeft verweerder eiser niet gehoord op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, waaruit volgt dat van het horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Eiser was er in het primaire besluit al op gewezen dat niet aannemelijk was gemaakt dat hij beschikt over een regelmatig en substantieel inkomen in zijn land van herkomst. Nu hij de gestelde inkomsten in bezwaar niet nader heeft onderbouwd, heeft verweerder van horen kunnen afzien. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht kennelijk ongegrond verklaard.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder eiser een dwangsom moeten toekennen wegens niet tijdig beslissen?
7. Tot slot voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend. Verweerder kan volgens eiser geen beroep doen op artikel 4:17, zesde lid, van de Awb. In dit artikel gaat het namelijk om een kennelijk niet-ontvankelijke of een kennelijk ongegronde aanvraag, terwijl het hier gaat om een (volgens verweerder) kennelijk ongegrond bezwaar.
7.1.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:14 van de Awb volgt dat paragraaf 4.1.3.2, waar artikel 4:17 van de Awb onderdeel van is, ook van toepassing is op de bezwaarfase. Dat betekent dat verweerder een beroep kon doen op artikel 4:17, zesde lid, van de Awb. Verweerder heeft eiser dan ook terecht geen dwangsom toegekend.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk en (ook) geen visum. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|