Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:29728 
 
Datum uitspraak:29-09-2026
Datum gepubliceerd:08-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL26.55369
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Verzoek om een voorlopige voorziening, visumzaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en wijst het verzoek daarom af.
Trefwoorden:veehouderij
vrijstelling
 
Uitspraak
uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.55369 V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen



[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1971, van Turkse nationaliteit, verzoeker, (gemachtigde: mr. S.N. Arikan)
en


de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. T. Stelpstra).



Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een visum voor kort verblijf afgewezen.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb1 uitspraak zonder zitting.



Overwegingen


Het griffierecht


1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. Verzoeker hoeft dus geen griffierecht te betalen.


Het verzoek om een voorlopige voorziening



Wat is aan deze procedure voorafgegaan?


2. Verzoeker heeft op 11 juni 2026 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf, geldig van 29 september 2026 tot en met 9 december 2026. Hij heeft daarbij als
doel aangegeven dat hij de bruiloft van zijn zoon op 9 oktober 2026 bij wil wonen en dat daarnaast zijn minderjarige dochter in Nederland woont die hij erg mist.


2.1.
De minister heeft deze aanvraag in het bestreden besluit afgewezen omdat hij meent dat verzoeker het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Ook meent de minister dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van verzoeker om het grondgebied van het Schengengebied vóór het verstrijken van het visum te verlaten.


Het verzoek


3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de minister op te dragen hem te behandelen als ware hij in het bezit van een visum voor kort verblijf. Verzoeker stelt dat hij gelet op het aanstaande huwelijk van zijn zoon een zwaarwegend spoedeisend belang heeft bij het treffen van deze voorlopige voorziening. Hij voert aan dat hij het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf wel degelijk voldoende heeft aangetoond. Daarnaast voert hij aan dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat er twijfels bestaan bij het voornemen van verzoeker om het Schengengebied tijdig te verlaten. Hij stelt dat hij een sterke economische binding heeft met Turkije, zijn land van herkomst, omdat hij daar twintig percelen grond bezit en tevens veehouder is. Het is niet aannemelijk dat hij zijn grondbezit en veehouderij achter zich zou laten om zich in Nederland te vestigen. Ook heeft hij een sterke sociale binding met Turkije. Hij draagt daar namelijk zorg voor zijn zieke moeder en ook wonen vier broers en zussen van verzoeker in Turkije. Verzoeker wijst er ook op dat zijn zoon garant staat voor zijn verblijf en zorg draagt voor de kosten en de logies.

Beoordeling door de voorzieningenrechter


4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel nog komende beroepsprocedure niet.

5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gevraagde voorlopige voorziening geen voorlopig karakter heeft en daarmee verstrekkend is. Toewijzing van dit verzoek zal er namelijk toe leiden dat verzoeker Nederland in kan reizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoeker met zijn aanvraag beoogt, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van deze voorlopige voorziening zijn onomkeerbaar en dat betekent dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan daarom aanleiding bestaan om te bepalen dat de minister verzoeker tijdens de bezwaarprocedure in staat moet stellen om naar Nederland te reizen. Voor een dergelijke vergaande beslissing is in principe alleen plaats als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
6. De voorzieningenrechter neemt aan dat verzoeker een zwaarwegend spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoeker wenst immers de bruiloft van zijn zoon bij te wonen en gelet op de datum van deze bruiloft is het niet aannemelijk dat de minister nog voor de datum van deze bruiloft op het bezwaar van verzoeker zal beslissen.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De minister heeft zich namelijk op het standpunt kunnen stellen dat er redelijke twijfel bestaat aan het voornemen van verzoeker om het Schengengebied voor het verstrijken van het visum te verlaten wegens het bestaan van vestigingsgevaar. De minister heeft daarbij aan verzoeker kunnen tegenwerpen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een sterke economische binding met Turkije heeft. Hoewel uit de door verzoeker overgelegde stukken volgt dat verzoeker verschillende stukken grond in eigendom heeft, kan hieruit op zichzelf nog niet worden afgeleid dat verzoeker daardoor in economische zin sterk aan Turkije gebonden is. Zo heeft de minister kunnen tegenwerpen dat uit deze stukken niet blijkt of verzoeker de grond daadwerkelijk gebruikt om in zijn eigen inkomen te voorzien en dat hieruit ook niet kan worden afgeleid of hij de grond zelf verbouwt of dat hij de grond bijvoorbeeld verpacht. Verder volgt uit de stukken niet dat verzoeker als veehouder gebonden is aan Turkije en daarom niet (voor langere duur) buiten Turkije kan verblijven.
8. Verzoeker heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij een sterke sociale binding met Turkije heeft. Uit het overgelegde afspraakformulier voor een bezoek van zijn moeder aan het ziekenhuis kan namelijk niet worden afgeleid dat de moeder van verzoeker zorgbehoevend is en zo ja, of verzoeker (mede) betrokken is bij de verzorging van zijn moeder. Ook aan de omstandigheid dat de broers en zussen van verzoeker in Turkije wonen en dat verzoeker naar eigen zeggen een sterke band met hen heeft, heeft de minister niet de conclusie hoeven te verbinden dat verzoeker daardoor een sterke sociale binding met Turkije heeft.
9. De minister heeft tot slot in de garantstelling van de zoon van verzoeker geen reden hoeven zien om geen vestigingsgevaar aan te nemen. De minister heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat de garantstelling en logiesverstrekking tot doel hebben te voorkomen dat verzoeker ten tijde van zijn verblijf ten laste zal komen van de Staat. Deze garantstelling vormt op zichzelf geen stok achter de deur voor het tijdige vertrek van verzoeker, nu de zoon van verzoeker hier als referent maar in beperkte zin invloed op kan uitoefenen.



Conclusie en gevolgen

10. Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

29 september 2026


Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

1. Algemene wet bestuursrecht.
Link naar deze uitspraak