Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:3550 
 
Datum uitspraak:19-02-2026
Datum gepubliceerd:05-03-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 22/112 en SGR 23/953
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Beroep tegen een omgevingsvergunning voor het veranderen van woningen door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een bouwlaag ten behoeve van vijf nieuwe woningen en tegen de later verleende omgevingsvergunning om het bouwplan gewijzigd uit te voeren. De voorgeschiedenis en uitvoering van de vergunning kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Het college heeft de parkeerbehoefte correct berekend en zich, gelet op de huurovereenkomsten voor garageboxen, op het standpunt kunnen stellen dat de parkeerbehoefte niet ten laste komt van de openbare ruimte. Verder laten de planregels het toevoegen van zelfstandige appartementen toe en zijn de gevolgen voor de bezonning al afgewogen bij de vaststelling van het bestemmingplan, aangezien het bouwplan binnen de maximale bouwhoogte van het bestemmingsplan blijft. Daarnaast heeft het college zich mogen baseren op het welstandsadvies. De beroepsgronden over stikstof stuiten af op het relativiteitsvereiste.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
burgerlijk wetboek
huurovereenkomsten
omgevingsvergunning
perceel
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 22/112 en SGR 23/953

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag
(gemachtigde: mr. P. Yildrim).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. uit [plaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen van eiseres tegen de door het college verleende omgevingsvergunning voor het veranderen van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en de [adres 5] door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een bouwlaag ten behoeve van 5 nieuwe woningen, en de later verleende omgevingsvergunning om het bouwplan gewijzigd uit te voeren. Eiseres is eigenares van de panden [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] en is het niet eens met deze omgevingsvergunningen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunningen heeft mogen verlenen.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunningen heeft mogen verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Op 13 juli 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de woningen aan de [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en de [adres 5] door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een bouwlaag ten behoeve van vijf nieuwe appartementen. In het bestreden besluit van 25 november 2021 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven (bestreden besluit I).


2.1.
Op 7 juli 2022 heeft het college de tweede omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 16 december 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven (bestreden besluit II).



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met onder meer de beroepen van [naam 1] tegen deze omgevingsvergunningen (zaaknummers SGR 22/5 en SGR 23/962). Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college, en namens vergunninghoudster:
ir. [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghoudster.





De bestreden besluiten


Bestreden besluit I

3. Op 10 februari 2021 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen en vergroten van de panden [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] door het maken van een extra bouwlaag tot totaal 5 extra woningen, het wijzingen van de indeling, het plaatsen van een trap en het maken van constructieve doorbraken.


3.1.
Het college heeft op 13 juli 2021 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Volgens het college is het bouwplan niet in strijd met de redelijke eisen van welstand en is aannemelijk dat wordt voldaan aan de vereisten van het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening. Ook is het bouwplan volgens het college niet in strijd met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (bestemmingsplan). Wat het parkeren betreft stelt het college zich op het standpunt dat met het inzetten van deelmobiliteit op de parkeerplaats op eigen terrein en de huur van parkeerplaatsen voor de duur van minimaal
10 jaar binnen een straal van 400 meter ook wordt voldaan aan de regels van het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” (Parapluherziening).



3.2.
In bestreden besluit I heeft het college het primaire besluit gehandhaafd, conform het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (bezwaarcommissie). Het college heeft aanvullend gemotiveerd dat de aanvraag toch niet voldoet aan het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren”, maar dat op grond van artikel 6, onder a, sub 1 van dit bestemmingsplan wordt meegewerkt aan het afwijken van de parkeernorm. Vanwege het gebruik van een deelauto gaat het college akkoord met het voorzien in een extra parkeerbehoefte van vier parkeerplaatsen, in plaats van vijf.


Bestreden besluit II



3.3.
De op 7 juli 2022 verleende omgevingsvergunning heeft vergunninghoudster aangevraagd omdat zij het eerder vergunde bouwplan anders wil uitvoeren. Samengevat weergegeven houden de wijzigingen die in de omgevingsvergunning vergund zijn het volgende in: er komen dakkapellen in het zijdakvlak, de indeling van de woningen [adres 1] , [adres 9] en [adres 10] wordt gewijzigd evenals de brandscheidingen van de woningen [adres 9] en [adres 10] . Ook wordt de toegang tot de woningen [adres 1] en [adres 9] verplaatst.



3.4.
Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, en voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Volgens het college voldoet het plan aan de redelijke eisen van welstand. Wel is er strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan, omdat de daarin voorgeschreven goothoogte wordt overschreden door de dakuitbouwen in het zijdakvlak. Het college ziet aanleiding om hier met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) een omgevingsvergunning voor te verlenen. Het college heeft in dat verband in aanmerking genomen dat de overschrijding van de goothoogte in het zijdakvlak groot is, maar stedenbouwkundig voorstelbaar is doordat de uitbouwen voldoende terugliggend zijn gesitueerd ten opzichte van de voor- en achtergevel waardoor er geen sprake is van onevenredige zonlichtvermindering richting de achter- en naastliggende woonfuncties en de volumeopbouw van de afgeknotte schildkap nog net voldoende herkenbaar blijft.



3.5.
In bestreden besluit II is het college bij het besluit tot vergunningverlening gebleven, conform het advies van de bezwaarcommissie.




Beoordeling door de rechtbank


Overgangsrecht Omgevingswet

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen Omgevingswet (Wabo).


4.1.
De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 10 februari 2021 en 9 februari 2022. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.


Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van deze beroepen relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.


Het beroep tegen bestreden besluit I (SGR 22/112)



Omvang van het geding

6. Eiseres verwijst in beroep naar eerder aangevraagde omgevingsvergunningen van vergunninghoudster en procedures die daarover zijn gevoerd. De rechtbank merkt daarover op dat deze beroepsprocedure niet gaat over de voorgeschiedenis tussen eiseres, het college en vergunninghoudster, maar over de vraag of het college deze omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Daarom kunnen ook de door eiseres naar voren gebrachte negatieve ervaringen met bouwwerkzaamheden door of namens vergunninghoudster in deze procedure niet aan de orde komen.


Gang van zaken / handelwijze college & vergunninghoudster

7. Eiseres heeft in haar beroepschrift verschillende opmerkingen gemaakt over de gang van zaken in de (bezwaar-)procedure en de handelwijze van het college en vergunninghoudster daarin. Zo betoogt eiseres dat vergunninghoudster in de aanvraag adressen van woningen en panden heeft meegenomen die niet in haar eigendom zijn, om zodoende het college en de welstandscommissie op het verkeerde been te zetten. Ook controleert het college de vergunde aanvragen niet op de uitvoering en treedt het college niet op bij meldingen over illegale bouw en schade als gevolg van de bouwwerkzaamheden. Ook in de adviezen wordt alleen ingegaan op de zaken die het college goed uitkomen om de verleende omgevingsvergunning te kunnen onderbouwen.



7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de vraag of er is gebouwd volgens de tekeningen een uitvoeringskwestie betreft en niets zegt over de vraag of de omgevingsvergunning op goede gronden is verleend. Het college betwist dat laakbaar is gehandeld bij de verlening van de omgevingsvergunningen.



7.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het in deze beroepsprocedure niet gaat over de vraag of het bouwplan in afwijking van de omgevingsvergunning is uitgevoerd. In het stelsel van de Wabo is geen plaats voor een beslissing over een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Uitgangspunt van de Wabo is dat het, behoudens de situatie als bedoeld in artikel 2.7 van die wet, de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is (Kamerstukken II, 2006-07, 30 844, nr. 3, blz. 37). Dat het bouwplan – zoals eiseres betoogt – inmiddels zou zijn gerealiseerd in afwijking van de omgevingsvergunning, maakt niet dat de omgevingsvergunning daarom ten onrechte is verleend. Of een bouwwerk al dan niet conform vergunning gebouwd is, is immers een handhavingskwestie. Verder overweegt de rechtbank dat ook de schade die eiseres stelt te hebben geleden als gevolg van de uitvoering van bouwwerkzaamheden, in deze procedure niet aan de orde kan komen.



7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.


Parkeren

8. Eiseres betoogt dat het huren van garageboxen geen oplossing is voor de parkeerbehoefte van het bouwplan, omdat de inhoud van de garages op straat komt te staan en het college al heeft aangegeven niet te zullen handhaven.



8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de parkeerbehoefte van het bouwplan afgerond vier parkeerplaatsen bedraagt. Door één parkeerplaats (voor een deelauto) te realiseren op eigen terrein en drie andere parkeerplaatsen te huren binnen een loopafstand van 500 meter is voldaan aan de eisen voor parkeren en komt de parkeerbehoefte van het bouwplan niet ten laste komt van de openbare ruimte.


8.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres de berekende parkeerbehoefte niet heeft bestreden. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het college de parkeerbehoefte correct heeft vastgesteld op vier parkeerplaatsen. De Parapluherziening biedt – samengevat weergegeven – de mogelijkheid om, wanneer niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, op andere wijze in de nodige parkeerruimte te voorzien conform de Nota parkeernormen Den Haag 2011. Hierin staat dat ook aan de parkeereis kan worden voldaan als binnen een loopafstand van 500 meter parkeergelegenheid is geregeld. Eiseres heeft niet bestreden dat de door vergunninghoudster gehuurde parkeerplaatsen gelegen zijn binnen een loopafstand van 500 meter. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren in verband met het parkeren.



8.3.
Eiseres heeft vraagtekens gezet bij de huurovereenkomsten in het dossier en heeft er in dat verband ook op gewezen dat uit haar eigen onderzoek blijkt dat de garageboxen helemaal niet worden gehuurd. Eiseres wijst erop dat er zelfs een garagebox te koop staat en dus niet beschikbaar is voor auto’s van de bewoners van de vergunde appartementen.



8.4.
De rechtbank overweegt dat het college een besluit moet nemen op de aanvraag zoals die is ingediend. Op basis deze aanvraag en de daarbij overgelegde ondertekende huurovereenkomsten heeft het college naar het oordeel van de rechtbank kunnen vaststellen het bouwplan voorziet in de benodigde parkeerplaatsen, zodat de parkeerbehoefte vanwege het bouwplan niet ten laste komt van de openbare ruimte. Op zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat de garageboxen uiteindelijk niet zijn gehuurd
– zoals eiseres ook had geconstateerd – omdat de kopers van de appartementen geen behoefte hadden aan een parkeerplaats. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen vergunnen. De vraag of vergunninghoudster hiermee in strijd met de omgevingsvergunning handelt is een handhavingskwestie en ligt niet in deze procedure ter beoordeling voor.



8.5.
De beroepsgrond slaagt niet.


Toevoegen van zelfstandige appartementen

9. Eiseres betoogt dat het bestemmingsplan het toevoegen van zelfstandige woonruimten in de dakopbouwen/kapverdiepingen niet toestaat.



9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Er worden woningen toegevoegd (en dus niet gesplitst), waardoor het bouwplan niet in strijd is met artikel 32, onder b, van het bestemmingsplan. Verder blijven de afmetingen van het bouwplan binnen de voorgeschreven maximum bouw- en goothoogte op het perceel, zodat ook op dat punt geen strijd is met het bestemmingsplan.



9.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Ter plaatse geldt op grond van het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 14 meter. Het bouwplan van vergunninghoudster heeft een bouwhoogte van 13,72 meter. Het bouwplan past wat bouwhoogte betreft dus binnen het bestemmingsplan. Dat heeft eiseres ook niet bestreden. In de toelichting bij het bestemmingsplan staat weliswaar dat dakopbouwen slechts zijn toegestaan voor uitbreiding van de eigen woning, maar deze toelichting is niet bindend. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever. Omdat in dit geval de planregels over de bouw- en goothoogte duidelijk zijn, behoefde het college de plantoelichting niet bij de beoordeling van de aanvraag te betrekken.



9.3.
De beroepsgrond slaagt niet.


Bezonning

10. Eiseres betoogt dat uit het bezonningsonderzoek volgt dat extra bebouwing niet is toegestaan omdat dit tot onevenredige gevolgen zou leiden.



10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van maximaal toegestane bouwhoogte – ook wat bezonning betreft – reeds zijn afgewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan.



10.2.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen wordt de maximale bouwhoogte van het bestemmingsplan niet overschreden. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan zijn de met de bouwhoogte verband houdende belangen, zoals de gevolgen voor de bezonning van omliggende percelen, al afgewogen. In deze procedure kunnen deze belangen dus niet alsnog een rol spelen. Het betoog van eiseres dat de bouwhoogte van het bouwplan tot onevenredige gevolgen leidt wat bezonning betreft, had zij daarom moeten aanvoeren tegen de vaststelling van het bestemmingsplan waarin deze bouwhoogte is mogelijk gemaakt. Overigens is de rechtbank van oordeel dat eiseres ook niet concreet heeft gemaakt dat het realiseren van het bouwplan tot onevenredige gevolgen voor bezonning zal leiden.



10.3.
De beroepsgrond slaagt niet.


Welstand

11. Eiseres betoogt dat het bouwplan qua uitvoering niet past binnen de specifieke karakteristieke bouwstijl van de omgeving. Het bouwwerk heeft de verschijningsvorm van een grote omgekeerde boot op het dak. Ook is er geen sprake van driezijdige in dezelfde kleur gemetselde opbouwen. Verder plaatst eiseres kanttekeningen bij de gang van zaken bij de Welstands- en Monumentencommissie (welstandscommissie), nu voorzitter Van Vliet eerder had aangegeven dat negatief zou worden geadviseerd, terwijl haar opvolger positief heeft geadviseerd. De aanvraag had volgens eiseres afgewezen moeten worden omdat het bebouwing in een beschermd stadsgezicht betreft die niet in het straatbeeld past.



11.1.
Het college heeft toegelicht dat het bouwplan van vergunninghoudster verschillende keren is behandeld in vergaderingen van welstandscommissie. Na diverse aanpassingen is het bouwplan uiteindelijk akkoord bevonden op 23 juni 2021. Het college kan zich vinden in dit advies, dat ook deel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Dat eiseres vindt dat het niet past binnen het straatbeeld, is onvoldoende om het advies van de niet te volgen, aldus het college.



11.2.
De inhoud van het positieve advies van de welstandscommissie luidt als volgt:


Akkoord


Het bouwplan is getoetst aan de Welstandsnota en beoordeeld in het kader van de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – Gemeentelijk beschermd stadsgezicht’. “Na een lang ontwerptraject constateert de commissie dat het onderhavige plan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, namelijk de versterking van de cultuurhistorische waarden van het gemeentelijk beschermd stadsgezicht. De commissie heeft eerder in hoofdlijnen met het plan ingestemd, maar vroeg nog om een zorgvuldige detaillering van de penantkoppen en om de kleurspecificatie van de dakkapellen en het dakoverstek. In het voorliggende ontwerp zijn de penantkoppen zorgvuldig gedetailleerd, met aandacht voor de hiërarchie tussen de verschillende penanten en hun positie in de gevel. De rijkere detaillering op de kop van het blok levert het beoogde herstel van de hoekmarkering op. De kleurstelling van de dakkapellen en het dakoverstek is gespecificeerd en akkoord. De commissie wijst erop dat de hardstenen afdekkers boven de gemetselde ornamenten erg dun en kwetsbaar ogen. Zij suggereert om deze afdekkers iets meer dikte te geven.”




11.3.
De rechtbank overweegt het volgende. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies gebonden is en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van die wet voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.



11.4.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat eiseres geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het welstandsadvies naar voren heeft gebracht. Dat eiseres van mening is dat het bouwplan niet past bij de karakteristieke bouwstijl in de omgeving is daartoe onvoldoende.



11.5.
De beroepsgrond slaagt niet.


Stikstofonderzoek

12. Eiseres betoogt dat het stikstofonderzoek niet deugdelijk is en dat de omschrijving van het project misleidend is omdat daarin staat dat “de ontwikkeling bestaat uit het transformeren van de bestaande bedrijfsruimte naar 5 appartementen”, terwijl dat niet het geval is.



12.1.
De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op grond van strijd met een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich op die regel beroept.



12.2.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht4 blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.



12.3.
De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) over stikstof strekken tot bescherming van het behoud van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen.



12.4.
De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de woning van eiseres en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ( [natura 2000-gebied] ) ongeveer 1,3 kilometer is en er vanuit de woningen die eiseres in eigendom heeft bestaat geen zicht op dit Natura 2000-gebied, mede vanwege de (vele) tussenliggende bebouwing. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank geen verwevenheid tussen de belangen van eiseres bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het algemene natuurbelang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege de beroepsgrond over stikstof.



12.5.
Voor zover eiseres met deze beroepsgrond bedoelt te betogen dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en daarom is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling het volgende. Voor de inroepbaarheid van schending van een procedurele norm (zoals artikel 3:2 van de Awb) of de schending van een formeel beginsel van behoorlijk bestuur is het beschermingsbereik van de onderliggende materiële norm bepalend. De schending van procedurele normen of formele beginselen van behoorlijk bestuur kan bij de toepassing van artikel 8:69a van de Awb niet los worden gezien van de materiële normen waarop appellant zich beroept. Aan deze procedurele normen of formele rechtsbeginselen komt in zoverre geen zelfstandige betekenis toe. Nu de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de schending van ingeroepen materiële norm niet tot vernietiging van het bestreden besluit leidt, geldt dat ook voor de door eiseres gestelde schending van procedurele normen of formele beginselen van behoorlijk bestuur.



12.6.
De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom verder niet inhoudelijk bespreken.

Privaatrechtelijke belemmering

13. Eiseres betoogt dat zij in haar eigendomsrecht wordt aangetast. Volgens haar hebben de bouwtekeningen betrekking op onderdelen van haar dak, terwijl zij daar geen toestemming voor heeft gegeven. Verder betoogt eiseres dat ten onrechte geen twee meter afstand gehouden van haar eigendom. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om binnen deze twee meter vensters of andere muuropeningen te realiseren. Ook is het volgens het Burgerlijk Wetboek niet geoorloofd om hemelwater op andermans erf af te voeren.



13.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat zij het bouwplan moet beoordelen zoals dat is ingediend. Verder is volgens het college geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Voor wat betreft de schoorstenen wijst het college erop dat dit bestaande schoorstenen zijn, die worden doorgetrokken. Er wordt dus in de nieuwe situatie niet meer dakoppervlak van eiseres in gebruik genomen dan in de oude situatie. De overschrijving van de perceelsgrens op de begane grond is volgens het college een bestaande situatie, waaruit evenmin een evidente privaatrechtelijke belemmering blijkt. Ten slotte heeft het college toegelicht dat de hemelwaterafvoer niet via het dak van eiseres loopt en er geen sprake is van vensters of ramen die rechtstreeks uitzicht geven op het erf van eiseres.



13.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Zoals blijkt uit het juridisch kader in de bijlage dient het college uitsluitend te beoordelen of zich voor de gevraagde omgevingsvergunning één van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, moet de omgevingsvergunning worden verleend, als dat wel zo is, moet deze worden geweigerd. Een gestelde privaatrechtelijke belemmering kan alleen rol spelen bij een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning als het college ruimte heeft om een belangenafweging te maken. De rechtbank is van oordeel dat het college daar in dit geval geen ruimte voor heeft. Zoals hiervoor is overwogen, is de toevoeging van dakopbouwen niet in strijd met het bestemmingsplan, omdat de op grond van het bestemmingsplan geldende maximum bouw- en goothoogte niet wordt overschreden. Het bestreden besluit voorziet wel in afwijking van de Parapluherziening, omdat van de parkeernorm wordt afgeweken. De eiseres gestelde privaatrechtelijke belemmeringen houden evenwel geen verband met de afwijking van de Parapluherziening, zodat niet aan een belangenafweging wordt toegekomen. Overigens kan de rechtbank het college volgen in het standpunt dat de door eiseres gestelde belemmeringen niet wijzen op een evidente privaatrechtelijke belemmering.


13.3.
De beroepsgrond slaagt niet.


Het beroep tegen bestreden besluit II (SGR 23/953)



Parkeren

14. Ook in deze beroepsprocedure heeft eiseres de parkeerbehoefte van het bouwplan aan de orde gesteld. In dat verband betoogt zij met name dat voor de besluitvorming relevante gegevens worden gemanipuleerd. Dat blijkt volgens eiseres uit de wisselende data van de huurovereenkomsten.



14.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de tweede omgevingsvergunning geen parkeereis meebrengt, aangezien de parkeervraag ten opzichte van de bestaande situatie afneemt.


14.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Het college heeft toegelicht dat in de bestaande situatie een parkeervraag van 2,12 geldt, uitgaande van een parkeernorm van 0,5 per appartement voor bewoners en 0,10 voor bezoekers en een parkeerdruk van 90% voor bewoners en 80% voor bezoekers op het maatgevende moment: 0,5 x 4 appartementen = 2 voor bewoners, en 0,10 x 4 = 0,4 voor bezoekers (parkeerbehoefte totaal 2,4). De parkeervraag op het maatgevende moment is 2 x 0,9 = 1,8 voor bewoners, en 0,4 x 0,8 = 0,32 voor bezoekers (totaal: 2,12). Omdat het aantal vierkante meters per appartement is gewijzigd in de nieuwe situatie komt de parkeerbehoefte lager uit: 2 x 0,5 voor de twee appartementen met een oppervlakte van 40-70 m2, 1 x 0,75 voor het appartement met een oppervlakte van 70-100 m2, en 1 x 0,2 voor het appartement met ene oppervlakte van < 40 m2 (totaal 1,95 + 0,4 bezoekers = 2,35). De parkeervraag is 1,95 x 0,9 voor bewoners en 0,4 x 0,8 voor bezoekers, totaal 2,075. Dat is dus een beperkte afname ten opzichte van de bestaande situatie (= 2,12), waardoor de aan de tweede omgevingsvergunning verbonden parkeervraag nul parkeerplaatsen is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze berekening onjuist is of dat het college had moeten uitgaan van andere cijfers of normen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.



14.3.
Voor zover eiseres in dit beroep de huurovereenkomsten heeft betwist overweegt de rechtbank dat deze zijn geborgd in bestreden besluit I. Daarover heeft de rechtbank onder 8. van deze uitspraak een oordeel gegeven. Omdat het bestreden besluit II niet leidt tot een aanvullende parkeervraag ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college de huurovereenkomsten voor de garageboxen bij het nemen van dat besluit (opnieuw) had moeten beoordelen.



14.4.
De beroepsgrond slaagt niet.


Verkoop zonder onherroepelijke vergunning

15. Eiseres betoogt dat vergunninghoudster eerder heeft aangegeven dat de woningen alleen maar voor de verhuur zijn, maar inmiddels zijn ze allemaal al verkocht, zonder dat vergunninghoudster beschikt over een onherroepelijke omgevingsvergunning.



15.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat deze beroepsgrond ziet op de uitvoering van de vergunning en in zoverre niet relevant is voor de vraag of het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Afgezien daarvan is de rechtbank van oordeel dat geen publiekrechtelijke regel zich verzet tegen de verkoop van de appartementen zonder onherroepelijke omgevingsvergunning. Het college heeft er in dat verband terecht op gewezen dat het gegeven dat de omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is, niet betekent dat hij niet van kracht is.


Schade / overlast / intimidatie

16. Eiseres betoogt dat de bouwwerkzaamheden overlast veroorzaken en dat zij schade heeft geleden. Ook is over haar dak gelopen en werd zij geïntimideerd. Het college heeft daar ten onrechte niet tegen opgetreden.



16.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De door eiseres gestelde overlast en schade zien op de uitvoering van de omgevingsvergunning en kunnen niet leiden tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen.




Conclusie en gevolgen

17. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.












griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



BIJLAGE – juridisch kader

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk;
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;
[…].

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit 2012, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan, en (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo dient een aanvraag voor de activiteit ‘bouwen’, indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, mede aangemerkt te worden als een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo (strijdig gebruiken). De vergunning wordt slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
[…].

Ingevolge artikel 2.7 van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II (de zogeheten Kruimelgevallenregeling).

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf;
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2701, r.o. 2.2.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3919, r.o. 5.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5494, r.o. 5.1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2732, r.o. 9.3.


Zie de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 8.1 en 8.2.


Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5875, r.o. 5.3.
Link naar deze uitspraak