Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:3594 
 
Datum uitspraak:14-01-2026
Datum gepubliceerd:05-03-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 22/2675
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingsvergunning voor het bouwen van een opslagruimte; vrees voor wateroverlast bij bollenkwekerij; Bouwbesluit 2012; Goede ruimtelijke ordening; waterhuishoudkundig plan; beroep ongegrond
Trefwoorden:aanmerkelijk belang
bestemmingsplan
hoogheemraadschap
omgevingsvergunning
perceel
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 22/2675

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats 1], eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Lisse
(gemachtigde: mr. J.C.L. de Bruijn).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] B.V. uit [vestigingsplaats 2] vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. B.B. van Vliet).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van opslagruimte, het maken van een in- en uitrit en een erfafscheiding op het perceel [adres] in [plaats]. Eiseres is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Op 6 mei 2021 heeft de rechtsvoorganger van vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van opslagruimte, het maken van een in- en uitrit en een erfafscheiding op het perceel [adres] te [plaats]


2.1.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 3 september 2021 (het primaire besluit) verleend. De verleende omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen’, ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ en ‘het maken, hebben of veranderen van een uitweg’. Omdat het bouwplan wegens overschrijding van het bouwvlak en de maximum bouwhoogte in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan is op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) een zogenaamde kruimelvrijstelling verleend.



2.2.
Met het besluit van 17 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van bezwaarmakers, waaronder eiseres, gegrond verklaard en een nieuw besluit genomen. Met inachtneming van een wijziging van de aanvraag, waarbij de totale bouwhoogte is verlaagd van zeven meter naar vier meter hoog en het hemelwater middels infiltratiekratten op het terrein zal worden afgevoerd, is de verleende omgevingsvergunning aangepast, waarin de hemelwaterafvoer middels infiltratiekratten is vastgelegd.



2.3.
Eiseres is de eigenares van een teeltperceel dat grenst aan het perceel van vergunninghoudster en 45 centimeter lager ligt dan dit perceel. Eiseres heeft een constante grondwaterstand nodig voor haar teeltperceel. Dat lukt volgens haar niet onder de verleende omgevingsvergunning. Zij heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.4.
Op 14 februari 2023 heeft de rechtsvoorganger van vergunninghoudster opnieuw een aanvraag ingediend voor het wijzigen van de verleende omgevingsvergunning door het infiltratiesysteem te wijzigen.



2.5.
Met het besluit van 6 april 2023 (wijzigingsbesluit I) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De afwatering van het hemelwater middels infiltratiekratten wordt op deze manier gewijzigd naar een infiltratiesysteem met Rockflow. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op dit wijzigingsbesluit.



2.6.
Met het besluit van 23 december 2024 (wijzigingsbesluit II) heeft het college de verleende omgevingsvergunning opnieuw gewijzigd. Het college heeft met dit besluit op de nogmaals gewijzigde aanvraag van vergunninghoudster de omgevingsvergunning aangepast door de hemelwaterafvoer middels infiltratiekratten te vervangen door hemelwaterafvoer overeenkomstig het waterhuishoudkundig plan van Nepocon van 1 augustus 2024. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op dit wijzigingsbesluit.



2.7.
Eiseres heeft tegen beide wijzigingsbesluiten gronden aangevoerd. Het beroep van eiseres richt zich voornamelijk tegen de waterafvoer op het perceel en de gestelde negatieve gevolgen daarvan voor haar perceel.



2.8.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere stukken overgelegd



2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens eiseres, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3], [naam 4] en [naam 5], [naam 6] namens vergunninghoudster en de gemachtigde van vergunninghoudster.






Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.


Voorbereidingsprocedure


4. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure. Eiseres voert hiertoe aan dat het college het bestreden besluit vanwege de initieel aangevraagde bouwhoogte van 7 meter met de uitgebreide voorbereidingsprocedure had moeten voorbereiden, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II bij het Bor en geen kruimelvrijstelling had kunnen worden verleend.



4.1.
De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of de wijziging van ondergeschikte aard is, het antwoord op de vraag of de ruimtelijke uitstraling van het oorspronkelijke bouwplan verandert en daarmee ook de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw, belangrijk is. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet moet per concreet geval beoordeeld worden. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan gesproken kan worden, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.



4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat de wijziging van de aanvraag gedurende de bezwaarprocedure een wijziging van ondergeschikte aard betreft. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat de wijziging ziet op het verlagen van de bouwhoogte van het kantoorgedeelte aan de voorzijde en dat dit kantoorgedeelte in relatie tot de gehele bedrijfshal van beperkte omvang is. Nu het gebouw voor het overige ongewijzigd blijft is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard. Het toen beoogde infiltratiesysteem zou onder de grond worden aangelegd en heeft daarom nauwelijks ruimtelijke uitstraling. Nu sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard en het gewijzigde bouwplan met een bouwhoogte van vier meter voldoet aan de vereisten van artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II bij het Bor was het college bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo een kruimelvrijstelling te verlenen en heeft het college het bestreden besluit kunnen voorbereiden met de reguliere voorbereidingsprocedure. Het betoog slaagt niet.




Horen


5. Eiseres betoogt dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Omdat het college naar aanleiding van een bericht van de bezwarencommissie gedurende de bezwaarprocedure het standpunt innam dat geen kruimelvrijstelling kon worden verleend en dus de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden, is de hoorzitting geannuleerd. Nu het bestreden besluit uiteindelijk toch met de reguliere voorbereidingsprocedure is voorbereid en de omgevingsvergunning met kruimelvrijstelling op basis van de gewijzigde aanvraag aangepast in stand is gelaten, had het college eiseres alsnog moeten horen.



5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat bezwaarmakers wel zijn gehoord omdat gezamenlijk over oplossingen met betrekking tot de waterafvoer is nagedacht.



5.2.
Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.



5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank had het college eiseres in het licht van het voorgaande voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit op grond van artikel 7:9 van de Awb de gelegenheid moeten bieden om over het gewijzigde bouwplan te worden gehoord. Het betoog van eiseres slaagt. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Eiseres heeft in beroep tegen het bestreden besluit alsnog de gelegenheid gehad om haar standpunten naar voren te brengen en zij heeft dat ook gedaan. Bovendien is de wijziging met betrekking tot de afvoer van hemelwater middels infiltratiekratten op het terrein niet meer aan de orde. Eiseres is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet benadeeld door het achterwege laten van een hoorzitting.


Wijzigingen


6. Voor zover eiseres betoogt dat dat het niet is toegestaan dat vergunninghoudster en het college diverse aanvragen indienen en goedkeuren, zodat het bouwplan alsnog wordt toegestaan, overweegt de rechtbank dat begrijpelijk is dat de vele wijzigingen verwarrend zijn. Eiseres is echter niet processueel benadeeld, omdat zij continu gronden heeft kunnen aanvoeren tegen de wijzigingsbesluiten. Uit het feit dat eiseres dat ook continu heeft gedaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank bovendien dat de strekking van de wijzigingen voor eiseres voldoende duidelijk was. Ook overigens overweegt de rechtbank dat de wijzigingen er ook deels op gericht waren om eiseres tegemoet te komen. Het betoog slaagt niet.


De vrees voor wateroverlast


7. Eiseres betoogt dat het college met het bestreden besluit ten onrechte is afgeweken van de planregels over het bouwoppervlak, omdat het college op grond van artikel 15.3.1, derde lid van de planregels alleen mag afwijken van het bestemmingsplan indien de omliggende (agrarische) bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Volgens eiseres wordt zij door het bouwplan onevenredig in haar bedrijfsvoering beperkt, nu de afvoer van het hemelwater niet goed is geregeld met de uitvoering van het waterhuishoudkundig plan van Nepocon. Een groot deel van het regenwater zal afvloeien naar haar lagergelegen land, waardoor dit regelmatig onder water zal komen te staan en bollen verrotten. In perioden van droogte treedt ook verdroging op.


Bouwbesluit 2012


8. Het Bouwbesluit 2012 geeft in afdeling 6.4 voorschriften over de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater bij nieuwbouw en bestaande bouw. In artikel 6.15 staat dat een bouwwerk een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater heeft dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd. Daaronder valt ook dat de afvoer geen onevenredige overlast veroorzaakt op naburige percelen.



8.1.
De toets die het college moet uitvoeren is een aannemelijkheidstoets. Bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit komt verweerder beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan. Een handhavings- en legalisatietraject waarin eerst een bouwwerk wordt gerealiseerd en pas daarna daarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, vormt geen bijzondere omstandigheid die noopt tot afwijking van het beleid van beperkte toetsing aan het Bouwbesluit. Als echter gemotiveerd wordt gesteld dat het bouwwerk niet aan het Bouwbesluit voldoet, kan niet langer zonder nadere toetsing en motivering aannemelijk worden geacht dat het bouwplan daaraan voldoet.


Goede ruimtelijke ordening


9. Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen ‘Landelijk gebied’ (het bestemmingsplan) en het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren Lisse’. De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de enkelbestemming ‘Bedrijf’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 4’. Vaststaat en niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat een deel van het gebouw buiten bouwvlak ligt en dit in strijd is met artikel 15.2, onder a van het bestemmingsplan.



9.1.
Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit 2012, (b) strijd met de bouwverordening (c) strijd met het bestemmingsplan, of (d) strijd met redelijke eisen van welstand.



9.2.
Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op het afwijken van het bestemmingsplan, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.



9.3.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

10. Het college stelt zich op het standpunt dat met het aan de omgevingsvergunning toegevoegde (gewijzigde) voorschrift, inhoudende dat afwatering dient plaats te vinden overeenkomstig het waterhuishoudkundig plan van Nepocon, voldoende aannemelijk is dat de hemelwaterafvoer voldoet aan de bepalingen van afdeling 6.4. van het Bouwbesluit en dat geen sprake is van nadelige gevolgen in de vorm van wateroverlast op het perceel van eiseres. Het college stelt zich op basis daarvan evenzeer op het standpunt dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.



10.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college volgens vaste rechtspraak aan een advies van een deskundige in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Dit is anders indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college het niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel ten grondslag heeft mogen leggen. Het overnemen van een advies behoeft in beginsel dan ook geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.



10.2.
Het waterhuishoudkundig plan van Nepocon van 1 augustus 2024 houdt in dat terreinbestrating wordt aangebracht met afschot naar straatkolken, waar het hemelwater via een pijp wordt afgevoerd naar een nieuw gegraven vijver. Vanuit de vijver kan water in de bodem worden opgenomen en bij een hogere waterstand met een pomp en een geboorde pijp worden afgevoerd naar de sloot aan de Achterweg -Zuid. Ondergrondse waterstromen vanaf het perceel naar andere percelen wordt voorkomen door het aanbrengen van vijverfolie langs de Akervoorderlaan en aanleg van een drain langs de Akervoorderlaan en aan de oostzijde van het perceel. Om het verschil in maaiveldhoogte tussen dit perceel en het oostelijk gelegen buurperceel van eiseres op te vangen en doorsijpelen van regenwater te beperken is langs de perceelgrens aan de oostzijde een keerwand en drain ontworpen. Aldus wordt, volgens het waterhuishoudkundig plan, ook na enkele dagen neerslag een stabiele – en voor het gebied representatieve – grondwaterstand van NAP -0,80 behouden.



10.3.
Volgens eiseres is het waterhuishoudkundig plan incorrect en onvolledig. De afvoerbuizen hebben een te kleine diameter. Hierdoor kan het water niet snel genoeg worden weggepompt. Het wegpompen van hemelwater heeft een negatief effect op het grondwaterpeil van ons land. Het tracé van afvoer naar de Akervoorderlaan is lang, zal overlast geven en is duur. De vijver is niet aangevraagd bij het Hoogheemraadschap van Rijnland en de geplande keerwanden zijn te laag, hierdoor loopt water naar haar lagergelegen land. Het valt eiseres verder op dat er wel waterwerend doek als afscheiding naar de polder wordt aangebracht maar niet naar de afscheiding naar lagergelegen land. Hierdoor ontstaat onderstroming. Zij wijst er verder op dat de bouwhoogte van het complex en het buitenterrein hoger is dan de oorspronkelijke maaiveldhoogte en vraagt zich af hoe wordt gemonitord op haar lagergelegen perceel.



10.4.
Nepocon heeft op 13 juli 2025 schriftelijk op deze gronden gereageerd. Nepocon geeft gemotiveerd aan dat de diameter van de persleiding voldoende is om de pompcapaciteit te verwerken. Het wegpompen van hemelwater heeft geen negatief effect op het grondwaterpeil op het perceel van eiseres. Het aangelegde systeem, bestaande uit een combinatie van waterberging in een vijver, drainage en een gemaal, zorgt juist voor een stabiele grondwatersituatie vergelijkbaar met de huidige optredende grondwaterstand (nu reeds 2 jaar gemeten). De aanleg van de persleiding leidt niet tot grote overlast door de beperkte aanlegdiepte en snelle voortgang van het werk. De vijver maakt wel degelijk deel uit van de afgegeven omgevingsvergunning. De keerwanden zijn niet te laag. Ze zijn boven straatniveau afgewerkt, waardoor geen sprake is van afstroming van regenwater naar het perceel van eiseres. De bouwhoogte van het complex en het buitenterrein heeft geen invloed op de waterhuishouding. Om het risico van aflopen van water naar het terrein van eisers te voorkomen is de terreininrichting aangepast, zodat het water te allen tijde naar de vijver loopt. Monitoring vindt plaats door middel van meting (sinds december 2023) via een peilbuis op het terrein van vergunninghouder. Deze peilbuis geeft een goede indicatie van eventuele wijzigingen in de grondwaterstand die kunnen worden door vertaald naar het terrein van eiseres.



10.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op basis van het onderzoek van Nepocon van 1 augustus 2024 op het standpunt kunnen stellen dat er met de uitvoering van het daarin beschreven waterhuishoudkundig plan als gevolg van het vergunde bouwplan geen wateroverlast op de gronden van eiseres is te verwachten. In hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college het niet, of niet zonder meer, aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Nepocon heeft de ingediende gronden tegen het waterhuishoudkundig plan van Nepocon in haar reactie van 13 juli 2025 afdoende gemotiveerd weerlegd. Eiseres heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd waarmee het onderzoek van Nepocon wordt weersproken. Uit de nadere analyse van Nepocon van 6 november 2025 blijkt ook dat het aangelegde watersysteem goed functioneert en dat het systeem leidt tot een stabiele grondwatersituatie. Bovendien heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland goedkeuring gegeven aan dit waterhuishoudkundig plan. Ter zitting heeft de deskundige van Nepocon gereageerd op het betoog van eiseres dat zij last van droogte ondervindt door het bouwplan en meer specifiek door verdamping in de vijver. De deskundige van Nepocon heeft gemotiveerd toegelicht dat het bouwplan en verdamping in de vijver zeer beperkte gevolgen hebben voor het teeltperceel van eiseres. De rechtbank stelt vast dat eiseres ook op dit punt geen deskundig tegenbewijs heeft aangevoerd.
Bovendien heeft eiseres ter zitting erkend dat zij een drainagesysteem heeft en dat zij daarmee haar eigen grondwaterstand kan bepalen. Eiseres heeft ook ter zitting erkend dat zij tijdens de droogteperiode de beregening heeft weggehaald en pas terug heeft gehaald toen al sprake was van droogte.
Het betoog slaagt niet.



10.6.
De conclusie van het voorgaande is dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat met het aan de omgevingsvergunning toegevoegde (gewijzigde) voorschrift dat afwatering dient plaats te vinden overeenkomstig het waterhuishoudkundig plan van Nepocon voldoende aannemelijk is dat de hemelwaterafvoer voldoet aan de bepalingen van afdeling 6.4. van het Bouwbesluit. Het college kon zich is op basis daarvan evenzeer op het standpunt stellen dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen eisers verder hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Het betoog slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat toepassing wordt gegeven aan artikel 6:22 van de Awb, moet het college het griffierecht vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden.






Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht


Als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2375.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1155.
Link naar deze uitspraak