Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:3648 
 
Datum uitspraak:05-01-2026
Datum gepubliceerd:05-03-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/688752 / HA RK 25-36 C/09/688752 / HA RK 25-36
Rechtsgebied:Burgerlijk procesrecht
Indicatie:Verzoek tot inzage in stukken in verband met de afwikkeling van een nalatenschap. Afgewezen. Subsidiaire verzoek verwezen naar de kantonrechter.
Trefwoorden:erfgenamen
testament
vaststellingsovereenkomst
wettelijke verdeling
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/688752 / HA RK 25-364


Beschikking van 5 januari 2026 (bij vervroeging)


in de zaak van




1. [verzoekster 1] te [woonplaats 1] ,2. [verzoekster 2] te [woonplaats 2] ,3. [verzoekster 3] te [woonplaats 3] ,
verzoeksters,
hierna samen te noemen: verzoeksters,
advocaat: mr. S.P. Koerselman,

tegen



[verweerder]
te [woonplaats 4] ,
verweerder,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. P.G. Knoppers en mr. R. Swager.




1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:


het op 16 juli 2025 ontvangen verzoekschrift, met producties 1 tot en met 4;


de e-mails van mr. Swager en mr. Koerselman van 9 september 2025;


de e-mail van mrs. Knoppers en mr. Swager van 10 september 2025;


de e-mail van mr. Koerselman van 12 september 2025;


de e-mail van mr. Koerselman van 25 november 2025, met producties 5 en 6;


de e-mails van mr. Koerselman van 3 december 2025.





1.2.
Op 4 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van deze zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben mrs. Knoppers en Swager bezwaar gemaakt tegen de door mr. Koerselman op 3 december 2025 ingediende producties 7 tot en met 11, gelet op het late tijdstip van indiening ervan. De rechtbank heeft geconstateerd dat deze producties zonder goede reden buiten de daarvoor bestemde termijn zijn ingediend. Deze producties worden daarom buiten beschouwing gelaten en maken geen deel uit van het procesdossier.



1.3.
Vervolgens is beschikking bepaald op 15 januari 2026. De beschikking wordt bij vervroeging vandaag uitgesproken.






2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.


2.1.
Verzoeksters zijn samen met [naam] (hierna: [naam] ) erfgenamen in de nalatenschap van hun moeder, [de erflaatster] (hierna: erflaatster), die op [datum] 2014 is overleden. Ten tijde van haar overlijden was erflaatster in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met de vader.



2.2.
Bij testament van 7 februari 2011 heeft erflaatster over haar nalatenschap beschikt. Daarin zijn de vader voor 1% en alle vier de kinderen (hierna: de kinderen) voor 99% tot erfgenaam benoemd. Alle erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. Erflaatster heeft de vader benoemd tot executeur.



2.3.
De vader heeft gebruikt gemaakt de in het testament geboden mogelijkheid om een quasi-wettelijke verdeling op te stellen, waarbij de goederen uit de nalatenschap aan zichzelf zijn toebedeeld en de kinderen als gevolg daarvan een niet-opeisbare vordering op de vader hebben uit hoofde van hun aandeel in de nalatenschap van erflaatster.



2.4.
Bij het opstellen van de quasi-wettelijke verdeling en het berekenen van de vorderingen van de kinderen op de vader uit hoofde van de nalatenschap zijn twee notarissen betrokken geweest: mr. [notaris 1] (hierna: [notaris 1] ) en mr. [notaris 2] (hierna: [notaris 2] ).



2.5.
Op 11 maart 2016 is een door [notaris 1] opgestelde verdelingsakte gepasseerd. De hoogte van de niet-opeisbare vorderingen van de kinderen is in deze akte leeg gelaten, omdat hierover geen overeenstemming bestond tussen de vader en de kinderen. Volgens een door [notaris 1] op 7 juli 2016 opgestelde conceptakte ‘constatering vaststelling geldvorderingen’ worden de niet-opeisbare vorderingen van de kinderen op de vader voor ieder van hen berekend op een bedrag van € 62.777,13.



2.6.
Op 15 april 2019 heeft notaris [notaris 2] op verzoek van de erfgenamen een conceptboedelbeschrijving en akte vaststelling erfdelen aan de vader en de kinderen toegezonden. De (niet-opeisbare) vorderingen van de kinderen op de vader uit hoofde van de nalatenschap worden berekend op een bedrag van € 6.470,66.



2.7.
Naar aanleiding van de lagere waardering van de vorderingen van de kinderen heeft de vader elk van de kinderen aangeboden hun vorderingen vast te stellen op een bedrag van € 25.733,59. [naam] is op dit aanbod ingegaan en de vader en [naam] hebben in dat kader op 10 mei 2019 een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten. Verzoeksters hebben het aanbod van de vader niet geaccepteerd.



2.8.
Bij brief van 30 juni 2025 heeft de advocaat van verzoeksters een grote hoeveelheid documenten opgevraagd bij de advocaat van de vader. Naar aanleiding van deze brief heeft er op 15 juli 2025 telefonisch contact plaatsvonden tussen de advocaten van partijen, waarbij de advocaat van de vader kenbaar heeft gemaakt dat hij een bodemprocedure zal starten bij de kantonrechter waarin een vaststelling van de (niet opeisbare) vorderingen van verzoeksters op de vader zal worden gevorderd. Vervolgens heeft de vader op 16 juli 2025 de dagvaarding in de bodemprocedure aan verzoeksters doen betekenen. Op diezelfde dag is het verzoekschrift waarmee onderhavige procedure is ingeleid ter griffie van deze rechtbank ontvangen.



2.9.
In de door de vader aanhangig gemaakte bodemprocedure, met zaak- en rolnummer 11804010 CV EXPL 25-2331, hebben verzoeksters (in die procedure de gedaagde partijen) een tweetal incidenten opgeworpen: het eerste strekt tot aanhouding van die zaak in afwachting van onderhavige procedure, het tweede strekt tot verwijzing van de bodemprocedure naar de rechtbank. Op deze incidentele vorderingen was ten tijde van de mondelinge behandeling in deze verzoekschriftprocedure nog niet beslist.





3Het verzoek en het verweer


3.1.
Verzoeksters vragen de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:


primair: de vader te bevelen binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking de in het verzoekschrift vermelde documenten te verstrekken, op straffe van een dwangsom;


subsidiair: voor het geval de vader nalaat binnen voornoemde termijn de gevraagde documenten te verstrekken, ambtshalve een notaris aan te wijzen die een volledige boedelbeschrijving zal opstellen, waarbij de vader wordt bevolen alle medewerking te verlenen en alle benodigde informatie aan voornoemde notaris te verstrekken binnen één week na diens verzoek daartoe alsmede de kosten van de aan te wijzen notaris te dragen en diens factuur(en) binnen de gestelde termijn te betalen, alles op straffe van een dwangsom.


Tot slot verzoeken verzoeksters de vader te veroordelen in de proceskosten.



3.2.
Aan het verzoek hebben verzoeksters het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeksters hebben er belang bij om de langlopende kwestie met de vader over de nalatenschap van erflaatster af te wikkelen. Om dat te bereiken is een juiste waardering van de vorderingen van verzoeksters op de vader nodig, die is tot nu toe nooit tot stand gekomen. Om tot een correcte, transparante en rechtsgeldige afwikkeling van de nalatenschap te kunnen komen moeten verzoeksters beschikken over alle daarvoor benodigde documentatie. Omdat de vader geen gehoor heeft gegeven aan hun verzoeken om informatie en weigert mee te werken aan een juiste verdeling, zien verzoeksters geen andere mogelijkheid dan de rechtbank te verzoeken de vader te bevelen deze stukken te verstrekken. Zou de vader nalaten aan dit bevel te voldoen, dan hebben verzoeksters er recht op en belang bij dat er een notaris wordt aangewezen om een boedelbeschrijving op te stellen.



3.3.
De vader verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Dat verweer wordt, voor zover relevant, hierna bij de beoordeling besproken.





4De beoordeling


Ontvankelijkheid van het primaire verzoek



4.1.
Het door verzoeksters gedane primaire verzoek moet worden aangemerkt als een voorlopige bewijsverrichting. Anders dan verzoeksters hebben betoogd, biedt artikel 4:148 BW geen rechtsgrond voor een informatieverzoek zodat het verzoek alleen kan steunen op artikel 195 Rv. Op zichzelf is het juist dat artikel 195 Rv in de eerste plaats betrekking heeft op een informatieverzoek tijdens een lopende procedure. Op grond van de schakelbepaling in artikel 204 Rv zijn de bepalingen over het inzagerecht, waaronder artikel 195 Rv, van overeenkomstige toepassing op een informatieverzoek voorafgaand aan een procedure. Een informatieverzoek voorafgaand aan een procedure heeft te gelden als een voorlopige bewijsverrichting in de zin van artikel 196 Rv. De rechtbank merkt het primaire verzoek daarom aan als een voorlopige bewijsverrichting.



4.2.
Het verzoek is tijdig ingediend. Volgens artikel 196 lid 1 Rv kan een voorlopige bewijsverrichting worden verzocht zolang een procedure over een geschil nog niet bij de rechter aanhangig is gemaakt of, als een procedure al aanhangig is gemaakt, zolang de zaak nog niet op de rol van het gerecht is ingeschreven en door het gerecht wordt behandeld. Op de dag van indiening van het verzoekschrift, 16 juli 2025, was de bodemprocedure nog niet ingeschreven op de rol of in behandeling genomen door de kantonrechter. Dat betekent dat, los van de wenselijkheid daarvan (waarover hierna meer), verzoeksters op deze datum het informatieverzoek konden doen. Verzoeksters zijn daarom ontvankelijk in hun primaire verzoek en de rechtbank zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.


Het verzoek tot inzage en afgifte van documenten




4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het primaire verzoek van verzoeksters op gespannen voet staat met de goede procesorde. Daartoe is het volgende redengevend.



4.4.
Verzoeksters stellen dat zij de verzochte informatie nodig hebben om tot een correcte afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster te kunnen komen. Als verweer tegen het verzoek voert de vader onder meer aan dat verzoeksters er vóór de indiening van het verzoekschrift al van op de hoogte waren dat de dagvaardingen waarmee de bodemprocedure in zou worden geleid bij de deurwaarder waren aangeboden. Volgens de vader levert het alsnog indienen van het verzoek met als doel de bodemprocedure te saboteren strijd met de goede procesorde op als bedoeld in artikel 196 lid 2 sub c Rv.



4.5.
Het verweer van de vader slaagt. Door de advocaat van verzoeksters is niet betwist dat zij voor de indiening van het verzoekschrift wist dat de bodemprocedure aanstaande was en de deurwaarder al in bezit was van de uit te brengen dagvaardingen. Verder is van belang dat erflaatster elf jaar geleden is overleden en verzoeksters pas dit jaar, vlak voor de start van de bodemprocedure, (een enorme hoeveelheid) informatie hebben opgevraagd bij de vader. Dat verzoeksters al langer om deze stukken hebben verzocht wordt door de vader betwist en hebben verzoeksters niet kunnen toelichten. Daarnaast lijken verzoeksters weinig aandacht te hebben besteed aan het opstellen met de lijst van verlangde documentatie. Zij vragen ook om stukken waarover zij al beschikken (zoals de verschillende taxaties) en bescheiden waarvan zij niet zeker weten of deze bestaan, en waarvan de vader het bestaan heeft betwist (zoals het overzicht van de gras-, voer- en strovoorraad op 15 maart 2014). Onder deze omstandigheden komt het verzoek in strijd met de goede procesorde. Van verzoeksters mag verwacht worden dat zij een (zorgvuldig samengestelde) opsomming van voor de berekening van de vordering benodigde – bij hen nog ontbrekende – stukken (bij incidentele vordering) voorleggen in de bodemprocedure. In het licht van de door de vader ingestelde vordering in die procedure kan de kantonrechter (beter) beoordelen in hoeverre gewenste informatie in redelijkheid relevant kan zijn voor verzoeksters.


Het verzoek tot benoeming van een notaris




4.6.
Omdat het primaire verzoek is afgewezen zal de rechtbank het subsidiaire verzoek beoordelen. Dat verzoek strekt tot het aanwijzen van een notaris die een volledige boedelbeschrijving zal opstellen. De vader voert terecht aan dat een dergelijk verzoek op grond van artikel 672 Rv aan de kantonrechter dient te worden gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid tot verwijzen naar de kantonrechter aan partijen voorgehouden, waarop de advocaat van verzoeksters heeft laten weten het verzoek te handhaven.



4.7.
Gelet op het bepaalde in artikel 672 Rv de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd is om te beslissen op het subsidiaire verzoek, is de rechtbank niet bevoegd om van dat verzoek kennis te nemen. Daarom zal de rechtbank de procedure op grond van artikel 71 lid 2 Rv verwijzen naar de kantonrechter bij deze rechtbank, Team Kanton Gouda.


Proceskosten




4.8.
Omdat het subsidiaire verzoek wordt verwezen komt de rechtbank niet toe aan een beslissing over de proceskostenveroordeling. Dit oordeel zal worden overgelaten aan de kantonrechter.





5De beslissing

De rechtbank


ten aanzien van het primaire verzoek:



5.1.
wijst het verzoek af;


ten aanzien van het subsidiaire verzoek:




5.2.
verwijst het verzoek in de stand waarin deze zich bevindt naar de kantonrechter bij deze rechtbank, Team Kanton Gouda;



5.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en (bij vervroeging) in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2026.2184
Link naar deze uitspraak