|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:405 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 24/3137 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Weigering omgevingsvergunning voor het plaatsen van een bouwkeet. Bouwwerk niet vergunningvrij. Binnenplanse afwijking niet mogelijk. Beroep op het overgangsrecht. Beroep op het gelijkheidsbeginsel. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | bouwvergunning | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | varkensstallen | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3137
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: ing. [naam 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg
(gemachtigde: [naam 2] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor een bouwkeet. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 11 oktober 2023 heeft het college eisers aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een bouwkeet voor de duur van maximaal 5 jaar op de [adres] in [plaats] geweigerd. Met het bestreden besluit van 13 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij het besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld, tegelijk met het beroep in de zaak SGR 23/4563. In die zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
2.4.
Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, en gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 3] en [naam 4].
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 7 juli 2023
Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. In het besluit van 22 juli 1974 heeft het college een bouwvergunning verleend aan de toenmalige eigenaar van het perceel [perceel 1] in [plaats] voor het oprichten van twee varkensstallen nabij de woning op het perceel. De toenmalige eigenaar heeft destijds maar één varkensstal (stal 1) gerealiseerd. Het perceel [perceel 1] is later opgesplitst. Het perceel waarop stal 1 staat is genummerd naar [perceel 2] (het perceel). Eiser is sinds 17 september 2015 eigenaar van het perceel. In het besluit van 18 oktober 2022, gehandhaafd in het besluit van 28 juni 2023, heeft het college de bouwvergunning gedeeltelijk ingetrokken, namelijk voor zover het betreft de bouw van
stal 2.
4.1.
Het college heeft controles uitgevoerd op het perceel en die hebben geleid tot het nemen van het besluit van 1 december 2022, waarbij lasten onder dwangsom zijn opgelegd aan eiser en zijn partner. Daarin is onder meer vermeld dat eiser het bouwwerk dat hij nu als bouwkeet benoemt en dat toen al op het perceel stond, moet verwijderen.
4.2.
Op 7 juli 2023 heeft eiser een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van een bouwkeet op het perceel voor de duur van maximaal vijf jaar. Op dat moment stond de bouwkeet nog steeds op het perceel. De aanvraag betreft de activiteiten “bouwen van een bouwwerk” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en “gebruik in strijd met de regels van het bestemmingsplan” als vermeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
4.3.
In het besluit van 11 oktober 2023, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Het college stelt zich op het volgende standpunt. De intrekking van het deel van de bouwvergunning uit 1974, voor zover het betreft stal 2, staat hier niet ter discussie. Het bouwwerk is niet vergunningvrij, omdat het niet voldoet aan de vereisten van artikel 2, lid 20 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het heeft immers geen relatie met een bouw- of sloopactiviteit op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd. Het perceel heeft op grond van artikel 6.1.1 van de regels bij bestemmingsplan Landelijk Gebied de bestemming “Agrarisch met waarden – Landshapswaarden en is bedoeld voor agrarische bedrijfsvoering. Het bouwwerk is in strijd met de artikelen 6.1.1 sub a en 6.2.1 van de planregels, omdat geen sprake is van agrarische bedrijfsvoering. Het college kan niet op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1 van de Wabo in samenhang met artikel 6.4.1 van de planregels (binnenplans) afwijken van artikel 6.2 van de planregels, omdat het bouwwerk niet kan worden aan gemerkt als agrarisch hulpgebouw nu er geen sprake is van agrarische bedrijfsvoering. Afwijken van het bestemmingsplan is overigens niet mogelijk omdat niet voldaan is aan het vereiste in artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. De bouwkeet suggereert een ontwikkeling die niet inpasbaar is. Het voornemen is geen onderdeel van een agrarische bedrijfsvoering en heeft geen relatie met het omliggende weidegebied. Het heeft daarbij een storende werking op de kenmerkende gebiedstypologie van het landelijk gebied. Het buitengebied van de gemeente kenmerkt zich door duidelijk begrensde, agrarische, erven met daaromheen “een open groen weidelandschap”. Deze kenmerken worden als waardevol beschouwd en zijn bepalend voor het langgerekte slagenlandschap. Het beleid van het college is er dan ook op gericht het open weidegebied zoveel mogelijk open te houden en daarmee verrommeling die de kwaliteit van het landschap aantast tegen te gaan.
Toetsingskader
5. Ter plaatse van het perceel waarop het bouwwerk is gelegen geldt het bestemmingplan Landelijk Gebied.
5.1.
De grond waarop het aangevraagde bouwwerk staat heeft daarin de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden (AW-L).
5.2.
In artikel 6.1.1 aanhef en onder a, van de planregels is bepaald dat de voor AW-L aangewezen gronden bestemd zijn voor de instandhouding en ontwikkeling van agrarische gronden ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven, gevestigd op de voor “Agrarisch” aangewezen gronden met bijbehorende bouwpercelen.
5.3.
In artikel 6.2.1 van de planregels is bepaald dat op deze gronden, met inachtneming van het bepaalde in lid 6.2.2 tot en met lid 6.2.4, uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van en noodzakelijk voor de bestemming dan wel (agrarische) bedrijfsvoering mogen worden gebouwd.
5.4.
In artikel 6.4.1 van de planregels is bepaald dat het college bij een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 6.2 voor het bouwen op deze gronden van agrarische hulpgebouwen.
5.5.
In artikel 2, lid 20, van Bijlage II van het Bor is bepaald – voor zover hier van belang - dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wabo niet is vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een bouwkeet die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd.
Bouwwerk niet vergunningvrij
6. Eiser stelt dat het bouwwerk voldoet aan de vereisten vermeld in artikel 2, lid 20, van Bijlage II van het Bor. Er mag gebouwd worden en er wordt gebouwd aan stal 2. Het bouwwerk is een bouwkeet die er tijdelijk op het perceel staat, ten behoeve van de bouw van stal 2. De bouwkeet staat er dan ook legaal.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de bouwvergunning uit 1974, voor zover het betreft de bouw van stal 2, is ingetrokken. Dat betekent dat stal 2 niet gebouwd mag worden. Daarbij is van belang dat dat besluit in de beslissing op bezwaar van 28 juni 2023 is gehandhaafd. In de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026 in het beroep met zaaknummer 23/4563 is eisers beroep tegen die beslissing op bezwaar ongegrond verklaard en is de beslissing op bezwaar in stand gebleven.
6.2.
Aangezien stal 2 niet gebouwd mag worden, is er ook geen bouwkeet mogelijk ten behoeve van de bouw van stal 2. Niet voldaan is aan het vereiste in artikel 2, lid 20 van Bijlage II van het Bor dat het bouwwerk functioneel is voor een bouwactiviteit. Uit luchtfoto’s van het college blijkt bovendien dat het bouwwerk al sinds 2016 op het perceel staat, zodat het bouwwerk ook niet tijdelijk op het perceel staat. Eisers betoog slaagt niet.
Binnenplanse afwijking niet mogelijk
7. Eiser voert aan dat het college ten onrechte niet op grond van artikel 6.4.1, onder a, van de planregels is afgeweken van het bestemmingsplan, omdat het bouwwerk is aan te merken als een agrarisch hulpgebouw.
7.1.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat het niet mogelijk is om van het bestemmingsplan af te wijken op grond van artikel 6.4.1 van de planregels. In artikel 6.4.1, onder a, van de planregels is bepaald dat het om een agrarisch hulpgebouw moet gaan, terwijl het bouwwerk volgens eiser niet een agrarisch hulpgebouw maar een bouwkeet is. Ook kan het bouwwerk niet als agrarisch hulpgebouw worden aangemerkt omdat geen sprake is van agrarische bedrijfsvoering zodat het bouwwerk niet een gebouw is ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Er is namelijk geen sprake van een agrarisch bedrijf, zo is overwogen in de uitspraak van heden met zaaknummer SGR 23/4563. Overigens heeft het college uitgebreid onderbouwd dat, indien wel sprake zou zijn van een agrarisch hulpgebouw, die binnenplanse afwijking ook niet mogelijk is vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft voldoende onderbouwd waarom zij de aanwezigheid van dit bouwwerk niet wenselijk vindt op deze locatie. Het betoog van eiser slaagt niet.
Beroep op het overgangsrecht
8. Voor zover eiser zich beroept op het overgangsrecht en het niet opnemen van een bouwvlak voor stal 2 in het bestemmingsplan, overweegt de rechtbank dat het betoog van eiser niet slaagt omdat eiser het bouwwerk in 2016 heeft gebouwd en dat is na inwerkingtreding van het bestemmingsplan in 2012. Het betoog van eiser slaagt dan ook niet.
Beroep op het gelijkheidsbeginsel
9. Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser verwijst daarbij naar de besluiten van het college van 3 juli 2012 en 17 december 2012. Hij heeft deze besluiten bijgevoegd.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Allereerst overweegt de rechtbank dat eiser het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gemotiveerd. Verder zijn de besluiten van 3 juli 2012 en 17 december 2012 waarnaar in dat kader verwijst afwijzingen van verzoeken om handhaving, terwijl het in dit geval gaat om de weigering van een aangevraagde omgevingsvergunning. Ook betreft het andere, niet vergelijkbare bouwwerken.
Aanvraag omgevingsvergunning voor samenvoegen en verkleinen van het bouwplan
10. Eiser voert aan dat hij op 21 september 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend voor het samenvoegen en verkleinen van het in 1974 vergunde bouwplan. Hiermee wordt een gunstiger bedrijfsvoering beoogd, en ook een planologisch gunstiger situatie door het bouwwerk in één denkbeeldige lijn te projecteren met het bouwwerk op het buurperceel nummer 10b.
10.1.
De rechtbank overweegt dat niet duidelijk is wat eiser met zijn betoog naar voren wil brengen. Daarbij is van belang dat uit de stukken blijkt dat deze aanvraag op 20 november 2023 buiten behandeling is gesteld. Deze aanvraag en het besluit hierover spelen dan ook geen rol in deze procedure. Eisers betoog slaagt niet.
Vermogensschade
11. Eiser voert aan dat hij tijdig verzoeken heeft ingediend om het bouwplan in overeenstemming met de bouwvergunning van 22 juli 1974 te verbeelden in het bouwvlak van het nieuwe bestemmingsplan Landelijk-2, dat nog in procedure is, en waartegen hij beroep heeft ingesteld. Bij gebreke van verbeelding van een bouwvlak voor het bouwplan in het nieuwe bestemmingsplan Landelijk zal bij het college een verzoek worden ingediend om vergoeding van vermogensschade.
11.1.
Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat eiser op dit moment bij het college kennelijk nog niet een verzoek om vergoeding van vermogensschade heeft ingediend en dat, voor zover hij dat wel zal indienen, dat te maken heeft met zijn - nog
lopende - beroep bij de Afdeling tegen het niet vermelden van een bouwvlak in het nieuwe bestemmingsplan. Dat is geen gevolg van de besluitvorming in deze procedure, maar het gevolg van de vaststelling van dat bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande laat de rechtbank hetgeen eiser hierover heeft gesteld buiten beschouwing. Eisers betoog slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|