|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:4164 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | zaaknummers als vermeld i zaaknummers als vermeld i | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | In geschil is de hoogte van de kostenvergoeding voor het taxatierapport. De rechtbank is van oordeel dat het taxatierapport zowel naar de wijze van totstandkoming als naar de inhoud niet kan worden aangemerkt als deskundigenverslag in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bpb. Nu aan belanghebbenden reeds een kostenvergoeding voor het ingebrachte taxatierapport ter hoogte van € 64,13 (€ 53, vermeerderd met 21% btw) is toegekend, terwijl is komen vast te staan dat het taxatierapport niet kwalificeert als deskundigenverslag en daarmee iet in aanmerking komt voor een kostenvergoeding, heeft de heffingsambtenaar geensins de kostenvergoeding ten onrechte gematigd. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | taxatie | | | woz waarde | | | woz-beschikking | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: vermeld in bijlage 1 bij deze uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in 43 zaken tussen
de belanghebbenden genoemd in bijlage 1, belanghebbenden
(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Zuidplas, heffingsambtenaar.
Procesverloop
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking de waarde van de onroerende zaken van belanghebbenden per waardepeildatum 1 januari 2024 vastgesteld op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2025. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbenden tegen de WOZ-beschikking voor het kalenderjaar 2025 gegrond verklaard. Daarbij heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarden lager vastgesteld, de aanslagen dienovereenkomstig verminderd en aan belanghebbenden een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase van € 241,91. Dit bedrag bestaat onder meer uit een vergoeding voor de indiening van een taxatierapport, uitgaande van één uur tegen een uurtarief van € 64,13 (€ 53, vermeerderd met 21% btw).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026.
Namens belanghebbenden is, met bericht van verhindering, niemand verschenen. De gemachtigde van belanghebbenden heeft op 4 december 2025 per brief enkele verhinderdata doorgegeven aan de rechtbank, waaronder de datum van 11 februari 2026. De zitting is door de rechtbank evenwel toch op deze datum ingepland, omdat de rechtbank in een andere procedure met een zeer groot aantal zaaknummers van dezelfde gemachtigde (over dezelfde materie) voor deze datum geen verhindering had ontvangen. De rechtbank ging er daarom vanuit dat de gemachtigde in weerwil van zijn eerdere bericht ter zitting aanwezig zou zijn. Door de gemachtigde is, anders dan om te kunnen reageren op een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden en niet omwille van verhindering, niet verzocht om uitstel van deze zitting. Dat uitstelverzoek is door de rechtbank afgewezen.
De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [gemachtigde] .
Overwegingen
1. De bij uitspraken op bezwaar verminderde WOZ-waarden zijn niet langer in geschil. De rechtbank beoordeelt slechts de hoogte van de kostenvergoeding, in het bijzonder de kostenvergoeding voor het taxatierapport dat belanghebbenden hebben laten opstellen. De overige bestanddelen van de kostenvergoeding zijn evenmin in geschil.
2. Belanghebbenden stellen dat de heffingsambtenaar ten onrechte de kostenvergoeding voor het taxatierapport heeft gematigd. Volgens belanghebbenden komt het taxatierapport dat is opgemaakt door Woning Waarderingsmeesters op grond van de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven(de Richtlijn) in aanmerking voor een vergoeding van € 128,26 (twee uren maal € 53, vermeerderd met 21% btw). Belanghebbenden voeren verder aan dat het taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters meer omvat dan enkel een korte controle of geautomatiseerde berekening. Het bevat een analyse van vergelijkbare transacties, correcties, foto’s en een integrale waardering.
3. De heffingsambtenaar betwist in zijn beroepschrift primair dat sprake is van een deskundigenrapport en stelt dat het taxatierapport om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het rapport beantwoordt niet aan de basisfunctie van een deskundigenrapport, de taxateur kwalificeert niet als deskundige in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht en heeft bovendien geen deskundigheid toegepast bij het opstellen van het rapport. Subsidiair betwist de heffingsambtenaar dat twee uren aan het opmaken van het rapport zijn besteed. Volgens de heffingsambtenaar is sprake van een automatisch gegenereerd rapport waarbij naar waarschijnlijkheid slechts van zeer geringe tijdsbesteding sprake is. De heffingsambtenaar acht een kostenvergoeding gebaseerd op een tijdsbesteding van twee uren disproportioneel.
Beoordeling van het geschil
4. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat recht op vergoeding van kosten door het bestuursorgaan die de belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Onder deze kosten zijn op grond van het bepaalde in artikel 7:15, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) tevens begrepen de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.
Het deskundigenverslag
5. De rechtbank stelt voorop dat noch in de Awb noch het Bpb wordt gedefinieerd wat onder het begrip ‘deskundige’ moet worden verstaan. Of een ingebracht taxatierapport als verslag van een deskundige kan worden aangemerkt, is dus niet aan de hand van algemene richtsnoeren te beoordelen. Dit heeft niet te betekenen dat niets valt te zeggen over de rol en positie van een deskundige in het rechtsbedrijf. Inherent aan de rol en positie van de deskundige is dat hij vanuit aantoonbare expertise bewijs bijbrengt in een procedure over geschilpunten die buiten het terrein van de eigen expertise van in dit geval belanghebbenden en de gemachtigde zijn gelegen. Een redelijke en op de praktijk toegesneden uitleg van het begrip ‘deskundige’ brengt met zich dat de deskundige geen eigen belang heeft bij de uitkomst van de procedure. Dit vereist dat de deskundige zijn expertise aanwendt in onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Voor deze rechtsopvatting kan steun worden gevonden in het bepaalde in artikel 8:34 van de Awb.
6.1
Naar het oordeel van de rechtbank wordt met het rapport niet enige bijzondere taxatie-technische expertise ingebracht die niet in het domein van de procesdeelnemers ligt. Met het rapport – dat voornamelijk is gebaseerd op gegevens die zijn verkregen uit openbare bronnen en maar zeer beperkt op door belanghebbenden verstrekte informatie – wordt niet meer naar voren gebracht dan enerzijds een globale beoordeling van de KOUDV- en liggingsfactoren en anderzijds de gegevens van referentiewoningen. Dat zijn de typerende elementen waar het debat over de WOZ-waarde in bezwaar en beroep op is toegespitst. Het rapport beantwoordt daarmee niet aan de functie van een deskundigenverslag, te weten het bieden van voorlichting aan een of meer van de deelnemers aan een procedure op een terrein dat niet het hunne is.
6.2
Daarnaast wordt in het rapport niet op enige wijze geanalyseerd hoe uit de (globale) beoordeling van zowel de KOUDV- en liggingsfactoren als de genoemde referentiewoningen tot een waardering wordt gekomen: dat wordt overgelaten voor het debat in bezwaar en beroep. Het rapport bevat aldus niet meer dan enige gegevens die kunnen dienen ter onderbouwing van in bezwaar en beroep naar voren te brengen argumenten.
6.3
Voorts kan niet uit het rapport worden afgeleid door welke medewerker het is opgesteld. In de Verantwoording staat slechts geschreven dat alle rapporten van Woning Waarderingsmeesters onder de verantwoordelijkheid van de heer Wagemans vallen en door hem worden ondertekend. Wat de gestelde verantwoordelijkheid inhoudt wordt niet nader geconcretiseerd, zodat niet aannemelijk is dat de inbreng van de heer Wagemans van enige betekenis is geweest.
6.4
Om deze redenen is de rechtbank van oordeel dat het taxatierapport zowel naar de wijze van totstandkoming als naar de inhoud niet kan worden aangemerkt als deskundigenverslag in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bpb. Nu aan belanghebbenden reeds een kostenvergoeding voor het ingebrachte taxatierapport ter hoogte van € 64,13 (€ 53, vermeerderd met 21% btw) is toegekend, terwijl is komen vast te staan dat het taxatierapport niet kwalificeert als deskundigenverslag en daarmee niet in aanmerking komt voor een kostenvergoeding, heeft de heffingsambtenaar geenszins de kostenvergoeding ten onrechte gematigd.
7. De heffingsambtenaar heeft subsidiair gesteld dat voor de deskundige een zo geringe tijdsbesteding was gemoeid met de opstelling van het rapport dat het om die reden niet in aanmerking komt voor een vergoeding voor de duur van twee uren. De rechtbank overweegt, ten overvloede, dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat een deskundige twee uren aan het rapport heeft besteed. Een hogere vergoeding dan € 64,13 (inclusief btw) per taxatierapport is volgens de rechtbank, gelet op het vermoeden van een geringe tijdsbesteding door een deskundige en dat de hoeveelheid soortgelijke taxatierapporten kennelijk eenvoudig gegenereerd kunnen worden, niet redelijk en staat niet in verhouding tot de daarmee gemoeide kosten.
Het motiveringsbeginsel
8. Belanghebbenden hebben verder een beroep gedaan op het motiveringsbeginsel, omdat de heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar niet heeft gemotiveerd waarom hij afwijkt van de Richtlijn door de kostenvergoeding voor het taxatierapport te matigen. De rechtbank merkt op dat de Richtlijn per 22 december 2025 is ingetrokken, zonder vaststelling van een overgangsregeling, en dat voor de heffingsambtenaar bovendien geen verplichting bestaat te motiveren waarom hij de kostenvergoeding voor het taxatierapport matigt. Het beroep op het motiveringsbeginsel slaagt dan ook niet.
9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van
D.A. van der Wilt, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Bijlage 1 (43 zaken)
Belanghebbende
Zaaknummer
[belanghebbende 1]
SGR 25/6363
[belanghebbende 2]
SGR 25/6373
[belanghebbende 3]
SGR 25/6375
[belanghebbende 4]
SGR 25/6426
[belanghebbende 5]
SGR 25/6429
[belanghebbende 6]
SGR 25/6501
[belanghebbende 7]
SGR 25/6502
[belanghebbende 8]
SGR 25/6513
[belanghebbende 9]
SGR 25/6542
[belanghebbende 10]
SGR 25/6560
[belanghebbende 11]
SGR 25/6563
[belanghebbende 12]
SGR 25/6565
[belanghebbende 13]
SGR 25/6420
[belanghebbende 14]
SGR 25/6422
[belanghebbende 15]
SGR 25/6427
[belanghebbende 16]
SGR 25/6430
[belanghebbende 17]
SGR 25/6468
[belanghebbende 18]
SGR 25/6472
[belanghebbende 19]
SGR 25/6480
[belanghebbende 20]
SGR 25/6481
[belanghebbende 21]
SGR 25/6496
[belanghebbende 22]
SGR 25/6503
[belanghebbende 23]
SGR 25/6510
[belanghebbende 24].
SGR 25/6531
[belanghebbende 25]
SGR 25/6538
[belanghebbende 26]
SGR 25/6544
[belanghebbende 27]
SGR 25/6572
[belanghebbende 28]
SGR 25/6596
[belanghebbende 29]
SGR 25/6417
[belanghebbende 30]
SGR 25/6423
[belanghebbende 31]
SGR 25/6425
[belanghebbende 32]
SGR 25/6433
[belanghebbende 33]
SGR 25/6477
[belanghebbende 34]
SGR 25/6479
[belanghebbende 35]
SGR 25/6482
[belanghebbende 36]
SGR 25/6490
[belanghebbende 37]
SGR 25/6495
[belanghebbende 38]
SGR 25/6522
[belanghebbende 39]
SGR 25/6535
[belanghebbende 40].
SGR 25/6536
[belanghebbende 41]
SGR 25/6566
[belanghebbende 42]
SGR 25/6737
[belanghebbende 43]
SGR 25/6830
Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Staatscourant 2018, 28796 (de Richtlijn).
Gerechtshof Den Haag 9 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1004, r.o. 5.4. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|