Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:6446 
 
Datum uitspraak:28-01-2026
Datum gepubliceerd:31-03-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.42233 (beroep) en NL NL25.42233 (beroep) en NL
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:De minister kon niet zonder meer tot de conclusie komen dat de door eiser gestelde vrees voor vervolging door de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) in Irak niet aannemelijk is omdat de PKK is opgeheven. Voorts kon de minister niet zonder nader onderzoek en motivering de Koerdische Autonome Regio (KAR) en in het bijzonder het tentenkamp in [plaats 1] als een normale woon- en verblijfplaats aanmerken waar eiser naartoe kan terugkeren in Irak. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister aan eiser, die een geldige Griekse vluchtelingenstatus heeft, geen terugkeerbesluit naar Irak kon uitvaardigen.
Trefwoorden:landbouw
levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.42233 (beroep)
NL25.42234 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer 1]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen


[eiser] , eiser/verzoeker, hierna eiser
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter, hierna de rechtbank, het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en tegen het aan hem uitgevaardigde terugkeerbesluit van 1 september 2025 (bestreden besluit). Deze uitspraak ziet ook op eisers verzoek om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting tijdens de beroepsprocedure tegen het bestreden besluit te voorkomen. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden en dat het beroep daarom gegrond is. Omdat hiermee op de hoofdzaak is beslist, wijst de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank als eerste in op de vraag of de minister tot de conclusie kon komen dat het door eiser gestelde vrees voor vervolging door de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) niet aannemelijk is omdat de PKK in Irak is opgeheven. Daarna zal de rechtbank ingaan op de vraag of de minister de Koerdische Autonome Regio (KAR) en in het bijzonder het tentenkamp in [plaats 1] als normale woon- en verblijfplaats kon aanmerken waar eiser naartoe kan terugkeren in Irak. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de vraag of de minister aan eiser, die een geldige Griekse vluchtelingenstatus heeft, een terugkeerbesluit naar Irak kon uitvaardigen. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.




Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2007. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, en het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers oom, [persoon], op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [persoon] , de gemachtigde van eiser en H. Selo, D.A.H. Ahmed en T. Cetinkaya als tolken en de gemachtigde van de minister.




Overwegingen


Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de Jezidi’s. Hij is afkomstig uit [plaats 2] . Eiser heeft zich op viertienjarige leeftijd vrijwillig aangesloten bij de PKK. Na ongeveer 2 jaar werd hij bang van het idee dat het zou kunnen leiden tot zijn dood, nadat hij dit ook bij andere leden zag gebeuren. Eiser is met behulp van zijn neef uit de PKK gegaan en is uit Irak gevlucht. Daarom vreest hij dat de PKK naar hem op zoek is om hem gevangen te nemen of te vermoorden. Ze hebben na eisers vertrek al naar hem geïnformeerd bij zijn broer en zijn vader. Ook vreest eiser dat het Iraakse leger en de Koerdische autoriteiten hem iets aan zullen doen, omdat ze weten dat hij bij de PKK was aangesloten. Daarnaast wordt eiser net als andere Jezidi’s in Irak gediscrimineerd en vreest hij voor de slechte omstandigheden voor Jezidi’s in Irak.


Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. eisers betrokkenheid bij de PKK;
3. Discriminatie vanwege zijn Jezidi achtergrond.

De minister vindt de identiteit van eiser niet geloofwaardig, maar zijn nationaliteit en herkomst wel. De minister heeft de gestelde betrokkenheid bij de PKK niet op de geloofwaardigheid getoetst, maar alleen op de zwaarwegendheid. De discriminatie in Irak vanwege het zijn van Jezidi vindt de minister wel geloofwaardig, maar onvoldoende zwaarwegend voor vergunningverlening. De minister heeft dit als volgt gemotiveerd.


4.1.
Uit eisers verklaringen is niet gebleken dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. De minister merkt gelet op de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Irak van 3 november 2023 en de nota Landenbeleid Irak van 27 mei 2024 Jezidi’s niet meer aan als een risicogroep. Weliswaar heeft eiser met zijn familie moeten vluchten vanwege de inval van IS in 2014, maar eiser heeft sindsdien tot zijn vertrek negen jaar in de KAR in het tentenkamp in [plaats 1] gewoond, dat is te beschouwen als een normale woon- of verblijfplaats. Niet gebleken is dat eiser zo gediscrimineerd is dat zijn leven onhoudbaar was. Naar eigen verklaringen heeft eiser zes jaar op de basisschool gezeten, maar is hij daarmee gestopt omdat het geen goede school was. Eiser had onderdak bij zijn ouders in het kamp in [plaats 1] en van tijd tot tijd bij zijn broer in [plaats 8] . Er is geen reden om aan te nemen dat dit niet langer mogelijk is. Eiser heeft daarnaast als veehoeder gewerkt bij zijn broer. Zijn vader heeft ook voor de schapen gezorgd, in de landbouw gewerkt en ook in de bouw. Eiser heeft geen persoonlijk op hem gerichte discriminatie ervaren maar heeft hetzelfde meegemaakt wat alle Jezidi’s ervaren in Irak.
Eisers vrees voor de PKK is evenmin voldoende zwaarwegend, omdat uit diverse algemene bronnen blijkt dat de PKK tijdens het partijcongres op 12 mei 2025 heeft besloten zichzelf op te heffen en dus niet meer bestaat.



4.2.
Evenmin is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade. Eisers verklaring over de algemene slechte omstandigheden in het kamp in [plaats 1] leidt niet tot de conclusie dat bij terugkeer naar het kamp sprake zal zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM. In het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023 wordt de algemene situatie in de opvangkampen in de KAR als sober omschreven, maar niet als zo slecht dat terugkeer een reëel risico op ernstige schade zal opleveren.
Eisers vrees voor de PKK is niet meer actueel nu de PKK niet meer bestaat.
Wat betreft de vrees voor de algehele situatie in Irak wordt overwogen dat voor Irak wordt aangenomen dat er geen sprake is van één van de gradaties van willekeurig geweld waarbij, ongeacht de individuele omstandigheden van de vreemdeling en enkel op grond van de aanwezigheid aldaar, sprake is van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, onder c, Kwalificatierichtlijn. Op grond van WBV 2025/3 neemt de IND voor Irak echter aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio’s [regio 3] , [regio 4] , [regio 6] en [regio 2] . Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangedragen waarom hij wel een reëel risico zou lopen geconfronteerd te worden met willekeurig geweld.



4.3.
De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.



Beoordeling door de rechtbank Het juridisch kader 5.Uit het beleid van de minister volgt dat de minister in het kader van de toets aan artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven beoordeelt, tenzij hij reden ziet om de feiten en omstandigheden alleen te beoordelen op zwaarwegendheid. In dat geval laat de minister kenbaar de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden, met uitzondering van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling. De minister beoordeelt vervolgens de zwaarwegendheid van de geloofwaardig gevonden feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de asielmotieven of de zwaarwegendheid van de feiten en omstandigheden waarvan de geloofwaardigheid in het midden is gelaten.

5.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat deze werkwijze van de minister niet onzorgvuldig is, mits alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Voor de bestuursrechter betekent dit dat bij de toetsing moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden. Dit is noodzakelijk om de besluitvorming daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te kunnen toetsen.

Heeft de minister het gestelde vrees voor vervolging en ernstige schade door de PKK deugdelijk beoordeeld?


6. Eiser voert aan dat zijn vrees voor de PKK reëel is. Hij weet uit een betrouwbare familiebron dat de PKK nog steeds zichtbaar aanwezig is in Noord-Irak. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in beroep een artikel van BNR Nieuwsradio van 26 oktober 2025 ingebracht met de titel “PKK trekt zich na decennia terug uit Turkije, vestigt zich in Noord-Irak”.


6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister de verklaringen van eiser over zijn lidmaatschap bij de PKK, over dat hij met hulp van zijn oom uit de PKK is gestapt en gevlucht is en dat de PKK daarvan op de hoogte is, niet op de geloofwaardigheid ervan heeft beoordeeld. De rechtbank gaat gelet op het hiervoor geschetste juridische kader uit van de geloofwaardigheid van deze verklaringen. De rechtbank heeft ter zitting de informatie van het Vluchtelingenwerk Nederland van 17 september 2025 met de titel “Ontwapening PKK en gevolgen voor [plaats 8] ” aan de orde gesteld en met name de hierna geciteerde passages op pagina 3 en 4:

“In een artikel van de Britse denktank RUSI (Bijlage 6, 3 juni 2025) staat dat de vogelvrij verklaarde Koerdische Arbeiderspartij (PKK) op 12 mei 2025 aankondigde zich te ontbinden en de gewapende strijd tegen de Turkse staat te beëindigen. De aankondiging van 12 mei bevat geen expliciete routekaart voor het neerleggen van de wapens, maar verwijst naar ontbinding en het einde van de gewapende strijd ten gunste van het begin van een nieuwe fase van democratische politieke strijd. Turkse media meldden dat de PKK ongeveer 3500 leden heeft in Noord-Irak. Strijders zullen naar verwachting hun wapens inleveren bij aangewezen verificatiecentra terwijl [plaats 3] samenwerkt met [plaats 4] en [plaats 5] om toezicht te houden op het proces. Naar verwachting zal dit ook een gefaseerde terugtrekking van de PKK uit de door haar gecontroleerde gebieden in Irak inhouden, zoals Qandil, Gara, [plaats 8] en Makmur, in een proces dat wordt gecoördineerd door de Turkse Nationale Inlichtingendienst (MIT) en de strijdkrachten. Onopgeloste vragen over hoe de ontbinding van de PKK de Syrisch Democratische Strijdkrachten (SDF) in Syrië zal beïnvloeden, voedt het scepticisme onder sommigen in Turkije dat de vogelvrij verklaarde militante organisatie zich geleidelijk onder een andere vlag kan ontwikkelen. Hiermee hangt samen dat aan de PKK gelinkte splintergroepen actief kunnen zijn in het noordoosten van Syrië of Irak, misschien onder Iraans beschermheerschap, vooral als er een machtsvacuüm of onbestuurbare ruimte ontstaat.


In een nieuwsbericht van Rudaw (Bijlage 7,12 mei 2025) wordt er geschreven dat hoewel de PKK heeft besloten zichzelf op te heffen en te ontwapenen, ze nog steeds in hun bases en hoofdkwartier in [plaats 6] verblijven. De YBS, waarvan wordt aangenomen dat ze banden hebben met de PKK, hebben sinds de nederlaag van Islamitische Staat (ISIS) tien jaar geleden nog steeds de controle over delen van het district. Turkije beschouwt de YBS als een afsplitsing van de PKK en heeft haar posities in [plaats 6] meerdere keren aangevallen, waarbij tientallen leden, onder wie topcommandanten, zijn gedood.”



6.2.
De minister heeft ter zitting in reactie op deze informatie verklaard dat de minister op basis van de informatie uit de openbare bronnen ervan uit gaat dat de PKK zichzelf op 12 mei 2025 heeft opgeheven en dat de militairen zich uit Turkije hebben teruggetrokken. Hoewel de PKK-strijders zich in Noord-Irak hebben gevestigd, betekent dat niet de PKK daar ook actief is, aldus de minister.



6.3.
Deze motivering van de minister vindt de rechtbank niet voldoende. Nu uit de aangehaalde informatie naar voren komt dat de PKK-strijders zich in Noord-Irak hebben gevestigd, dat het hier om een gefaseerde terugtrekking van de PKK gaat en dat de aan PKK gelinkte splintergroepen actief kunnen zijn in het noordoosten van Irak, is het door eiser gestelde risico niet bij voorbaat irreëel. De minister dient hier nader onderzoek naar te doen en zich ervan te vergewissen dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op vervolging en/of ernstige schade door de PKK. De beroepsgrond slaagt.

Heeft de minister het kamp in [plaats 1] als normale woonplaats kunnen aanmerken?


7. Eiser voert aan dat het vluchtelingenkamp in [plaats 1] ten onrechte is aangemerkt als normale woonplaats voor hem als Jezidi's. Er is sprake van een veiligheidsvacuüm, slechte basisvoorzieningen, beschadigde infrastructuur en een gebrek aan kansen op levensonderhoud. Eiser heeft in de zienswijze gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 4 februari 2025 en dat hij bij terugkeer naar het tentenkamp in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM zal raken. De minister is daar in het bestreden besluit niet op ingegaan. In beroep heeft eiser nog gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 5 november 2025.



7.1.
De minister heeft ter zitting erkend dat in het bestreden besluit niet expliciet is ingegaan op de door eiser in de zienswijze aangehaalde uitspraak. De minister meent echter dat de motivering in het bestreden besluit volstaat. Daarin is verwezen naar de nota Landenbeleid Irak van 27 mei 2024 en de toelichting om de beleidsmatige aanwijzing van Jezidi’s als kwetsbare minderheidsgroep, en de aanvullende bepalingen uit WBV 2021/1 over de normale woon- of verblijfsplaats vervallen te laten, volgens WBV 2024/12. In plaats van nog langer dit genereuze beleid te voeren wordt daarom voor Jezidi's weer aangesloten bij de normale asielbeoordeling. Hierbij ligt het op de weg van de vreemdeling om in zijn individuele geval aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar zijn gebruikelijke woon- en verblijfsplaats heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. Daarbij geldt dat na verloop van tijd een bepaalde plaats, waaronder ook een ontheemdenkamp, kan worden gekwalificeerd als een normale woon- of verblijfsplaats. Hierbij is het niet aan de minister om, zoals de rechtbank in die uitspraak van 4 februari 2023 heeft geoordeeld, inzichtelijk te motiveren dat de situatie in de kampen in de KAR is verbeterd, omdat dit geen onderdeel is van de normale beoordeling van wat geldt als normale woon- en verblijfsplaats. Nu de term normale woon- en verblijfsplaats niet is gedefinieerd in de Vc, richtlijnen of andere regelgeving, zoekt de minister voor de beantwoording van de vraag welke omstandigheden moeten worden betrokken bij de vaststelling van ”een normale woon- en verblijfsplaats” aansluiting bij de uitspraken van de Afdeling hierover. De minister merkt hierbij nog op dat de omstandigheden in de ontheemdenkampen op zichzelf nimmer de (enkele) grondslag hebben gevormd om tot het voeren van het voornoemde, genereuze, beleid te komen. Het betrof een samenstel van omstandigheden en politieke wensen. De rechtbank lijkt dit in de uitspraak te miskennen door zich te beperken tot het oordeel dat niet inzichtelijk is gemotiveerd dat de situatie in de kampen in KAR is verbeterd en zodoende van de minister te verlangen dat die motivering alsnog wordt gegeven om de betreffende beleidswijziging te kunnen dragen, aldus de minister in zijn toelichting. De minister heeft volledigheidshalve het hoger beroepschrift tegen de uitspraak van 4 februari 2023 in het geding gebracht en meegedeeld dat de Afdeling op 17 maart 2026 een drietal zaken over dit onderwerp op zitting heeft geagendeerd.



7.2.
De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt en haalt de volgende passages aan uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 18 december 2025. Deze uitspraak ziet ook op het aanmerken van het tentenkamp in de KAR als normale woonplaats en in die zaak was ook een beroep gedaan op de uitspraak van 4 februari 2025.


“7.1. In de hiervoor onder 7. genoemde uitspraak heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat door de minister niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR, waartoe ook [plaats 7] behoort, als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de [plaats 8] regio. In het in 2019 geldende beleid is vastgesteld dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden in de KAR en daar, naar lokale maatstaven gemeten, niet op een normaal niveau konden functioneren. Medio 2024 is besloten dat deze ontheemdenkampen in de KAR wel kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de [plaats 8] regio. Deze beleidswijziging heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 4 februari 2025 onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd geacht. Dit standpunt heeft deze rechtbank en zittingsplaats in verschillende uitspraken

herhaald. In haar uitspraak van 24 november 2025

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat dit ook heeft te gelden voor de situatie van jezidi’s die buiten de ontheemdenkampen in de KAR wonen. Ook in die gevallen dient de minister uiteen te zetten wat maakt dat voor de jezidi’s de situatie medio mei 2024 in de KAR verbeterd is.




7.2.

De rechtbank constateert dat uit de bestreden besluiten niet blijkt dat de minister de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor jezidi’s heeft onderzocht. Evenmin is aangegeven waarom de situatie in de kampen verbeterd is sinds 2019. Daar komt bij dat er op 7 november 2025 een Thematisch ambtsbericht is verschenen waarin uitgebreid de huidige situatie in de kampen in de KAR wordt beschreven. Blijkens het thematisch ambtsbericht heeft het federale ministerie van Migratie en Ontheemding in januari 2024 besloten om de 23 vluchtelingenkampen onder het gezag van de Koerdische regionale regering in [plaats 5] , waaronder ook [plaats 7] , te sluiten.

Dit besluit is uitgesteld maar leidde volgens het thematisch ambtsbericht desondanks tot terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) organisaties. Daarbij hebben de kortingen van de regering van president Trump ten aanzien van de USAID

gemaakt dat veel (lokale) hulporganisaties hun activiteiten hebben moeten staken.

Dit resulteerde volgens het thematisch ambtsbericht in een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen.

In het licht van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat de minister niet alleen heeft nagelaten te motiveren waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de [plaats 8] -regio kan worden aangemerkt maar bovendien onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige situatie in de ontheemdenkampen niet maakt dat eisers bij terugkeer een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi.

Dat de humanitaire omstandigheden geen enkele rol spelen bij de toets of sprake is van een normale woon- of verblijfplaats, zoals in het verweerschrift van 5 december 2025 is betoogd, volgt de rechtbank niet. Dit geldt ook voor de aanvulling ter zitting dat geen sprake is van grootschalige mensenrechtenschendingen in de kampen, sprake is van enige bewegingsvrijheid en dat basisvoorzieningen aanwezig zijn. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. De bestreden besluiten komen reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking.”




7.3.
De onder 7.2 van de aangehaalde uitspraak geconstateerde gebreken in de besluitvorming van de minister gelden ook voor het door eiser bestreden besluit. De rechtbank maakt daarom de hiervoor aangehaalde overwegingen tot de hare. Dat de minister in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van 4 februari 2025 en de andere uitspraken van de rechtbank in diezelfde lijn, maakt het oordeel niet anders. De rechtbank wijst in het bijzonder ook naar de eerdere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 29 april 2025 waarin is geoordeeld dat de minister ten onrechte de feitelijke situatie van de betrokkene in het kamp in [plaats 1] niet heeft beoordeeld. Uit het bestreden besluit blijkt niet kenbaar dat de minister onderzoek heeft gedaan naar het specifieke kamp waar eiser verbleef en de feitelijke situatie aldaar.


7.4.
De rechtbank verwijst tot slot naar de recente uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 22 december 2025. In deze uitspraak is deze rechtbank en zittingsplaats op basis van landeninformatie, in onderlinge samenhang bezien, afgezet tegen de achtergrond van de historische context van Jezidi’s in Irak tot het oordeel gekomen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar de KAR geen gegronde vrees heeft voor vervolging. De rechtbank maakt ook dat oordeel tot de hare. De minister moet dus ook nader onderzoek (laten) doen naar de actuele situatie in de KAR voor Jezidi’s. Op basis van die actuele situatie moet de minister opnieuw beoordelen of eiser als Jezidi in de KAR gegronde vrees heeft voor vervolging. Dat de minister ook tegen die uitspraak van 22 december 2025 in hoger beroep is gegaan maakt het oordeel niet anders. De beroepsgrond slaagt.


Mocht de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitvaardigen?


8. Eiser stelt tot slot dat de minister aan hem geen terugkeerbesluit mocht uitvaardigen naar Irak, aangezien hij over een verblijfsvergunning in Griekenland beschikt.



8.1.
De minister heeft zich in het verweerschrift kort samengevat op het standpunt gesteld dat aan eiser terecht een terugkeerbesluit is uitgevaardigd waarin is opgenomen dat hij dient terug te keren naar Irak. In de regel wordt aan een vreemdeling met asielverblijfsrecht in een andere lidstaat geen terugkeerbesluit opgelegd, maar krijgt hij een aanzegging te vertrekken naar die lidstaat. Dit is het zogeheten 'bevel tot terugkeer'. Echter, het opleggen van een bevel tot terugkeer naar Griekenland is in deze gevallen niet mogelijk, omdat bij de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag is aangenomen dat terugkeer naar Griekenland niet verlangd kan worden vanwege het risico op verregaande materiële deprivatie. Een bevel tot terugkeer zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is daarom niet verenigbaar met de situatie in Griekenland. Omdat bij afdoening van de asielaanvraag is vastgesteld dat er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade in het land van herkomst is er daarom een terugkeerbesluit opgelegd.
Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit is volgens de minister niet relevant of Griekenland het eerder aldaar toegekende verblijfsrecht intrekt of niet. De Terugkeerrichtlijn strekt ertoe om op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden. Daarmee verhoudt zich niet de situatie waarin van een vreemdeling niet gevergd kan worden zich te begeven naar een andere lidstaat wanneer aangenomen wordt
dat de vreemdeling terecht komt in een situatie van verregaande materiële deprivatie als gevolg van onverschilligheid van de autoriteiten van die lidstaat en er geen terugkeerbesluit uitgevaardigd kan worden zolang diezelfde lidstaat het aldaar toegekende verblijfsrecht niet heeft ingetrokken. Daarbij merkt de minister op dat de minister in deze zaak inmiddels ook contact heeft opgenomen met de Griekse autoriteiten over het resultaat van de eigen inhoudelijke beoordeling, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025.
De minister merkt tot slot op dat over dit onderwerp op 8 januari 2026 een zitting is geweest bij de Afdeling en dat de Afdeling daarbij heeft aangegeven te overwegen hierover prejudiciële vragen te stellen, waartegen verweerder zich niet heeft verzet. Ook deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, is voornemens hierover prejudiciële vragen te stellen.



8.2.
De rechtbank stelt voorop dat nu uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser geen stand houdt, het terugkeerbesluit alleen daarom al ook geen stand kan houden.


8.3.
Aanvullend daarop en in reactie op de beroepsgrond stelt de rechtbank vast dat de Griekse autoriteiten nadat de minister hen op de hoogte heeft gesteld van de uitkomst van de in Nederland gevolgde asielprocedure, de verleende vluchtelingenstatus van eiser niet hebben ingetrokken. De rechtbank begrijpt, zoals ter zitting is uiteengezet, de impasse waarin de minister verkeert nu de Griekse autoriteiten niet meer genegen zijn om te reageren op verzoeken van de minister om intrekking van in Griekenland verleende asielvergunningen. Zij is echter desondanks van oordeel dat de minister geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en deze in reactie hierop hebben aangegeven of zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Ook om deze reden kan het terugkeerbesluit geen stand houden. Dat er voornemens zijn om over dit onderwerp prejudiciële vragen te stellen vormt voor de rechtbank geen aanleiding om van de lijn van de rechtbank zoals aangehaald in de voetnoot 25 af te wijken. De beroepsgrond slaagt.




Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) en 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De beroepsgronden die zien op de identiteit van eiser behoeven geen bespreking, omdat de geloofwaardigheid van de identiteit van eiser de uitkomst van de zaak niet anders maakt. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de afdoening van de aanvraag als kennelijk ongegrond. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Dit omdat de minister nader onderzoek moet doen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.


9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.



9.2.
Nu in de hoofdzaak is beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst daarom het verzoek af.



9.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing

De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL25.42233:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 1 september 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL25.42234 wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken, veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:


Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.



Zaak NL25.42234


Zaak NL25.42212


Zaak NL25.42213


V-nummer: [V-nummer 2]


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Artikel 4.1, aanhef en onder 5 en 6, van de Vc 2000.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:2333.


ECLI:NL:RBDHA:2025:1393.


ECLI:NL:RBDHA:2025:20921.


ECLI:NL:RVS:2009:3628, ECLI:NL:RVS:2010:BO8940,
ECLI:NL:RVS:2010:1080, ECLI:NL:RVS:2012:357 en ECLI:NL:RVS:2011:BP9272.


Zie ook de opmerking in de beantwoording van de Tweede Kamer vragen 2019: "Hoewel de situatie in sommige vluchtelingenkampen m de Koerdisch autonome regio niet optimaal is, kan niet in zijn algemeenheid gesteld worden dat de opvang aldaar niet voldoet.”
https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detaiPid=2019Z08858&did=2019D29395.


ECLI:NL:RBDHA:2025:24369.


ECLI:NL:RBDHA:2025:724, ECLI:NL:RBDHA:2025:12114, ECLI:NL:RBDHA:2025:15345 en ECLI:NL:RBDHA:2025:22819.


ECLI:NL:RBDHA:2025:22152.


Thematisch ambtsbericht, p. 6.


U.S. Agency for International Development.


Thematisch ambtsbericht, p. 11.


Idem.


Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.


ECLI:NL:RBDHA:2025:7253.


Zaak NL25.21827 (nog niet gepubliceerd op rechtspraak.nl maar als gedingstuk in het dossier van eiser gevoegd en ter zitting besproken).


Richtlijn 2008/115.


ECLI:NL:RVS:2025:2865.


Zie de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19029, van 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22819, van 18 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24369 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 6 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21083.


Algemene wet bestuursrecht.
Link naar deze uitspraak