|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:7134 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 24/6488 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over eeb last onder dwangsom wegens het gebruik van een perceel in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | bouwvergunning | | | buitengebied | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6488
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: W. van Rheenen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Teylingen
(gemachtigde: mr. D. van Werkhoven).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom wegens het gebruik van het perceel aan de [adres] in strijd met het bestemmingsplan. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 3 augustus 2021 heeft het college eiser op straffe van een dwangsom gelast om vóór 5 november 2021 het strijdig gebruik van het perceel aan de
[adres] te beëindigen en beëindigd te houden.
2.1.
Met het besluit van 10 januari 2022 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Met de uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit van 10 januari 2022 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
2.3.
Met het bestreden besluit van 20 juni 2024 heeft het college het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering en met wijziging van de opgelegde last.
2.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam] .
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Nu het verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres] (hierna: het perceel). Het betreft een perceel van 3.020 m2 met een bouwvlak van ruim 600 m2. Op het perceel staat een loods, die in overeenstemming met de daarvoor verleende bouwvergunning is gebouwd. Naar aanleiding van een melding, hebben twee toezichthouders controles uitgevoerd en geconstateerd dat het perceel en de loods in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied Teylingen” worden gebruikt voor opslag van auto’s, containers en goederen die niet zijn gerelateerd aan de agrarische bedrijfsvoering.
4.1.
Met het primaire besluit heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om dit strijdige gebruik te beëindigen. Met het besluit van 10 januari 2022 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de last aangevuld.
4.2.
Met de uitspraak van 16 april 2024 heeft deze rechtbank het besluit van 10 januari 2022 vernietigd. De rechterbank heeft in die uitspraak overwogen – voor zover hier van belang – dat sprake is van een overtreding omdat het perceel in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat zij er niet aan twijfelt dat het opleggen van een last onder dwangsom een noodzakelijk en geschikt middel is om tot beëindiging van de overtreding te komen, maar dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het opleggen van de last in dit geval ook een evenwichtig middel is. Aan die overweging heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het college in het verweerschrift en ter zitting was teruggekomen van zijn aanvankelijke standpunt dat het perceel te klein is voor een volwaardig agrarisch bedrijf in de vorm van een bollenteeltbedrijf, zonder dit standpunt deugdelijk te onderbouwen. In dat verband heeft de rechtbank meegewogen dat het college ter onderbouwing weliswaar heeft verwezen naar een advies van adviesbureau Clevin (Clevin), maar dat dit advies niet bij het besluit op bezwaar van 10 januari 2022 was betrokken en in de beroepsprocedure ook niet was overgelegd.
4.3.
Na de uitspraak van de rechtbank heeft het college het bestreden besluit genomen. Het college stelt zich in dit besluit op het standpunt dat handhaving in dit geval niet onevenredig is. Volgens het college weegt het algemeen belang om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden zwaarder dan het individuele belang van eiser. Het college heeft er in dit verband op gewezen dat de rechtszekerheid en het voorkomen van rechtsongelijkheid verlangen dat handhavend wordt opgetreden bij constatering van overtredingen. Verder heeft het college het belang van het behoud van voldoende bollengrond benadrukt. Het college heeft voorts, onder verwijzing naar het rapport van Clevin van 16 mei 2022, het standpunt ingenomen dat het perceel van eiser voldoende groot is om dit in overeenstemming met het bestemmingsplan te gebruiken ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Tot slot ziet het college in de lange duur van de overtreding geen aanleiding om van handhavend optreden af te zien.
De overtreding
5. Vaststaat dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, omdat het gebruik van het perceel voor de opslag van auto’s, containers en goederen die niet zijn gerelateerd aan de agrarische bedrijfsvoering in strijd is met de regels van het bestemmingsplan.
Was handhavend optreden onevenredig?
6. Eiser betoogt dat handhavend optreden onevenredig is. Volgens eiser volgt uit de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2024 dat zijn perceel niet in overeenstemming met het bestemmingsplan gebruikt kan worden, omdat dit te klein is om hier een agrarisch bedrijf te vestigen. Dat betekent volgens eiser dat hij als gevolg van het handhavingsbesluit gedwongen wordt zijn perceel te verkopen. De gevolgen daarvan staan volgens eiser niet in verhouding tot het belang dat wordt gediend met handhaving.
7. Het college stelt zich op het standpunt dat handhavend mocht worden opgetreden. Volgens het college is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat het perceel van eiser in overeenstemming met het bestemmingsplan gebruikt kan worden. Het is volgens het college daarom niet noodzakelijk dat het perceel wordt verkocht aan een agrarisch bedrijf om de overtreding te beëindigen.
7.1.
De rechtbank heeft in overweging 7.4 van de uitspraak van 16 april 2024 onder meer het volgende overwogen over het standpunt van het college dat het perceel in overeenstemming met het bestemmingsplan kan worden gebruikt:
“Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij adviesbureau Clevin eveneens om advies heeft gevraagd, en dat Clevin heeft geconcludeerd dat het perceel van [eiser] wel doelmatig als bollengrond kan worden gebruikt. Verweerder heeft dit advies echter eveneens niet bij het bestreden besluit betrokken. Het bestreden besluit is reeds daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust niet op een draagkrachtige motivering. Reeds daarom komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.”
Het door de rechtbank geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in het destijds bestreden besluit, is een gebrek dat zich naar zijn aard leende voor herstel in een nieuw te nemen besluit op bezwaar. Voor zover eiser heeft betoogd dat met het nieuw te nemen besluit op bezwaar de opgelegde last onder dwangsom niet mocht worden gehandhaafd omdat de uitspraak van de rechtbank daarvoor geen ruimte bood, slaagt dit betoog niet.
7.2.
In het navolgende zal de rechtbank beoordelen of het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig was.
7.3.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak geldt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
7.4.
Niet in geschil is dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat en dat handhavend optreden in dit geval een noodzakelijk en geschikt middel is om de overtreding te beëindigen. Partijen verschillen van mening over de vraag of het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval ook een evenwichtig middel is.
7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat het perceel ten behoeve van de hierop rustende agrarische bestemming kan worden gebruikt. Dit blijkt uit het Clevin rapport waarnaar het college heeft verwezen. Hieruit volgt onder meer dat het perceel en het bedrijfsgebouw van eiser kunnen worden gebruikt door een startende onderneming met 2 tot 4 hectaren grond binnen de bollenstreek of door een bestaande teler voor de verwerking en/of opslag van bollen of bloemen of van opslag van machines en fust. In wat eiser heeft aangevoerd heeft het college geen aanleiding hoeven zien om deze bevindingen in het Clevin rapport in twijfel te trekken. Eiser heeft de juistheid en de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport van Clevin weliswaar betwist, maar zijn betoog ter zake niet met concrete gegevens onderbouwd. Ook heeft hij geen tegenadvies van een deskundige overgelegd waarin de bevindingen van Clevin worden weersproken.
7.6.
Bij het beoordelen van de evenwichtigheid van het handhavend optreden heeft het college verder mogen meewegen dat in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport is ingezet op het behoud van voldoende bollengrond en dat daarom tegen het gebruik van bollengrond in strijd met het bestemmingsplan dient te worden opgetreden.
Met verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling in een vergelijkbare zaak, heeft het college verder gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat de omliggende percelen eveneens bestemd zijn voor agrarische bedrijven en dat het perceel van eiser deel zou kunnen uitmaken van een bedrijf dat op deze omliggende percelen wordt uitgeoefend.
Tot slot heeft het college in de lange duur van de overtreding geen aanleiding hoeven zien om van handhavend optreden af te zien.
7.7.
De rechtbank volgt eiser niet voor zover hij heeft betoogd dat sprake is van een onuitvoerbare last. Volgens eiser blijkt de onuitvoerbaarheid van de last uit het feit dat meerdere pogingen van zijn kant om het perceel te verhuren op niets zijn uitgelopen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de opgelegde last ertoe strekt dat het gebruik van het perceel voor de opslag van goederen die niet zijn gerelateerd aan de agrarische bedrijfsvoering wordt beëindigd, evenals de verhuur van de loods aan niet-agrarische bedrijven. De opgelegde last strekt daarmee niet zover dat hieraan pas is voldaan wanneer het perceel wordt verhuurd aan een agrarisch bedrijf.
8. Uit het voorgaande volgt dat het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat aan het individuele belang van eiser bij voortzetting van de overtreding, minder gewicht toekomt dan aan het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Dat betekent dat er in dit geval geen bijzondere omstandigheden waren op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBDHA:2024:7245.
Artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:863.
Uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Uitspraak van de Afdeling van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1453. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|