Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:8171 
 
Datum uitspraak:27-03-2026
Datum gepubliceerd:07-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL24.12401 NL25.26026 en NL25.26028
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat niet is gebleken dat eiseres aanspraak kan maken op een verblijfsrecht na het meerderjarig worden van de zonen van eiseres op grond van artikel 20 VWEU en artikel 8 EVRM. Verder komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op goede gronden tot het standpunt is gekomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsrecht in Nederland als ‘EU-langdurig ingezetene’. Daarnaast is niet gebleken dat de weigering onevenredig is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond.
Trefwoorden:ingezetene
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.12401 (beroepszaak 1) en NL25.26026 (beroepszaak 2)
NL25.26208 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres/verzoekster
V-nummer: [#] ,
(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: drs. J.M. Sidler).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee beroepszaken van eiseres die de rechtbank samen op zitting heeft behandeld omdat de zaken inhoudelijk meerdere raakvlakken hebben. In beroepszaak 1 ligt, na intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres, de vraag voor of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU of artikel 8 EVRM. Verweerder vindt van niet. In beroepszaak 2 ligt de afwijzing voor van de aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’. Eiseres is het niet eens met beide besluiten. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten van verweerder.


1.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat niet is gebleken dat eiseres aanspraak kan maken op een verblijfsrecht na het meerderjarig worden van de zonen van eiseres op grond van artikel 20 VWEU en artikel 8 EVRM. Verder komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op goede gronden tot het standpunt is gekomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsrecht in Nederland als ‘EU-langdurig ingezetene’. Daarnaast is niet gebleken dat de weigering onevenredig is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
De rechtbank behandelt hierna aan de hand van wat op de zitting is geweest de in deze zaak te beantwoorden vragen. Onder 2 staat het procesverloop. Onder 3 staat relevante achtergrondinformatie. Onder 4 tot en met 5.2 staat het standpunt van verweerder. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Onder 6 en 6.1 bespreekt de rechtbank het verzoek om een bestuurlijke heroverweging. Onder 7 tot en met 7.4 geeft de rechtbank een oordeel over het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoons. De rechtbank gaat onder 8 in op de vraag of sprake is van een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU voordat de zoons van eiseres meerderjarig waren. De rechtbank bespreekt onder 9 tot en met 9.3 of verweerder het inburgerings- en middelenvereiste mocht tegenwerpen. Onder 10 en 10.1 beoordeelt de rechtbank de vraag of verweerder in beide beroepszaken rekening heeft gehouden met het evenredigheidsbeginsel. Tot slot volgt onder 11 de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan, en onder 12 de beslissing van de voorzieningenrechter.




Procesverloop


Ten aanzien van beroepszaak 1


2. Op 23 augustus 2013 is aan eiseres een EU-verblijfsdocument verstrekt als familielid van een als gemeenschapsonderdaan aangemerkte Nederlander. Eiseres heeft op 2 augustus 2018 een zelfstandig verblijfsdocument gekregen op basis van duurzaam verblijf als burger van de Unie. In het besluit van 23 juli 2021 (het primaire besluit) is het duurzaam verblijfsrecht van eiseres met terugwerkende kracht ingetrokken tot aan de datum van verlening (23 augustus 2013). Ook is vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als familielid van een tot gemeenschapsonderdaan aangemerkte Nederlander, op 1 november 2018 van rechtswege is geëindigd. Daarnaast is aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

2.1.
In het besluit van 29 april 2022 is het bezwaar van eiseres ongegrondverklaard en is vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als familielid van een tot gemeenschapsonderdaan aangemerkte Nederlander nooit heeft bestaan. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep gegrond verklaard op 22 februari 2023 en bepaald dat er een nieuw besluit moet worden genomen op het gemaakte bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Het hoger beroep is op 4 april 2023 ongegrond verklaard.



2.2.
In genoemde uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiseres nooit verblijfsrecht heeft gehad als familielid van een burger van de Europese Unie, en dat daaropvolgend ook het duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan nooit heeft bestaan. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of sprake is (geweest) van een dusdanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiseres en haar Nederlandse zonen dat verblijf in Nederland noodzakelijk moet worden geacht.



2.3.
Op 27 mei 2025 heeft verweerder een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit) waarbij het bezwaar van eiseres wederom ongegrond is verklaard.



2.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.


Ten aanzien van beroepszaak 2




2.5.
Op 9 maart 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'EU langdurig ingezetene'. Deze aanvraag is afgewezen door verweerder op 17 augustus 2023. Met het besluit van 12 maart 2024 heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Hier heeft eiseres beroep tegen ingesteld.


Ten aanzien van beide beroepen




2.6.
De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening op 1 december 2025 op zitting behandeld en het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft op 4 december 2025 het onderzoek heropend en de zaken verwezen naar de meervoudige kamer.



2.7.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam 1] als tolk, en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank


Achtergrond


3. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1965 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiseres is op 8 augustus 2006 met haar zonen in Nederland ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Op 1 augustus 2010 is zij getrouwd met de heer [naam 2] . Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. Samen hebben zij twee kinderen gekregen: [naam kind] (geboren op [geboortedatum 2] ) en [naam kind 1] (geboren op [geboortedatum 3] ). De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De heer [naam 2] is vermoord in Nigeria op 14 februari 2021. Eiseres heeft nog een dochter [naam dochter] die in Nederland woont, een dochter [naam dochter 1] die in Dubai woont en een dochter [naam dochter 2] die in Kenia woont. Eiseres verblijft momenteel bij een familievriend, [naam 3] . De zoon van eiseres, [naam kind 1] , heeft een dochter gekregen in september 2024.


Standpunt van verweerder



Ten aanzien van beroepszaak 1


4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres aan de voorwaarden voor verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez en artikel 20 VWEU heeft voldaan in de periode van 8 augustus 2006 tot 15 februari 2011. Feitelijk heeft eiseres een verblijfsvergunning gehad in België, welke geldig was van 15 februari 2011 tot 15 februari 2016. In die periode voldeed eiseres dus niet aan de voorwaarde dat 'tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.' Eiseres werd vanwege haar Belgische verblijfsdocument feitelijk niet met uitzetting bedreigd of gedwongen om met haar minderjarige kinderen de Europese Unie te verlaten. Op [geboortedatum 3] 2015 is de jongste zoon van eiseres meerderjarig geworden en kon eiseres geen aanspraak meer maken op het arrest Chavez-Vilchez en artikel 20 VWEU.


4.1.
Verweerder stelt in het bestreden besluit dat eiseres geen gegrond beroep kan doen op het arrest K.A. vanaf het moment dat haar zoons meerderjarig waren. Volgens verweerder is er geen zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiseres en haar twee zonen dat de meerderjarige kinderen bij verblijfsweigering aan de ouder gedwongen worden het grondgebied van de Unie te verlaten.



4.2.
Verweerder neemt geen familie- of gezinsleven aan in de zin van artikel 8 EVRM. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen bijkomende elementen zijn waardoor sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Verweerder vindt dat de omgang van eiseres met haar kinderen niet de gebruikelijke omgang overstijgt. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is gebleken van hechte persoonlijke banden met de kleinkinderen en daarom is geen sprake van gezinsleven met de kleinkinderen. Omdat volgens verweerder geen sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, komt verweerder niet toe aan een belangenafweging. Verweerder stelt vast dat er sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 EVRM, maar dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt.


Ten aanzien van beroepszaak 2


5. Verweerder heeft de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene dan wel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde en onbepaalde tijd afgewezen.



5.1.
Verweerder heeft zich ten aanzien van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene en de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan het middelenvereiste en het inburgeringsvereiste. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiseres niet aan de voorwaarde voldoet dat zij op het moment van het indienen van de aanvraag ten minste vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft gewoond, op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel.



5.2.
Verweerder stelt zich ten aanzien van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op het standpunt dat geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM hoeft te worden verleend. Bij beschikking van 23 juli 2021 is geconcludeerd dat geen sprake is van beschermwaardig familie- of gezinsleven of privéleven. Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en daarom ook afgezien van het horen van eiseres.


Wat is de betekenis van het verzoek om een bestuurlijke heroverweging voor deze procedure?


6. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder met de besluiten van 2 januari 2007 en van 11 december 2009 ten onrechte de aanvragen van eiseres om met haar kinderen in Nederland te mogen verblijven, heeft afgewezen. Eiseres stelt dat de eerder afgewezen aanvragen alsnog met terugwerkende kracht moeten worden ingewilligd. Op 14 januari 2026 heeft eiseres een officieel verzoek voor een bestuurlijke heroverweging ingediend bij verweerder. Ter zitting is duidelijk geworden dat verweerder dit verzoek heeft ontvangen en dat er een herstelverzuimbrief naar eiseres is verzonden omdat de aanvraag volgens verweerder niet volledig is. Daarom is er ook nog geen besluit genomen op het verzoek. Het verzoek bevindt zich nog in de aanvraagfase.



6.1.
Voor zover eiseres ter zitting heeft gesteld dat dit verzoek om een bestuurlijke heroverweging ook voorligt in deze procedure omdat verweerder in deze procedure de bestuurlijke heroverweging ambtshalve had moeten maken, ziet de rechtbank daar geen wettelijke grondslag voor. De beroepsgrond slaagt daarom niet.


Is sprake van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in het arrest K.A. en artikel 8 EVRM nadat de zonen van eiseres meerderjarig zijn geworden?


7. Eiseres voert aan dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in het arrest K.A. en artikel 8 EVRM nadat de zonen van eiseres meerderjarig zijn geworden. Eiseres heeft een intensieve band met haar kinderen en kleinkinderen. Verder heeft de dood van haar echtgenoot, de vader van haar zoons, diepe wonden achtergelaten bij haar kinderen. Haar kinderen hebben hun moeder nodig om dit te verwerken.



7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat niet is gebleken dat eiseres aanspraak kan maken op een verblijfsrecht na het meerderjarig worden van de zonen van eiseres op grond van artikel 20 VWEU en artikel 8 EVRM. De rechtbank motiveert dat als volgt.



7.2.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat er sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in het arrest K.A., waarbij er tussen eiseres en haar meerderjarige zonen een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat haar zonen de Europese Unie moeten verlaten bij verblijfsweigering aan eiseres. Daarbij geldt dat de oudste zoon van eiseres, [naam kind] , op [geboortedatum 1] 2012 meerderjarig is geworden en op 1 november 2017, toen hij bijna 23 jaar oud was, zelfstandig is gaan wonen en dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat sinds zijn meerderjarigheid sprake zou zijn geweest van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in het arrest K.A. Ten aanzien van de jongste zoon van eiseres, [naam kind 1] , geldt dat hij op [geboortedatum 3] 2015 meerderjarig is geworden. Hij is in augustus 2021 zelfstandig gaan wonen, met een onderbreking van februari 2023 tot uiterlijk maart 2024. Verweerder heeft hierover kunnen opmerken dat hoewel hij nog tot de leeftijd van 24 jaar met eiseres in gezinsverband heeft gewoond, niet is gebleken dat er in de periode waarin hij meerderjarig is geworden sprake is geweest van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiseres en haar zoon dat hij gedwongen zou zijn geweest de Europese Unie te verlaten als aan eiseres geen verblijf zou zijn toegestaan. Uit de stempels in het paspoort van eiseres is bijvoorbeeld gebleken dat zij meerdere keren lange periodes van twee en drie maanden in de Verenigde Arabische Emiraten heeft verbleven. Daarnaast is eiseres van februari 2019 tot september 2019 niet in Nederland geweest. Bovendien heeft haar zoon [naam kind 1] van maart 2018 tot december 2018 in de Verenigde Arabische Emiraten verbleven. Zij hebben elkaar langere periodes niet gezien. Wat betreft de periode tussen april 2015 en november 2017 is niet gebleken dat de situatie wezenlijk anders is geweest dan in de periode zoals hiervoor besproken. Verweerder heeft daaruit mogen opmaken dat niet is gebleken dat eiseres en haar zoon op geen enkele wijze van elkaar zouden kunnen worden gescheiden. Dat eiseres samen met haar zonen het rouwproces ten aanzien van hun vader heeft doorlopen, heeft verweerder in dit kader niet doorslaggevend hoeven achten.



7.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ook op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar meerderjarige zonen waardoor er sprake is van beschermingswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft bij de beoordeling kunnen betrekken dat eiseres al enige tijd niet meer samenwoont met (één van haar) zonen en dat haar zoon [naam kind 1] een eigen gezin heeft gesticht. Bovendien was eiseres voor langere periodes niet bij haar zoon(s), omdat zij of [naam kind 1] voor een langere periode in het buitenland zat. Verweerder heeft verder bij de beoordeling mogen betrekken dat niet is gebleken dat de kinderen afhankelijk zijn van eiseres, dat de kinderen van eiseres zichzelf staande kunnen houden en dat niet is gebleken van financiële afhankelijkheid. Verweerder heeft ook kunnen tegenwerpen dat niet is onderbouwd dat er sprake is van medische omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat eiseres afhankelijk is van de hulp van haar zonen. Hierbij heeft verweerder ook kunnen opmerken dat eiseres 41 jaar in Nigeria heeft gewoond en niet aannemelijk is gemaakt dat zij haar leven daar, al dan niet met hulp van anderen, opnieuw kan opbouwen. Verder heeft verweerder kunnen opmerken dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij geen verblijf kan aanvragen bij een van haar twee dochters in Dubai en Kenia. Verweerder heeft ten slotte kunnen tegenwerpen dat de betrokkenheid van eiseres bij haar kinderen en kleinkinderen gebruikelijk is in een relatie tussen ouders en hun meerderjarige kinderen en kleinkinderen. De band tussen eiseres en haar kleinkinderen overstijgt ook niet de gebruikelijke omgang tussen grootouders en kleinkinderen. Volgens verweerder is daarom niet gebleken van hechte banden met de kleinkinderen. Omdat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, was verweerder daarom niet gehouden om een belangenafweging te maken.



7.4.
De beroepsgrond slaagt niet.


Was sprake van een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU voordat de zoons meerderjarig werden?


8. De rechtbank overweegt dat in beroepszaak 1 door verweerder is getoetst gedurende welke periode eiseres verblijfsrecht had op grond van artikel 20 VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of eiseres aanspraak kon maken op een dergelijk verblijfsrecht vanaf het ingaan van het Belgische verblijfsrecht (15 februari 2011) tot de 18e verjaardag van haar jongste zoon ( [geboortedatum 3] 2015), geen bespreking behoeft vanwege het volgende. De rechtbank heeft hiervoor onder 7.1-7.3 geconcludeerd dat er na het bereiken van de 18-jarige leeftijd van de jongste zoon van eiseres geen aanspraak kan worden gemaakt op verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM of arrest K.A. Het vaststellen van een eventueel verblijfsrecht tot aan de 18e verjaardag van de jongste zoon van eiseres helpt eiseres niet, omdat het oordeel van de rechtbank betekent dat er in ieder geval tussen [geboortedatum 3] 2015 en het indienen van de aanvraag voor langdurig ingezetenen op 8 maart 2023 geen rechtmatig verblijf was, terwijl dit een voorwaarde is voor de aanvraag die in beroepszaak 2 voorligt. De rechtbank is verder van oordeel dat ook voor verweerders standpunt, welke pas is ingenomen ter zitting, dat de ingangsdatum van een eventueel eerder verblijfsrecht niet voor 1 december 2009 kan liggen omdat op die datum het Verdrag van Lissabon in werking is getreden en daarmee ook artikel 20 VWEU, geldt dat dit niet kan bijdragen aan de beoordeling. De rechtbank zal zich daarom ook niet over dat standpunt uitlaten.


Heeft verweerder eiseres kunnen tegenwerpen dat zij niet aan het inburgerings- en middelenvereiste voldoet?


9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres in beroepszaak 2 heeft mogen tegenwerpen dat zij niet aan het inburgerings- en middelenvereiste voldoet. Dit zijn zelfstandige voorwaarden voor een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene. Omdat eiseres daar niet aan voldoet, heeft verweerder ook op die gronden de aanvraag van eiseres mogen afwijzen. De rechtbank legt haar oordeel hieronder uit.



9.1.
Ten aanzien van het inburgeringsvereiste stelt de rechtbank voorop dat eiseres niet heeft betwist dat zij niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Daarbij heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat niet is niet gebleken en gesteld dat eiseres vanwege bijzondere individuele omstandigheden dan wel vanwege medische omstandigheden niet in staat is om het inburgeringsexamen te behalen. Verweerder mocht dan ook in het geval van eiseres vasthouden aan het inburgeringsvereiste.



9.2.
Ten aanzien van het middelenvereiste volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eiseres niet voldoet aan het middelenvereiste. Eiseres beschikt namelijk niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft bij de beoordeling kunnen betrekken dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit arbeid in loondienst verrichtte bij ‘ [B.V.] ’, maar dat haar inkomen werd aangevuld vanuit publieke middelen. Eiseres stelt dat zij een beroep kan doen op haar familie, maar heeft geen informatie meegestuurd waaruit dat blijkt. Verweerder heeft daarnaast ook voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet vrijgesteld kan worden van het middelenvereiste, omdat er voor aanvragen voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene geen vrijstellingen gelden.



9.3.
De beroepsgrond slaagt niet.


Heeft verweerder voldoende oog gehad voor het evenredigheidsbeginsel?


10. Eiseres stelt dat de nadelige gevolgen van de besluiten voor eiseres onevenredig uitvallen. Eiseres heeft hierbij aangevoerd dat haar belang om haar laatste levensfase bij haar familie in Nederland door te brengen groter is dan het belang van verweerder om eiseres uit te zetten naar Nigeria. Daarnaast woont eiseres al bijna 20 jaar onafgebroken in Nederland en wonen haar kinderen en kleinkinderen in Nederland.



10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is gebleken dat en waarom de nadelige gevolgen van de besluiten voor eiseres onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met de besluiten gediend wordt. De aanvraag voor een verblijfsvergunning EU langdurig ingezetene dan wel regulier voor onbepaalde tijd is afgewezen omdat eiseres niet aan de voorwaarden voldoet. De aangevoerde omstandigheden leiden naar het oordeel van de rechtbank niet tot strijd met het evenredigheidsbeginsel.




Conclusie en gevolgen

11. Beide beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres in beide procedures geen gelijk krijgt en daarom niet in het bezit hoefde te worden gesteld van een verblijfsvergunning. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.



Het verzoek om een voorlopige voorziening

12. Omdat op beroepszaak 1 is beslist en dit beroep ongegrond is verklaard, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoekster krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, voorzitter en voorzieningenrechter, en mr. J.L. Roubos en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op de beroepen, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


ECLI:NL:RBDHA:2023:2450.


Zaaknummer: 202301834/2/V3.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354).


Arrest van het Hof van 8 mei 2018 (ECLI:EU:C:2018:308).


Van 3 november 2017 tot 9 januari 2018, van 15 december 2019 tot 13 maart 2020 en van 2 november 2020 tot 30 januari 2021.
Link naar deze uitspraak