Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:8176 
 
Datum uitspraak:03-04-2026
Datum gepubliceerd:07-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.12662
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder zich gelet op de eerdere rechterlijke uitspraak niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij afwijzing van de mvv-aanvraag geen sprake is van een inbreuk op artikel 8 van het EVRM1, omdat aan eiser een studievergunning is verleend. Daarnaast heeft verweerder de belangenafweging op meerdere punten onvoldoende gemotiveerd. Het besluit wordt daarom vernietigd.
Trefwoorden:levensonderhoud
studiefinanciering
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.12662

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,
V-nummer: [#]
(gemachtigden: mr. N. Vreede en mr. L. Haenen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: drs. J.M. Sidler).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder zich gelet op de eerdere rechterlijke uitspraak niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij afwijzing van de mvv-aanvraag geen sprake is van een inbreuk op artikel 8 van het EVRM, omdat aan eiser een studievergunning is verleend. Daarnaast heeft verweerder de belangenafweging op meerdere punten onvoldoende gemotiveerd. Het besluit wordt daarom vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiser heeft een mvv-aanvraag ingediend voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam stiefvader] en [naam moeder] ’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 november 2022 afgewezen. Met het besluit van 26 juli 2023 is verweerder na bezwaar bij zijn afwijzing gebleven. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 18 december 2024 het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Ter uitvoering van deze rechterlijke uitspraak heeft verweerder op 17 februari 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Met dit besluit is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Ook tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.


2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.




Beoordeling door de rechtbank


Achtergrond


3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Zuid-Afrikaanse nationaliteit.
De moeder van eiser is [naam moeder] en zijn stiefvader is [naam stiefvader] (referenten). In februari 2022 zijn de moeder en stiefvader van eiser samen met haar minderjarige dochter [naam dochter] naar Nederland gekomen. De stiefvader van eiser is als houder van een Europese Blauwe Kaart in Nederland voor onbepaalde tijd komen werken als predikant. Eiser is destijds in Zuid-Afrika achtergebleven voor zijn studie.


3.1.
Eiser verblijft momenteel bij referenten in Nederland en is door verweerder sinds 15 januari 2024 in het bezit gesteld van een studievergunning die geldig is tot 1 mei 2028. Eiser studeert sinds februari 2024 in Nederland.


Besluit van verweerder


4. Verweerder heeft de mvv-aanvraag in het primaire besluit afgewezen om de volgende redenen. Verweerder vindt dat geen sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarnaast is de belangenafweging in het nadeel van eiser uitgevallen.



4.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er familie- en gezinsleven is op grond van artikel 8 van het EVRM, maar dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Daarom vindt verweerder de afwijzing van de aanvraag niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Daarbij komt dat eiser met een studievergunning al in Nederland verblijft bij referenten en de afwijzing van de aanvraag dus niet leidt tot een scheiding van eiser en referenten.


Maakt de verleende studievergunning dat afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM?


5. Nadat verweerder in het bestreden besluit heeft uiteengezet waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt, heeft verweerder opgemerkt dat afwijzing van de aanvraag bovendien al geen schending oplevert van artikel 8 EVRM omdat eiser al in het bezit is gesteld van een studievergunning. De afwijzing heeft dus niet tot gevolg dat sprake is van het scheiden van gezinsleden. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zijn standpunt gewijzigd in die zin dat dit de primaire afwijsgrond is geworden. Verweerder wijst daarbij op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 februari 2024. De in het besluit verrichte belangenafweging moet volgens verweerder bij nader inzien worden gezien als ten overvloede en is enkel verricht om uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2024.



5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de eerdere rechterlijke uitspraak geen ruimte laat voor het alsnog hanteren van deze afwijsgrond. De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder in de uitspraak van 18 december 2024 is opgedragen een nieuw besluit te nemen en daarbij een nieuwe belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 van het EVRM. Verweerder moest daarbij ingaan op alle gewijzigde omstandigheden en in de beoordeling betrekken dat eiser een studievergunning heeft. De omstandigheid dat eiser een studievergunning had, was ten tijde van die uitspraak al bekend en is meegenomen in de overwegingen. Desondanks heeft de rechtbank in die uitspraak niet overwogen dat de aanwezigheid van de studievergunning betekende dat de afwijzing van eisers aanvraag geen strijd met artikel 8 EVRM meer opleverde, maar heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in een nieuw te nemen besluit een nieuwe belangenafweging moest maken. Verweerder is destijds niet in hoger beroep gegaan tegen deze inmiddels in rechte vaststaande uitspraak en dan geldt in het Nederlandse rechtssysteem dat de in de uitspraak neergelegde opdracht moet worden opgevolgd. Deze uitspraak geeft aldus het kader waar de rechtbank in deze procedure op voortborduurt. Verweerder moest dus de uitspraak uitvoeren en een nieuwe belangenafweging maken. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de eerdere uitspraak op dit punt in lijn is met de rechtspraak van de Afdeling.


Heeft verweerder de belangenafweging deugdelijk gemotiveerd en alle belangen kenbaar betrokken?


6. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat tussen eiser en referenten op grond van het jongvolwassenenbeleid sprake is van beschermwaardig familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In geschil is of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft kunnen laten uitvallen. Bij de beantwoording van de vraag of inmenging in het gezins- of privéleven beschermd door artikel 8 van het EVRM is gerechtvaardigd, dient er een ‘fair balance’ te worden gevonden tussen de belangen van de vreemdeling enerzijds en het algemeen belang van de Staat anderzijds. De rechtbank beoordeelt zonder terughoudendheid of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en beoordeelt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend.


Familie- en gezinsleven




6.1.
Verweerder heeft terecht in het voordeel van eiser betrokken dat er sprake is van beschermwaardig familie- en gezinsleven.


Economisch belang




6.2.
Verweerder heeft het economisch belang van de Nederlandse overheid in het nadeel van eiser betrokken. Verweerder heeft hierbij wel opgemerkt dat het belang van de Nederlandse overheid minder zwaar weegt voor referent, omdat hij een eigen inkomen heeft om de kosten van levensonderhoud van zijn gezin te kunnen betalen. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat het economisch belang breder moet worden gezien en heeft de volgende elementen betrokken.


6.2.1.
Verweerder had in het bestreden besluit in het kader van het economisch belang tegengeworpen dat eiser in de toekomst eventueel een beroep zou doen op huisvesting, maar verweerder heeft deze tegenwerping in het verweerschrift laten vallen.



6.2.2.
Verweerder heeft de omstandigheid dat eiser een studie volgt in Nederland in het nadeel van eiser betrokken. De rechtbank merkt op dat in de uitspraak van 18 december 2024 het volgende is overwogen:
“[…]de rechtbank [kan] er in dit geval niet omheen dat eiser momenteel in Nederland verblijft op basis van een studievergunning. Dit vindt de rechtbank tegenstrijdig met het standpunt dat verweerder in deze zaak inneemt. Verweerder kan gezien deze werkelijkheid niet langer volhouden dat in het nadeel dient te worden meegewogen dat eiser een beroep zal gaan doen op studievoorzieningen. Want verweerder heeft eiser een studievergunning verstrekt waar hij momenteel gebruik van maakt. Verweerder is bovendien onvoldoende ingegaan op de stelling van eiser dat hij instellingsgeld betaalt en niet in aanmerking komt voor studiefinanciering.”
De rechtbank merkt op dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat eiser bij het verlenen van de gevraagde vergunning mogelijk aanspraak zal maken op toelages in het kader van studievoorzieningen en dit in het nadeel van eiser is meegewogen. Eiser heeft ter zitting weersproken dat hij daar recht op zal hebben en hij heeft gesteld dat hij instellingscollegegeld moet betalen. Verweerder heeft niet onderbouwd dat eiser aanspraak zal kunnen maken op studietoelages en daarmee naar het oordeel van de rechtbank geen gevolg gegeven aan de eerdere uitspraak. De rechtbank is gelet op de vorige uitspraak en het uitblijven van een onderbouwing door verweerder van zijn stellingen op dit punt, van oordeel dat verweerder niet langer in het nadeel van eiser kan betrekken dat hij hier een studie volgt met een studievergunning.



6.2.3.
Verweerder heeft eiser in het kader van het economische belang wel mogen tegenwerpen dat hij een beroep zal gaan doen op voorzieningen, waaronder de gezondheidszorg en infrastructuur. De rechtbank acht het een gegeven dat alle vreemdelingen die naar Nederland komen ooit een beroep zullen doen op de infrastructuur of de gezondheidszorg. Verweerder mag het (toekomstige) gebruik van deze voorzieningen in het nadeel van de vreemdeling betrekken zonder dat nodig is dat de vreemdeling daarvoor een verwijt te maken valt.



6.2.4.
De rechtbank merkt op dat in de uitspraak van 18 december 2024 is overwogen dat verweerder onvoldoende had toegelicht welk gewicht er is toegekend aan het feit dat referent een EU-kennismigrant is. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sinds 2 september 2022 niet meer doorslaggevend is dat de referent een kennismigrant is, onder verwijzing naar een uitspraak van 28 maart 2024. Volgens verweerder betekent dat in het geval van eiser dat het gewicht dat wordt toegekend aan het feit dat eisers stiefvader een kennismigrant is, nihil is. De rechtbank is van oordeel dat uit de eerdere uitspraak weliswaar volgt dat een kennismigrant als referent niet langer doorslaggevend is, maar ook dat er wel enig gewicht in het voordeel van de vreemdeling moet worden gegeven. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat er geen enkel voordeel wordt toegekend vanwege het feit dat de stiefvader van eiser kennismigrant is.


Restrictief toelatingsbeleid





6.3.
Verweerder heeft daarnaast het restrictief toelatingsbeleid in het nadeel van eiser betrokken. Verweerder heeft verwezen naar de Afdelingsuitspraak van 4 maart 2024 waaruit volgt dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid een op zichzelf staand belang is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit belang voldoende gemotiveerd in het nadeel van eiser heeft betrokken.


Banden met Zuid-Afrika




6.4.
Verweerder heeft daarnaast kunnen betrekken in eisers nadeel dat zijn banden met Zuid-Afrika sterker zijn dan met zijn banden met Nederland. Dit is door eiser ook niet betwist.


Objectieve belemmering




6.5.
Verweerder heeft ook kunnen tegenwerpen dat er geen sprake is van een objectieve belemmering, voor zover die ziet op het kunnen uitoefenen van het gezinsleven in Zuid-Afrika. Eiser heeft ook dit niet betwist.


Hechte banden en afhankelijkheid van moeder




6.6.
Verweerder heeft in eisers nadeel gewogen dat niet is gebleken van hechte banden tussen eiser en referenten omdat referenten bewust de keuze hebben gemaakt om zonder eiser naar Nederland te vertrekken. De rechtbank merkt op dat in de uitspraak van 18 december 2024 is opgenomen dat verweerder had moeten motiveren waarom het traumatische verleden van eiser, de hechtheid van zijn familie en zijn afhankelijkheid van met name zijn moeder, die psycholoog is, geen rol speelt in het voordeel van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder die elementen wederom niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Uit de eerdere uitspraak blijkt immers dat daar al is aangenomen dat er tussen eiser en zijn familie sprake is van hechte banden. Dat is daarom nu een gegeven, waar verweerder van uit moet gaan. Ditzelfde geldt voor de conclusie in de vorige uitspraak, dat sprake is van afhankelijkheid van eiser van met name zijn moeder. De rechtbank merkt in dit verband verder nog op dat omdat verweerder is uitgegaan van familie- of gezinsleven op grond van het jongvolwassenenbeleid, gegeven is dat er sprake is van enige mate van afhankelijkheid tussen de gezinsleden. Dat het een vrijwillige scheiding betrof is in de context van de belangenafweging niet relevant; die vraag speelde alleen een rol bij de beoordeling of eiser onder het jongvolwassenbeleid valt en of sprake is van gezinsleven. Verweerder heeft de afhankelijkheid en hechtheid van de banden tussen eiser en referent daarom niet in het nadeel van eiser mogen betrekken. Dit geldt ook voor het standpunt van verweerder dat in het nadeel van eiser wordt betrokken dat eiser studeert en er daarom een bepaalde mate van zelfstandigheid mag worden verwacht, ondanks zijn traumatische verleden, evenals het meewegen dat eiser banden heeft met Zuid-Afrika en er daarom mogelijkheden zijn aldaar zelfstandig te functioneren. Ook daarvoor geldt dat er gezinsleven op grond van het jongvolwassenenbeleid is aangenomen, en dat niet in het nadeel van eiser kan worden tegengeworpen dat eiser eventueel zelfstandig zou kunnen functioneren. Dit betreft geen belang dat gewicht in de schaal kan leggen bij de belangenafweging.


Traumatisch verleden


Daarbij komt dat verweerder niet heeft betwist dat eiser getraumatiseerd is wegens het meegemaakte huiselijk geweld van zijn biologische vader tegen hem en zijn moeder. Voor de rechtbank is niet navolgbaar dat verweerder in het bestreden besluit enerzijds benoemt dat voorstelbaar is dat eiser en zijn gezinsleden vanwege hun gezamenlijke geschiedenis (waaronder dus het huiselijk geweld) een nauwe band hebben met elkaar, en anderzijds stelt dat dit geen uitzonderlijke omstandigheid is die in het voordeel van eiser moet worden betrokken, omdat het een situatie is die naar normale maatstaven gebruikelijk is binnen een gezin of familie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee het trauma van eiser niet kenbaar heeft betrokken in de besluitvorming, omdat het meegemaakte gezamenlijke trauma wel degelijk een uitzonderlijke omstandigheid vormt ten opzichte van wat gebruikelijk is binnen een gezin.


Conclusie




6.7.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder wederom op meerdere punten niet deugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser dient uit te vallen. Deze motiveringsgebreken staan in 6.2.2., 6.2.4. en 6.6. van deze uitspraak. Daarom kan de belangenafweging geen stand houden. De beroepsgrond slaagt.




Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel uit artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de aanvraag van eiser is afgewezen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing op de mvv-aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.


7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.



7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 februari 2025;
- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, voorzitter, en mr. E. Broekhof en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Zaaknummer: NL23.24155, niet gepubliceerd.


ECLI:NL:RVS:2024:443.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.


Europese Unie.


Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht (ECLI:NL:RBDHA:2024:5696).


Zie rechtsoverweging 9.1.


ECLI:NL:RVS:2024:876.
Link naar deze uitspraak