|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:8399 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 23/4924 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden ten behoeve van het herontwikkelen van het weidevogelgebied in de Zoetermeerse Meerpolder en de afwijzing van een handhavingsverzoek. Eisers hebben een agrarisch bedrijf en beschikken over een aantal agrarische percelen in de Zoetermeerse Meerpolder. Hun percelen grenzen aan het weidevogelgebied. Zij vrezen dat de inrichting van het weidevogelgebied tot een beperking van de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van hun agrarische percelen leidt. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen en het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4924
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen
[bedrijf] B.V. (eiseres 1) en [eiser] (eiser 2), uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. E.H.E.J. Wijnen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg
(gemachtigde: mr. J. dos Santos).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de publiekrechtelijke rechtspersoon Provincie Zuid-Holland, te Den Haag (vergunninghoudster)
(gemachtigde: J. Verhulst).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden ten behoeve van het herontwikkelen van het weidevogelgebied in de Zoetermeerse Meerpolder en de afwijzing van een handhavingsverzoek. Eisers hebben een agrarisch bedrijf en beschikken over een aantal agrarische percelen in de Zoetermeerse Meerpolder. Hun percelen grenzen aan het weidevogelgebied. Zij vrezen dat de inrichting van het weidevogelgebied tot een beperking van de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van hun agrarische percelen leidt. Eisers hebben daarom beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen en het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. In verband met de lange duur van de procedure wordt aan eisers wel een schadevergoeding toegekend.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 12 juli 2022 een verzoek om handhaving bij het college ingediend, gericht tegen de uitvoering van werken en werkzaamheden in Weidevogelgebied Zoetermeerse Meerpolder (het weidevogelgebied).
2.1.
Op 15 juli 2022 heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitvoeren van die werken en werkzaamheden.
2.2.
Met het besluit van 29 juli 2022 (primair besluit I) heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen.
2.3.
Met het besluit van 1 augustus 2022 (primair besluit II) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster.
2.4.
Met het besluit op bezwaar van 13 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Met het besluit van 29 juli 2022 (primair besluit I) heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Volgens het college was op dat moment geen sprake van een overtreding, omdat de werkzaamheden waarop het handhavingsverzoek betrekking had waren stilgelegd.
3.1.
Met het besluit van 1 augustus 2022 (primair besluit II) heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster. De vergunde werken en werkzaamheden betreffen onder meer het wijzigen van waterlopen of watergangen, het ophogen en afgraven van gronden, het aanleggen van natuurelementen en het realiseren of wijzigen van duikers, dammen en bruggen. Deze werken en werkzaamheden zijn erop gericht de betrokken percelen geschikt te maken als weidevogelgebied.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard en deze besluiten in stand gelaten. Met betrekking tot het afgewezen handhavingsverzoek heeft het college in dit besluit het standpunt ingenomen dat geen sprake meer was van een overtreding, omdat inmiddels een omgevingsvergunning was verleend voor de activiteiten waarop het handhavingsverzoek betrekking had.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning of een verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag of dat verzoek onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Het verzoek om handhaving is ingediend op 12 juli 2022 en de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 15 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep relevante wetgeving is te vinden in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De verleende omgevingsvergunning
Omvang van het beroep
5. De rechtbank stelt voorop dat eisers ter zitting hebben bevestigd dat hun beroep betrekking heeft op alle percelen waarop de verleende omgevingsvergunning ziet en niet alleen op de acht percelen waarop in het beroepschrift de nadruk wordt gelegd.
Is er strijd met het bestemmingsplan?
6. Eisers betogen dat de herontwikkeling van het weidevogelgebied tot een beperking van de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van hun agrarische percelen leidt. De belemmeringen die als gevolg van de vergunde werken en werkzaamheden ontstaan, bestaan volgens eisers uit de verspreiding van onkruid naar hun percelen en de noodzaak tot bestrijding daarvan, faunaschade doordat vogels op hun gronden zullen foerageren, inkomensschade doordat het moeilijker wordt op de percelen te werken en uitstel van werkzaamheden door het foerageren en broeden van vogels op hun percelen. Verder vrezen zij voor vernattingsschade door verhoging van de waterstanden op aangrenzende percelen en voor een verminderde verkoopbaarheid van hun gronden. Als toekomstige belemmering wijzen eisers op de mogelijke aanwijzing van het weidevogelgebied binnen het Natuurnetwerk Nederland en/of als Natura 2000-gebied. De uitbreidingsmogelijkheden voor hun onderneming worden volgens eisers bovendien beperkt doordat de aangrenzende en nabijgelegen percelen niet meer op de markt komen vanwege de status van weidevogelgebied. Ter onderbouwing van hun standpunt wijzen eisers op een rapport van Adviesbureau AAB Nederland van 25 augustus 2022. Eisers vinden dat hun belangen onvoldoende in de besluitvorming van het college zijn betrokken. De omgevingsvergunning had daarom volgens eisers niet verleend mogen worden.
7. Het college stelt zich op het standpunt dat de bestemming die op de betrokken percelen rust, het mogelijk maakt om deze percelen als weidevogelgebied in te richten en te gebruiken. Het bestreden besluit brengt hierin geen verandering. Bovendien is het volgens het college niet aannemelijk dat de uitvoering van de vergunde werken en werkzaamheden een belemmering met zich brengt voor de agrarische bedrijfsvoering van eisers. In het kader van de gemaakte belangenafweging heeft het college meer gewicht toegekend aan de natuurwaarden, de biodiversiteit en het waterbeheer, dan aan het belang van de agrariërs. Met betrekking tot de agrarische waarden heeft het college in aanmerking genomen dat het weidevogelgebied in het laagst gelegen deel van de Zoetermeerse Meerpolder ligt, waardoor er structureel wateroverlast is voor agrariërs in dit gebied. De dubbelfunctie van het weidevogelgebied als waterberging zorgt volgens het college voor het drooghouden van de omliggende agrarische weilanden. De inrichting van het weidevogelgebied zorgt bovendien voor een betere kavelindeling met meer aaneengesloten eigendommen, waarbij landbouwkundig betere gronden naar agrariërs gaan en de nattere, landbouwkundig slechtere gronden naar het weidevogelgebied. Verder heeft het college meegewogen dat het weidevogelgebied in agrarisch beheer blijft. Hiervoor zijn beheercontracten afgesloten met agrariërs die eigenaar zijn van de aangrenzende weilanden. Het beheer van het weidevogelgebied is minder intensief, waardoor de gronden binnen dit gebied een lagere agrarische opbrengst hebben dan de gronden met een regulier agrarisch beheer. Deze lagere agrarische opbrengst wordt volgens het college gecompenseerd door de lage pachtlasten en door het beëindigen van de wateroverlast op de omliggende weilanden.
7.1.
Ter plaatse van de werken en werkzaamheden is het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” van toepassing en gelden de bestemmingen “Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden” en “Water”. Binnen het plangebied is ook de dubbelbestemming “Waarde archeologie – lage verwachting” van toepassing.
7.2.
Ingevolge artikel 7.8.1 van de planregels is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op en/of in de gronden met de in de in dat artikel weergegeven tabel aangegeven (dubbel)bestemming(en), de daarbij aangegeven werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren.
Ingevolge artikel 7.8.4, aanhef en onder d, van de planregels wordt de omgevingsvergunning voor de overige werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.8.1 van de planregels slechts verleend, indien en voor zover de werken en/of werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft geen belemmering met zich meebrengen voor bestaande agrarische bedrijfsvoeringen en/of de inrichting dan wel uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bedrijfspercelen. Uit deze bepaling volgt voorts – kort gezegd en voor zover hier van belang – dat de omgevingsvergunning slechts wordt verleend als een afweging van de in geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarisch belang en de belangen die met de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie lage verwachting” worden gediend, tot uitkomst heeft dat de omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd.
7.3.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de omgevingsvergunning geweigerd had moeten worden omdat de herinrichting van de percelen als weidevogelgebied tot een beperking van de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van hun agrarische percelen leidt. De rechtbank stelt hierbij voorop dat de beoordeling op grond van artikel 7.8.4 van de planregels zich beperkt tot de vraag of de vergunde werken en werkzaamheden als zodanig een belemmering opleveren voor de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van de agrarische bedrijfspercelen van eisers. Gelet op het bepaalde in artikel 7.8.4 heeft deze beoordeling geen betrekking op het gebruik van de percelen na de herinrichting en de gevolgen daarvan. Dat de vergunde werken en werkzaamheden op zichzelf beschouwd de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van de percelen van eisers beperken, is niet gebleken. Voor zover eisers hebben betoogd dat deze beperkingen voortvloeien uit het gebruik van de naastgelegen percelen als weidevogelgebied, leidt dit betoog niet tot het daarmee beoogde resultaat. Niet in geschil is dat het gebruik van deze percelen niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de bestemming “Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden” het gebruik als weidevogelgebied toestaat. De door eisers naar voren gebrachte belemmeringen zijn daarom niet het gevolg van het bestreden besluit, maar van de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Die gebruiksmogelijkheden kunnen in deze procedure niet aan de orde worden gesteld.
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen grond voor het oordeel dat de belangenafweging die het college heeft gemaakt tot een andere uitkomst had moeten leiden. Ook bij deze belangenafweging gaat het niet om het toekomstig gebruik van de betrokken percelen als weidevogelgebied, maar om de vraag of het college de omgevingsvergunning voor de aangevraagde werken en werkzaamheden in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Zoals onder 7.3. is overwogen is niet gebleken dat eisers door die werken en werkzaamheden in hun agrarische bedrijfsvoering worden belemmerd of worden geraakt in de inrichting dan wel uitbreidingsmogelijkheden van hun agrarische bedrijfspercelen. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat andere agrarische belangen in de weg stonden aan vergunningverlening. Het college heeft in dit verband kunnen meewegen dat de percelen in agrarisch beheer blijven en dat de lagere agrarische opbrengst vanwege het minder intensieve beheer wordt gecompenseerd. Daarnaast heeft het college in zijn belangenafweging mogen betrekken dat de vergunde werken en werkzaamheden bijdragen aan de inrichting van het weidevogelgebied als waterberging en daarmee aan het terugdringen van de wateroverlast op de omringende agrarische percelen.
7.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de werken en werkzaamheden geen strijd opleveren met artikel 7.8.4 van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning is daarom terecht verleend. Het betoog van eisers slaagt niet.
De afwijzing van het handhavingsverzoek
8. Eisers stellen dat het college de gevraagde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden niet had mogen verlenen. In dat licht is ook hun handhavingsverzoek volgens eisers ten onrechte afgewezen. Volgens eisers kan het bestreden besluit daarom ook in zoverre geen stand houden.
8.1.
Met primair besluit II heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van de werken en werkzaamheden. Dit besluit is met het bestreden besluit gehandhaafd. Nu deze omgevingsvergunning was verleend, was het college ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet bevoegd handhavend op te treden omdat geen sprake was van een overtreding. In het bestreden besluit is het college daarom terecht bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven. Het betoogt slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
9. Eisers hebben verzocht om schadevergoeding omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.
9.1.
De behandeling van zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepstermijn, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De redelijke termijn vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.
9.2.
Het bezwaarschrift is op 10 augustus 2022 door het college ontvangen. De behandeling van de zaak heeft in totaal (afgerond naar boven) 44 maanden geduurd. De redelijke termijn is dus met 20 maanden overschreden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eisers aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Eisers hebben gezamenlijk recht op een schadevergoeding van € 2.000,-.
9.3.
Het besluit op bezwaar is op 13 juni 2023 genomen. De duur van een half jaar die voor de behandeling van het bezwaar redelijk wordt geacht is daarmee met afgerond vijf maanden overschreden. Van de overschrijding van de redelijke termijn moeten daarom vijf maanden aan de bezwaarfase worden toegerekend en de overige vijftien maanden aan de beroepsfase. Het college moet daarom een bedrag van € 500,- (5/20 van € 2.000,-) vergoeden. De Staat moet een bedrag van € 1.500,- (15/20 van € 2.000,-) vergoeden.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen proceskosten voor de behandeling van het beroep. Eisers krijgen wel een vergoeding van hun proceskosten voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 233,50 (1 punt × € 934,- x 0,25).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het college tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,-;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak relevante wetgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[…]
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald;
[…]
Artikel 2.11
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Indien sprake is van strijd met de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
De percelen kadastraal bekend gemeente Stompwijk, sectie C, nummers 635, 636, 776, 777, 2315, 2540, 2541, 2673, 2675, 2677, 2679, 2681, 2683, 2685 en 2687.
Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1614, onder 8, en van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3830, onder 3.2 en 3.3. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|