Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:8439 
 
Datum uitspraak:31-03-2026
Datum gepubliceerd:17-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL24.43462
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Mvv nareis, beroep voor zover het ziet op de minderjarige eisers niet-ontvankelijk, beroep voor zover het ziet op de meerderjarige eisers gegrond. Tegemoetkomen, bevoegde beslissingsautoriteit, jongvolwassenenbeleid, bijkomende elementen van afhankelijkheid, belangenafweging familieleven. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd, omdat verweerder ten onrechte niet alle relevante belangen in de belangenafweging heeft betrokken. Niet valt in te zien waarom verweerder het ontbreken van het gezinsleven tussen de meerderjarige eisers en referent meeweegt in de belangenafweging in het kader van het gezinsleven tussen de meerderjarige en minderjarige eisers.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43462

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
mede namens


[naam 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2000


[naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2002


[naam 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2004


[naam 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2006


[naam 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2008


[naam 6] , geboren op [geboortedatum 5] 2010


[naam 7] , geboren op [geboortedatum 6] 2012


[naam 8] , geboren op [geboortedatum 7] 2015


[naam 9] , geboren op [geboortedatum 8] 2019
tezamen: eisers
(gemachtigden: mr. P.C.M. van Schijndel en mr. A.A. van Harmelen),

en



de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigden: mr. D. Gigengack en mr. L.F. Ludwig).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv).


1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 6 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), mr. P.C.M. van Schijndel als gemachtigde van eisers, M. Fayez als tolk en mr. Gigengack namens verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst omdat zij het van belang vindt dat de moeder van eisers wordt gehoord. Verweerder heeft de moeder van eisers daarna gehoord en de vader van eisers, referent, nogmaals gehoord.



1.3.
Vervolgens heeft verweerder op 31 juli 2025 twee aanvullende besluiten genomen. Voor de kinderen die op het peilmoment minderjarig waren, [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] , heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag voor een mvv toegewezen (bestreden besluit II). Voor de kinderen die op het peilmoment meerderjarig waren, [eiser] , [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van hun aanvraag gebleven (bestreden besluit III).



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, mr. E.A.M. Verstelle als waarnemer van mr. A.A. van Harmelen, T. Ayash als tolk en mr. L.F. Ludwig als gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?


2. Eisers hebben de Jemenitische nationaliteit en zijn de kinderen van referent, die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Referent heeft namens eisers een aanvraag ingediend voor een mvv om bij hem te kunnen verblijven in het kader van nareis.


2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt. Referent heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn ex-vrouw, de achterblijvende ouder, toestemming heeft gegeven voor de minderjarige eisers om zich bij hem in Nederland te voegen en ook niet dat er redenen zijn om over dit vereiste heen te stappen. De meerderjarige eisers vallen niet onder het jongvolwassenenbeleid en er is niet gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen en referent. Verweerder heeft geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM.



2.2.
Na de schorsing van het onderzoek op 27 maart 2025 heeft verweerder de moeder van eisers gehoord en referent nogmaals gehoord. Vervolgens heeft verweerder bestreden besluiten II en III genomen. Het beroep van eisers heeft automatisch betrekking op deze besluiten. Verweerder heeft de aanvraag van de minderjarige eisers toegewezen en die van de meerderjarige eisers afgewezen. De meerderjarige eisers vallen volgens verweerder niet onder het jongvolwassenenbeleid, omdat zij niet meer behoren tot het gezin van referent. Eisers leven al geruime tijd niet met referent in gezinsband en hebben stappen gezet naar zelfstandigheid. Verder is niet gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de meerderjarige eisers en referent. Daarnaast is het bestreden besluit niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Er is namelijk geen familie- of gezinsleven tussen de meerderjarige eisers en referent en de belangenafweging in het kader van het familie- en gezinsleven tussen de meerderjarige en minderjarige eisers valt uit in het nadeel van de meerderjarige eisers.


Wat vinden eisers in beroep?


3. Eisers voeren – kort samengevat – het volgende aan. De aanvraag van de meerderjarige kinderen is ten onrechte afgewezen. Ten eerste is de beslissing genomen door een onbevoegde beslissingsautoriteit, aangezien niet de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid maar de minister van Asiel en Migratie op het moment van het bestreden besluit bevoegd was. Ten tweede is het jongvolwassenenbeleid op hen van toepassing. Zij vallen namelijk qua leeftijd binnen het beleid, voorzien niet in hun eigen levensonderhoud en hebben geen zelfstandig gezin gevormd. Ten derde is er wel sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de meerderjarige eisers en referent. Eisers kunnen namelijk alleen op referent terugvallen en er is een materiële en emotionele afhankelijkheid die door de veiligheidssituatie in Jemen sterker is geworden. Eisers verwijzen in dit kader naar de verklaringen van referent en twee van de kinderen. [eiser] is vooral afhankelijk van referent vanwege zijn psychische klachten. Ten vierde heeft verweerder ten onrechte geen belangenafweging gemaakt in het kader van het familieleven tussen meerderjarige eisers en referent. Ten vijfde heeft verweerder een onjuiste belangenafweging gemaakt in het kader van het familieleven tussen de meerderjarige en minderjarige eisers. Verweerder heeft te weinig gewicht toegekend aan de aard en de intensiteit van het gezinsleven en de slechte en onveilige situatie in Jemen. Verweerder heeft juist een te groot gewicht toegekend aan het economisch belang van de Nederlandse overheid en het belang van de overheid om een restrictief toelatingsbeleid te voeren.


Wat is het oordeel van de rechtbank?


4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep deels niet-ontvankelijk en deels gegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.


Minderjarige eisers


5. Verweerder heeft de aanvraag voor een mvv van de minderjarige eisers met het besluit van 31 juli 2025 ingewilligd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee aan de minderjarige eisers is tegemoet gekomen. De minderjarige eisers hebben daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluiten I en II. De rechtbank zal het beroep voor zover het ziet op deze besluiten over de minderjarige eisers daarom niet-ontvankelijk verklaren. De minderjarige eisers hebben wel recht op een vergoeding van hun proceskosten.


Meerderjarige eisers



Bevoegde beslissingsautoriteit

6. Eisers hebben terecht aangevoerd dat met ingang van 2 juli 2024 de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht is gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit I ten onrechte is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd. Het besluit is ondertekend door een ambtenaar die daartoe bevoegd was. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat eisers door de onjuiste ondertekening in hun belangen zijn geschaad.



Jongvolwassenenbeleid

7. Volgens het jongvolwassenenbeleid neemt verweerder familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouder(s) en het meerderjarig kind aan als het meerderjarig kind jongvolwassen is, met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of relatie. Er hoeft dan geen sprake te zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 29 mei 2024 volgt verder dat als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, verweerder dit niet zomaar mag tegenwerpen bij de beoordeling of het meerderjarig kind feitelijk tot het gezin is blijven behoren. Verweerder mag dit enkel tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Hieraan is voldaan wanneer het meerderjarig kind zelfstandig is gaan wonen en er ten tijde van de mvv-aanvraag in is geslaagd zijn of haar leven zelfstandig vorm te geven. Hieraan is niet voldaan als een meerderjarig kind slechts noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden.



7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen concluderen dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is op de meerderjarige eisers. In dit geval heeft verweerder mogen aannemen dat eisers niet langer feitelijk tot het gezin van referent behoren, omdat zij stappen naar zelfstandigheid hebben gezet. Verweerder heeft er op kunnen wijzen dat eisers al gedurende een aantal jaren voor het vertrek van referent naar Nederland niet meer met hem in gezinsverband leefden. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat referent van 2007 tot 2012 in Saoedi-Arabië heeft gewoond en van 2013 tot 2018 in Maleisië. Zoals de gemachtigde van eisers heeft toegelicht tijdens de zitting van 17 februari 2026, is referent niet naar Maleisië verhuisd door een vluchtsituatie, maar is hij daarnaartoe gegaan voor zijn studie. Eisers hebben kopieën overgelegd van de paspoorten van referent, waarin een aantal stempels staat, om aan te tonen dat hij in die periodes wel regelmatig terugreisde naar zijn familie in Jemen. De rechtbank is met verweerder eens dat de enkele omstandigheid dat referent in deze periode zijn kinderen bezocht, niet betekent dat hij in gezinsverband met hen samenleeft.


Bijkomende elementen van afhankelijkheid

8. Nu de meerderjarige eisers niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoen, kan alleen familie- of gezinsleven worden aangenomen tussen hen en referent als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.



8.1.
Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheid tussen volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Bij de beoordeling van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, moet verweerder alle individuele omstandigheden van het geval te betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin en hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.



8.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en de meerderjarige eisers. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat geen waarde gehecht kan worden aan het element van samenwoning, omdat referent niet altijd met eisers heeft samengewoond en voor een langere tijd in Saoedi-Arabië en Maleisië woonde. Verder heeft verweerder mogen betrekken dat de financiële ondersteuning van referent aan eisers ook op afstand kan worden voortgezet. Toen referent in Saoedi-Arabië en Maleisië woonde, vond de financiële ondersteuning op afstand plaats en nu ook. Daarnaast heeft verweerder zich over de gestelde emotionele afhankelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de omstandigheid dat referent zich verantwoordelijk voelt voor eisers, niet maakt dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verder heeft verweerder mogen betrekken dat er niet is gebleken van medische afhankelijkheid tussen referent en eisers. Uit de overgelegde medische verklaring blijkt niet dat [eiser] afhankelijk is van referent of anderen en [eiser] heeft verklaard dat hij juist wordt ondersteund door zijn broer. Verweerder heeft er tijdens de zitting op kunnen wijzen dat de omstandigheid dat [eiser] op afstand contact heeft met referent niet betekent dat [eiser] medisch afhankelijk van hem is. Voor [naam 1] is uit de overgelegde medische verklaring ook niet gebleken dat hij afhankelijk is van de zorg van referent of anderen of dat hij vanwege medische omstandigheden niet kan werken. Ten slotte heeft verweerder mogen tegenwerpen dat de meerderjarige eisers sterke banden hebben met Jemen omdat zij daar zijn opgegroeid, de taal spreken en de cultuur kennen. Daarnaast woont hun moeder in Jemen en is uit het interview met haar gebleken dat zij haar kinderen regelmatig ziet.


Belangenafweging meerderjarige en minderjarige eisers

9. Omdat tussen de meerderjarige eisers en referent geen sprake is van beschermenswaardig familieleven, heeft verweerder in dat kader geen belangenafweging hoeven maken. Verweerder heeft ambtshalve doorgetoetst en wel aangenomen dat tussen de meerderjarige en minderjarige eisers hechte persoonlijke banden bestaan, omdat zij sinds juni 2023 samenwonen zonder hun moeder en de meerderjarige eisers dus de volledige zorg hadden voor hun minderjarige broertjes en zusjes voor de duur van twee jaar. Dat betekent dat tussen hen sprake is van gezins- en familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Voor die relatie heeft verweerder een belangenafweging gemaakt.



9.1.
Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van het EVRM, waarbij familie- of gezinsleven wordt aangenomen, bij de belangenafweging een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank moet vol toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en moet de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend toetsen.



9.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in de belangenafweging heeft betrokken dat sprake is van gezinsleven tussen de meerderjarige en de minderjarige eisers en dit licht in het voordeel heeft gewogen. Dat er geen sprake is van gezinsleven tussen referent en de meerderjarige eisers heeft verweerder zwaar in het nadeel gewogen. Verder heeft verweerder opgenomen dat de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen meerderjarige en minderjarige eisers minder wordt omdat er geen gezinsleven is tussen referent en de meerderjarige eisers. Over de objectieve belemmering heeft verweerder in het besluit het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van gezinsleven tussen referent en zijn meerderjarige kinderen. Daarom wordt er volgens verweerder minder waarde gehecht aan de objectieve belemmering.



9.3.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank verweerder hierover bevraagd. Verweerder heeft toegelicht dat het gezinsleven tussen de meerderjarige en minderjarige eisers licht in het voordeel is gewogen, omdat de meerderjarige eisers maar een beperkte periode opvoedingstaken voor minderjarige eisers hebben verricht. Omdat referent een aanvraag heeft ingediend voor een mvv voor zijn meerderjarige kinderen, weegt het feit dat tussen hen geen sprake is van gezinsleven volgens verweerder zwaar in het nadeel. Dit laatste werkt ook door in de objectieve belemmering, waar minder waarde aan wordt gehecht omdat er geen gezinsleven is tussen referent en zijn meerderjarige kinderen. De gemachtigde heeft het standpunt ingenomen dat het hier de belangenafweging in het kader van het gezinsleven van de meerderjarige en minderjarige eisers betreft en dat niet valt in te zien waarom verweerder het ontbreken van het gezinsleven tussen de meerderjarige eisers en referent hier meeweegt. De rechtbank is het eens met gemachtigde van eisers. Omdat tussen meerderjarige eisers en referent geen gezinsleven is aangenomen, komt verweerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling niet toe aan een belangenafweging. Verweerder heeft vervolgens ambtshalve doorgetoetst en omdat hij vanwege het bestaan van hechte persoonlijke banden wel gezinsleven tussen meerderjarige en minderjarige eisers aanneemt, heeft hij vervolgens een belangenafweging verricht. Voor het (ontbrekende) gezinsleven tussen referent en meerderjarige eisers is in die belangenafweging geen plaats. Het gaat namelijk om een belangenafweging in het kader van het gezinsleven van de meerderjarige en minderjarige eisers. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte niet alle relevante belangen in de belangenafweging betrokken. Dat betekent dat het besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd.



9.4.
Dat betekent dat bestreden besluiten I en III voor vernietiging in aanmerking komen. Omdat verweerder een nieuwe belangenafweging in het kader van het gezinsleven tussen meerderjarige en minderjarige eisers moet maken en daarbij alle relevante belangen moet betrekken, zal de rechtbank de overige beroepsgronden over deze belangenafweging verder onbesproken laten.





Conclusie en gevolgen

10. Het beroep voor zover het ziet op de minderjarige eisers is niet-ontvankelijk.

11. Het beroep voor zover het ziet op de meerderjarige eisers is gegrond. Dat betekent dat bestreden besluiten I en III worden vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van de meerderjarige eisers met inachtneming van deze uitspraak.

12. Omdat verweerder aan de minderjarige eisers is tegemoetgekomen en het beroep voor zover het ziet op de meerderjarige eisers gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,-.



Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover het ziet op de minderjarige eisers niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover het ziet op de meerderjarige eisers gegrond;
- vernietigt bestreden besluiten I en III;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de meerderjarige eisers met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.802,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588, en met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.


Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).


WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.


Europees Hof voor de Rechten van de Mens.


Zie onder meer uitspraak van het EHRM van 2 september 2022 (Azerkane t. Nederland), ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816.


Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.


Uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.


Zie pagina 4 van bestreden besluit III.


Zie onder meer uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.


Zie onder meer uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.


1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze op het aanvullend besluit en 0,5 punt voor de nadere zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Link naar deze uitspraak