|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:9359 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 24/437 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Pw, intrekking en terugvordering. Artikel 8:57 van de Awb. Artikel 54, derde lid, van de Pw. Correctie op basis van specificatie achteraf. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/437
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
([gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers bijstandsuitkering per 1 mei 2023 en over de terugvordering van een bedrag van € 1.517,69. Eiser is het niet eens met het besluit van het college. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit over eisers uitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering op goede gronden heeft ingetrokken en dat ook de terugvordering terecht is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 18 oktober 2023 heeft het college aan eiser laten weten dat zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) per 1 mei 2023 wordt ingetrokken. Voorts heeft het college beslist dat eiser een bedrag van € 1.517,69 moet terugbetalen omdat hij in de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 september 2023 teveel uitkering heeft ontvangen. Met het bestreden besluit van 18 december 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser ontving sinds 1 mei 2021 een aanvullende bijstandsuitkering van het college. De Ziektewet-uitkering die eiser van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) kreeg was namelijk lager dan het bijstandsniveau. Per 1 mei 2023 veranderde er iets in de situatie van eiser. Vanaf die datum ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), aangevuld met een Toeslagenwet-uitkering (TW). Dit had consequenties voor (de hoogte van) de aanvullende bijstandsuitkering van eiser. In verband daarmee heeft het college aan eiser verzocht om de specificaties van de uitkering die hij van het Uwv ontving, door te geven aan het college. Voor de maand mei 2023 ontving eiser van het college een voorschot, omdat de WW-uitkering altijd met één maand vertraging wordt uitbetaald. Vanaf 1 juni 2023 hield het college rekening met een geschat WW-inkomen van € 928,66 (netto) per maand.
4. Aan de hand van de door eiser ingestuurde betaalspecificaties heeft het college onderzocht of eiser nog recht heeft op een aanvullende bijstandsuitkering, en zo ja, tot welk bedrag. De conclusie van dit onderzoek, neergelegd in een rapportage van 4 oktober 2023, was dat de uitkering die eiser per 1 mei 2023 van het Uwv heeft ontvangen, hoger is dan de norm van de bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Daarom heeft het college besloten de bijstandsuitkering van eiser per 1 mei 2023 te beëindigen. Omdat eiser in de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 september 2023 nog een (aanvullende) bijstandsuitkering heeft ontvangen, moet hij die volgens het college terugbetalen.
5. Eiser is het niet eens met de terugvordering van € 1.517,69. Wat hij aanvoert komt hierop neer dat hij de betaalspecificaties van het Uwv altijd correct en op tijd heeft ingeleverd. De stelling van het college dat die specificaties (pas) zijn ingeleverd nadat de bijstandsuitkering over de maanden mei tot en met september 2023 was uitbetaald, is dus volgens hem onjuist. Eiser zegt dat hij geen invloed had op de berekening en vaststelling door het college en dat hij er van uit mocht gaan dat dit correct gebeurde. Eiser stelt verder dat hij in de schuldsanering zit en dat hij het bedrag van € 1.517,69 niet kan terugbetalen.
6. De rechtbank overweegt dat iemand alleen recht heeft op een uitkering op grond van de Pw wanneer hij of zij niet over voldoende middelen beschikt om in de kosten van het bestaan te voorzien. Dat staat in artikel 11, eerste lid, van de Pw. Wanneer iemand inkomsten heeft, zoals bijvoorbeeld een uitkering op grond van een andere wet, dan moeten die met de bijstandsuitkering worden verrekend. Iemand heeft dan alleen recht op bijstand als het totaal van de inkomsten lager is dan de bijstandsnorm.
7. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser met het wijzigingsformulier van 26 april 2023 heeft doorgegeven dat zijn Ziektewet-uitkering per die datum werd beëindigd. Op verzoek van het college heeft eiser met zijn e-mail van 23 mei 2023 de WW-betaalspecificatie over de maand mei 2023 ingeleverd. Naar aanleiding van die specificatie is het inkomen verwerkt, waarna er een nabetaling over mei 2023 heeft plaatsgevonden. Vanaf juni 2023 is het bedrag van de WW-uitkering geschat, en in mindering gebracht op de bijstandsuitkering van eiser. Nadien heeft eiser steeds gereageerd op verzoeken van het college om de betaalspecificaties van zijn WW- uitkering (aangevuld met TW) in te leveren. Bij e-mails van respectievelijk 10 juli 2023, 4 augustus 2023, 5 september 2023 en 3 oktober 2023 heeft eiser de betaalspecificaties over de maanden juni tot en met september 2023 ingeleverd. Aan de hand daarvan is het college overgegaan tot verrekening van de daadwerkelijk ontvangen inkomsten per 1 mei 2023. Daarbij bleek dat in de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 september 2023 te weinig inkomsten zijn verrekend.
8. Indien iemand ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, bijstand heeft gekregen, dan kan het college het besluit tot toekenning van bijstand intrekken of herzien. Dit volgt uit artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de Pw. Eiser kon weten dat hij alleen recht op aanvullende bijstand behield, indien zijn WW- uitkering (aangevuld met een TW-uitkering) lager was dan de bijstandsnorm. En het college kon pas tot controle en verrekening overgaan nadat eiser de daarvoor benodigde betaalspecificaties had ingeleverd. Het is daarom onvermijdelijk dat achteraf correcties plaatsvinden. Zoals het college terecht heeft opgemerkt wordt eiser niet verweten dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het gaat puur om verrekening van de bijstandsuitkering met de verkregen WW- en TW-uitkering. Uit het voorgaande volgt dat het college terecht de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 september 2023 op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw heeft gecorrigeerd, wat heeft geleid tot de bestreden herziening en intrekking van de bijstandsuitkering van eiser.
9. Niet in geschil is dat uit de hierboven beschreven correctie over de betrokken periode is gebleken dat eiser € 1.517,69 te veel bijstand heeft ontvangen. De juistheid van dit bedrag is niet betwist. Indien iemand teveel bijstand heeft ontvangen, dan is het college bevoegd om het teveel uitgekeerde bedrag terug te vorderen. Dit volgt uit artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in dit geval ook van die bevoegdheid gebruik mogen maken. Er is namelijk niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het college geen aandeel heeft gehad in het ontstaan van de terug te vorderen bijstand. Het college heeft voldoende adequaat gereageerd op de door eiser ingeleverde betaalspecificaties. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat met eiser een afbetalingsregeling is overeengekomen die recht doet aan de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van eiser. De terug- en invordering zijn in dit geval daarom niet onevenredig nadelig in verhouding met het daarmee gediende doel van een juiste besteding van bijstandsgeld.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|